Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB3158

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2001
Datum publicatie
08-08-2001
Zaaknummer
65600 / HA ZA 01-1060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 65600 / HA ZA 01-1060

Bezwaar nummer : 37

Datum uitspraak : 20 juli 2001

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's Hertogenbosch, MEERVOUDIGE KAMER voor de behandeling van burgerlijke zaken, gewezen op het bezwaarschrift tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling Sint-Oedenrode blok Liempde Nijnsel (bezwaar 37) van:

BRABANTSE MILIEUFEDERATIE,

gevestigd te Tilburg;

reclamante;

gemachtigden: Mw. Mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's Hertogenbosch,

[naam],

[naam];

Reclamante zal hierna BMF worden genoemd.

1. De procedure

Het bezwaar van BMF is eerder behandeld door de Landinrichtingscommissie en door de rechter-commissaris, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt, die als hier opgenomen dienen te worden beschouwd. Aanvankelijk hadden ook IVN afdeling Sint-Oedenrode (bezwaar nr.99), Milieugroepen Landinrichting Sint-Oedenrode - hierna ook Milieugroepen te noemen - (bezwaar nr. 133), Werkgroep Natuur- en Landschapsbeheer Boxtel (bezwaar nr.134) en Natuurwerkgroep Liempde (bezwaar nr 135) bezwaar tegen het plan van toedeling gemaakt doch vervolgens ingetrokken, met dien verstande dat mr.Geeraedts voornoemd als gemachtigde van Milieugroepen heeft medegedeeld dat BMF in deze mede optreedt namens Milieugroepen.

De rechtbank heeft het bezwaar van BMF behandeld ter terechtzitting van 20 juni 2001, waar verschenen zijn BMF, vertegenwoordigd door haar voornoemde gemachtigden, alsmede vertegenwoordigers van de betrokken Landinrichtingscommissie, de Centrale Landinrichtingscommissie, hierna gezamenlijk "de commissie" te noemen en de aan de commissie toegevoegde ingenieur van het kadaster. Partijen hebben haar zaak bepleit, ieder onder overlegging van een pleitnota, en hebben daarop over en weer geantwoord. Ten slotte heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

2. Het bezwaar en de beoordeling

2.1. Het bezwaar van BMF komt naar de kern weergegeven hierop neer dat de doelstelling van het landinrichtingsplan bestaande in het verbeteren van de kwaliteit van het landschap en het behoud van de ontginningstypen en cultuurhistorische elementen in het plan van toedeling onvoldoende wordt gerealiseerd.

2.2. De gemachtigde van de commissie heeft ter zitting van de rechtbank betoogd, dat BMF in haar bezwaar niet ontvangen kan worden, omdat zij geen belanghebbende is in de zin van artikel 200 van de Landinrichtingswet (LiW). De commissie stelt, dat een plan van toedeling een indeling van civiele rechten van natuurlijke- en rechtspersonen inhoudt, naar rato van de door hen ingebrachte rechten. Vaststaat, dat noch BMF noch Milieugroepen binnen het blok van de onderhavige ruilverkaveling gronden in eigendom of pacht heeft ingebracht, dat aan hen geen gronden zijn toegedeeld en dat zij ook geen aanspraak op toedeling van grond maken. De commissie stelt, dat als belanghebbende bij de behandeling van bezwaren tegen het plan van toedeling moet worden beschouwd iedere eigenaar of rechthebbende wiens aanspraken in de toedeling van kavels door gegrondbevinding van bezwaren verandering kunnen ondergaan. De commissie verwijst tenslotte naar het door deze rechtbank op 5 januari 2001 gewezen vonnis inzake het bezwaar van Milieugroepen tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling Sint-Oedenrode blok Zijtaart Vressel, bij welk vonnis reclamante niet-ontvankelijk is verklaard aangezien zij niet als belanghebbende in vorenbedoelde zin kon worden aangemerkt. De commissie heeft nog aangevoerd dat gezien dat vonnis thans mogelijk sprake is van schending van het beginsel ne bis in idem.

2.3. BMF betoogt daarop dat zij wel ontvankelijk is in haar bezwaar aangezien zij - evenals Milieugroepen - belanghebbende in de zin van art 200 LiW is.

Samengevat voert zij het navolgende daartoe aan. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoogt eenheid van wetgeving te bevorderen hetgeen onder meer bereikt wordt wanneer eenzelfde term in de wetgeving steeds dezelfde betekenis heeft en zulks geldt met name voor de centrale begrippen in het bestuursrecht zoals het begrip belanghebbende. Nu de LiW is meegenomen in aanpassingswetgeving naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Awb, blijkt dat hier ook gedoeld wordt op de LiW. BMF wijst erop, dat in artikel 220a LiW is bepaald, dat de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet van toepassing zijn ten aanzien van de bezwaren als bedoeld in onder meer artikel 200 LiW. Niet blijkt dat de wetgever beoogd heeft te voorkomen dat anderen dan degenen met een civielrechtelijk belang bezwaren kunnen indienen tegen het plan van toedeling. Het begrip belanghebbende in hoofdstuk 7 heeft dezelfde betekenis als dat in art. 1:2 Awb. Bij toetsing aan deze definitie moeten BMF en Milieugroepen als belanghebbenden worden beschouwd. Het plan van toedeling is immers van directe invloed op de natuur, het landschap en het cultuurpatroon.

Het landinrichtingsplan bedoeld in artikel 73 e.v. LiW heeft slechts een programmatisch karakter, bestaat voor het merendeel uit louter doelstellingen en heeft dus een "open-end"-karakter. Slechts de rechthebbenden en pachters en niet BMF of Milieugroepen kunnen in de bij art 83 lid 3 LiW aangegeven gevallen ter zake dat plan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen. Pas bij het plan van toedeling kan vastgesteld worden in hoeverre in het landinrichtingsplan de doelstellingen daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

De directe belanghebbendheid van BMF en Milieugroepen vloeit voort uit hun statutaire doelstelling om op te komen voor de belangen van natuur, landschap cultuurhistorie en recreatie. Nu de belangen van BMF en Milieugroepen rechtstreeks bij het plan van toedeling zijn betrokken, zijn zij dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1: 2 Awb en 200 Liw. Er is geen goede grond aan te nemen dat met belanghebbende in art. 200 LiW slechts gedoeld wordt op degene met een civielrechtelijk belang. Het vonnis van de rechtbank d.d. 5 januari 2001 is dan ook onjuist. Gewezen wordt nog op een vonnis van deze rechtbank van 23 september 1988 (Rb: gepubliceerd in Agrarisch Recht 1989/6,4249), waarbij is geoordeeld dat een natuur- en milieubelangen behartigende stichting op zichzelf als belanghebbende bij het plan van toedeling kan worden aangemerkt.

2.4. De rechtbank komt tot het navolgende oordeel over de opgeworpen ontvankelijkheidvragen.

2.5. Inbreuk op de regel ne bis in idem of - indien dit mede bedoeld wordt door de commissie - niet-ontvankelijkheid van BMF in verband met een eerder gewezen beslissing met gezag van gewijsde, een en ander gelet op het eerdergenoemde vonnis van deze rechtbank van 5 januari 2001, doet zich reeds daarom niet voor nu geen sprake is van dezelfde procespartijen en het gaat om verschillende ruilverkavelingblokken.

2.6. Voor wat betreft de vraag of BMF en Milieugroepen belanghebbende zijn in de zin van artikel 200 LiW en of zij in die hoedanigheid ontvankelijk zijn in het bezwaar, wordt alsvolgt overwogen.

De rechtbank stelt vast, dat de Landinrichtingswet geen definitie geeft van het in deze wet gehanteerde begrip belanghebbende. De rechtbank is van oordeel, dat het in artikel 200 LiW gehanteerde begrip belanghebbende ruimer is dan het in deze wet gehanteerde begrip rechthebbende. Dit volgt onder meer uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet. De nota naar aanleiding van het eindverslag vermeldt, dat het begrip belanghebbende enigszins ruimer is dan de som van de begrippen rechthebbende en pachter. Uit de daarop volgende toelichting - met name de ter verduidelijking gegeven praktijkvoorbeelden - blijkt echter, dat de wetgever het begrip belanghebbende beperkt wenst te zien tot degene met een civielrechtelijk belang. De Nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 15 907, nr 11) vermeldt voor zover hier van belang:

De leden van de S.G.P.-fractie signaleren enige inconsequenties in het gebruik van de woorden "rechthebbenden"en "belanghebbenden". De leden vinden het aanbevelenswaardig het begrip "belanghebbende"in artikel 1 scherper te begrenzen om grote vertragingen bij de bezwarenprocedures te voorkomen. Het is volgens hen aan te bevelen om slechts van belanghebbenden te spreken bij gerechtigden tot gronden buiten het blok.

.......

Hoewel de praktische betekenis hiervan niet moet worden overschat, is het begrip

belanghebbende enigszins ruimer van inhoud is dan de som van de begrippen rechthebbende en pachter. Enige praktijkvoorbeelden mogen dit verduidelijken.

Een perceel gelegen juist binnen de grens van een blok kan ontsloten zijn via een erfdienstbaarheid buiten het blok. Indien langs dit perceel in de ruilverkaveling een openbare weg komt te liggen kan de eigenaar van het lijdende erf buiten het blok bezwaar maken tegen het plan van toedeling en onder verwijzing naar artikel 189 van het ontwerp vragen om de erfdienstbaarheid te schrappen wegens overbodigheid. Voorts is het mogelijk dat iemand denkt eigenaar te zijn van een stuk grond dat in de lijst van rechthebbenden te naam is gesteld van een ander. Hij moet dan de mogelijkheid hebben als belanghebbende bezwaar te kunnen maken.

Wij zien, gezien de gegeven voorbeelden, niet in hoe scherpere begrenzing van het begrip "belanghebbende"in artikel 1 kan bijdragen tot het vermijden van grote vertraging bij de bezwarenprocedures.

...........

Ten tijde van de invoering van de Awb van 4 juni 1992 gold reeds voormeld artikel 200 LiW met het daarin in de hiervoor aangegeven zin te begrijpen begrip belanghebbende en dit artikel is ook nadien ongewijzigd gebleven. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt anders dan BMF kennelijk wil betogen, niet dat met de invoering van de Awb en/of de aanpassing van de LiW aan de Awb dat begrip belanghebbende een andere of ruimere inhoud of reikwijdte is gegeven. Zulks blijkt noch uit de wettekst noch uit de parlementaire behandeling van het Awb-wetsontwerp en de wijzigingen van de LiW. De toevoeging van artikel 220a LiW - dat de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet van toepassing verklaart ten aanzien van de bezwaren bedoeld in de artikelen 152, tweede lid, 170 eerste lid, 191, 200, 205 tweede lid, 214, en 219 eerste lid en van het beroep bedoeld in artikel 157, tweede lid - maakt op zich nog niet aannemelijk dat het begrip belanghebbende in artikel 200 LiW dezelfde betekenis heeft als datzelfde begrip in artikel 1:2 Awb. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank eerder weinig voor de hand dat bij uitsluiting van de toepasselijkheid van genoemde hoofdstukken van de Awb ten aanzien van onder meer artikel 200 LiW, het begrip belanghebbende in dat artikel wel als belanghebbende in de zin van de Awb zou moeten worden verstaan. De rechtbank is van oordeel dat de reden van uitsluiting van de toepasselijkheid van de hoofdstukken 6 en 7 op onder meer de bezwarenprocedure tegen het plan van toedeling gelegen is in de wens van de wetgever om het op dat moment bestaande systeem van rechtsbescherming te handhaven. Dit systeem ziet op de bescherming van civielrechtelijke belangen. Een uitbreiding van der kring de belanghebbenden tot diegenen, die voor een ander dan een civielrechtelijk belang wensen op te komen, past daar niet in.

De belangen, waarvoor BMF en Milieugroepen opkomen zijn - kort samengevat - de bescherming en het behoud van milieu, natuur en landschap. Deze belangen komen expliciet aan de orde bij de vaststelling van het landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 e.v. LiW. Aan BMF en Milieugroepen kan toegegeven worden dat het bij dit plan gaat om een programma en doelstellingen en nog niet om de realisering daarvan en ook dat de LiW aan hen geen mogelijkheid van beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft. Een en ander kan evenwel niet medebrengen dat BMF en Milieugroepen, die geen gronden hebben ingebracht, aan wie in het plan van toedeling geen gronden zijn toegedeeld en die evenmin aanspraak maakt op toedeling van gronden, tegen het plan van toedeling bezwaar kunnen maken met het doel te laten toetsen of de doelstellingen van het landinrichtingsplan verwezenlijkt zijn. Met het plan van toedeling worden een nieuwe kavelindeling en ander regelingen van civielrechtelijke aard vastgesteld en in dit stelsel past niet de evengenoemde door BMF en Milieugroepen beoogde toetsing.

2.7. Uit het hiervoor overwogene vloeit, naar het oordeel van de rechtbank, voort, dat de belangen, waarvoor BMF en Milieugroepen niet rechtstreeks bij het plan van toedeling betrokken zijn. Dit leidt tot de slotsom, dat BMF (al dan niet mede namens Milieugroepen) niet als belanghebbende bij het plan van toedeling, anders gezegd als belanghebbende in de zin van artikel 200 LiW kan worden beschouwd en dat zij in haar bezwaren niet kan worden ontvangen.

2.8. BMF zal als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de kosten van dit geding.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart BMF niet ontvankelijk in haar bezwaar.

veroordeelt BMF in de kosten van dit geding aan de zijde van de gezamenlijke rechthebbenden begroot op f. 860,--.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Poerink, voorzitter, Van Daalen en Burghoorn, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

type:JP/MH

coll: