Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB2723

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2001
Datum publicatie
19-07-2001
Zaaknummer
01/050529-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en haar partner hebben [kind 1] en [kind 2] zonder toestemming van hun vader [naam vader]-aan wie het ouderlijk gezag bij rechterlijke beslissing van 22 november 1993 was toegekend en bij wie de kinderen verbleven- op 5 september 1998 naar Indonesië meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/050529-98

Uitspraakdatum: 19 juli 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1957,

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juli 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 januari 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te haren laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

5, 10, 14a, 14b, 14c, 22b (oud), 22c (oud), 22d (oud), 24c, 36f, 47, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

· het verrichten van arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 80 uren in plaats van 2 maanden gevangenisstraf;

· een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek;

· hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van ? 10.000,-- en het overige niet ontvankelijk te verklaren en

· oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform artikel 36f Wetboek van Strafrecht, hoofdelijk, ad ? 10.000,--, subsidiair 100 dagen hechtenis.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de op te leggen straf overweegt de rechtbank als volgt:

· Verdachte en haar partner hebben [kind 1] en [kind 2] zonder toestemming van hun vader [naam vader]-aan wie het ouderlijk gezag bij rechterlijke beslissing van 22 november 1993 was toegekend en bij wie de kinderen verbleven- op 5 september 1998 naar Indonesië meegenomen. De kinderen waren toen respectievelijk 7 en 10 jaar. Vader heeft na enkele weken het land van verblijf van zijn kinderen weten te achterhalen. De zaak is vervolgens in een (diplomatieke) impasse geraakt, omdat met Indonesië geen uitleveringsverdrag terzake met Nederland bestond. Van dit laatste waren verdachte en haar partner zich overigens terdege bewust en het vormde -zoals uit hun verklaringen blijkt- een motief om voor Indonesië als verblijfsland te kiezen met als doel aldaar gedurende 7 jaren te verblijven. Verdachte en haar partner hebben de kinderen bijna 14 maanden aan voornoemd gezag onttrokken gehouden, hebben vader niet geïnformeerd over de verblijfplaats, noch over het welzijn van zijn kinderen. Op 2 november 1999 zijn de kinderen -onder door verdachte en haar partner gestelde condities- naar Nederland teruggekeerd.

· Verdachte en haar partner hebben bij de politie en ter zitting verklaard tot deze daad te zijn gekomen omdat zij het niet eens waren met de -voor hun- beperkte omgangsregeling met de kinderen, welke naar hun mening in de praktijk ook nog eens door vader werd gefrustreerd en uitgekleed alsmede met het "gesleep" van de kinderen tussen huis, school en gastgezin, waaronder de kinderen volgens verdachte en haar partner te lijden hadden. Voorts hoopten zij door hun vertrek naar Indonesië -waar de partner van verdachte zou gaan werken- uit de financiële problemen te geraken die waren veroorzaakt door diverse gerechtelijke procedures rond het gezag om de kinderen. Volgens verdachte en haar partner hadden de kinderen rust en liefde nodig.

· De wetgever heeft met strafbaarstelling van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht beoogd zowel de belangen van degene die het wettig gezag uitoefent als die van het minderjarige kind te beschermen. Overtreding van deze wetsbepaling wordt -voorzover het betreft kinderen beneden de 12 jaren, zoals in casu het geval- bedreigd met maximaal negen jaren gevangenisstraf. Derhalve een ernstig strafbaar feit volgens de wetgever.

· De rechtbank neemt verdachte en haar partner, gelet op het bovenstaande, in het bijzonder kwalijk dat zij welbewust

i. vader meer dan een jaar in onzekerheid omtrent de exacte verblijfplaats en het welzijn van zijn kinderen hebben laten verkeren;

ii. vader gedurende zo lange tijd contact met zijn kinderen hebben onthouden;

iii. de kinderen contact met hun vader -door wie zij vanaf hun geboorte (mede) zijn opgevoed- hebben onthouden;

iv. de kinderen overigens contact met hun hele sociale omgeving (familie, school, vriendjes/vriendinnetjes) gedurende zo lange tijd hebben onthouden;

v. noch bij de politie noch ter zitting wezenlijk inzicht in en spijt over de reikwijdte en de strafwaardigheid van hun handelen hebben betoond;

vi. -kortom- de belangen van vader ondergeschikt hebben gemaakt aan hun eigen verlangens en wensen en ook de belangen van de kinderen naar hun eigen inzicht hebben ingevuld -waarbij de rechtbank niet vermag in te zien hoe het verlangen naar rust voor de kinderen zich verhoudt tot het weghalen van kinderen uit hun sociale omgeving- en waarbij zij voorbij zijn gegaan aan de rechterlijke beslissing(en) volgens welke de kinderen onder het gezag van vader stonden (en bleven staan) en waarbij naar mag worden aangenomen door de rechter (steeds) een belangenafweging is gemaakt tussen de belangen van de kinderen en de wensen van moeder. De rechtbank vermeldt hierbij dat de Raad voor de Kinderbescherming in de periode vóór het vertrek naar Indonesië twee keer een onderzoek heeft ingesteld en twee keer van mening was dat de kinderen beter bij vader konden blijven (rapport d.d. 19 september 2000).

· Aan het voorafgaande doet niet af dat de rechtbank zich realiseert dat voor verdachte en haar partner de periode voorafgaande aan hun verblijf in Indonesië, waarin zij zich in het leven van de kinderen aan de zijlijn voelden staan, alsmede de daarop volgende periode van onzekerheid, verre van gemakkelijk is geweest;

· Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte terzake strafbare feiten niet eerder tot straf werd veroordeeld.

Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, oordeelt de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een beperkte voorwaardelijke gevangenisstraf en een beperkt aantal uren onbetaalde arbeid zoals door de officier van justitie is geëist. De gevorderde straf brengt, naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het bewezenverklaarde onvoldoende tot uitdrukking. De rechtbank acht een gevangenisstraf, van een jaar op zichzelf genomen passend. Gelet op de belangen van de kinderen alsmede het gegeven dat er inmiddels een onwenselijk lange tijd verstreken is tussen de gepleegde feiten en de zittingsdatum, zal de rechtbank bepalen dat een deel daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf kan worden omgezet in onbetaalde arbeid ten algemene nutte, zoals door verdachte ter terechtzitting is aangeboden.

Met betrekking tot het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf, te weten 8 maanden, zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de hierna te formuleren voorwaarde houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om in plaats van het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf aan verdachte het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte op te leggen gedurende een hieronder te bepalen aantal uren. Aan de wettelijke eisen is voldaan.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht aan benadeelde en de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat daadwerkelijk schadevergoeding aan de benadeelde bevordert. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is voldaan.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde en derhalve door de handelingen van verdachte rechtstreekse schade, waaronder immateriële schade, heeft geleden tot een bedrag dat bij wijze van voorschot wordt bepaald op ? 20.000,--, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is vergoed. Aan de maatstaven van burgerlijk recht is voldaan.

De post ten aanzien van de aanschaf van een faxapparaat wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze geen rechtstreekse schade betreft.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zodanig eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop heeft de rechtbank bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is en dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verdachte zal, als de in het ongelijk gestelde partij, verwezen worden in de door de benadeelde partij terzake haar voeging in deze strafzaak gemaakte kosten, als na te melden. Verdachte is niet gehouden tot de betaling voor zover deze kosten door haar mededader is vergoed.

Aan verdachte worden meerdere wijzen van vergoeding van dezelfde schade opgelegd. In verband hiermee zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde zal zijn gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte of haar mededader heeft voldaan aan een van de hiervoor genoemde wijzen van schadevergoeding.

DE UITSPRAAK

Verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is, meermalen gepleegd (artikel 279 lid 1 en lid 2 juncto artikel 47 lid 1 onder 1 en juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht).

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

· Het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, waarbij de te verrichten arbeid wordt gesteld op 180 uren in plaats van 4 maanden gevangenisstraf.

Met inachtneming van het hierna bepaalde moet deze arbeid worden aangevangen binnen 3 maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en dient die arbeid te worden verricht binnen 12 maanden na aanvang daarvan.

Deze arbeid zal bestaan uit het verrichten van werkzaamheden in de categorie administratie en/of onderhoud en/of verzorging uit te voeren bij een door de Reclassering Nederland, Arrondissementaal Secretariaat van de Reclassering gevestigd aan de Leeghwaterlaan 14 te 's-Hertogenbosch na overleg met veroordeelde aangewezen project.

Ter uitvoering van het project zal de veroordeelde de werkzaamheden dienen te verrichten overeenkomstig haar door of namens de Reclassering Nederland voornoemd gegeven aanwijzingen. Daarnaast dient veroordeelde zich te gedragen overeenkomstig de geldende Standaardregels Werkstraffen.

· Een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT MAANDEN.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

· Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij] van een bedrag van ? 20.000,-- (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is vergoed.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij] bij wijze van voorschot toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [adres benadeelde partij] van een bedrag van ? 20.000,-- (zegge: twintigduizend gulden).

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door haar mededader is vergoed.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering met betrekking tot de kosten voor de aanschaf van een faxapparaat.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige gedeelte niet ontvankelijk is en dat zij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van het geding, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot heden begroot op nihil. Verdachte is niet gehouden tot betaling van deze kosten voor zover die door haar mededader is vergoed.

Verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte of haar mededader heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Wielders, voorzitter,

mr. Kobussen en mr. Veldman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Velden, griffier

en is uitgesproken op 19 juli 2001.

Tenlastelegging:

zij in of omstreeks de periode van 5 september 1998 tot en met 2 november 1999 te Uden en/of te Wijchen, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of in het arrondissement Arnhem, in elk geval in Nederland, en/of in Indonesie, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk

de minderjarigen [kind 1] (geboren op 11 februari 1991) en [kind 2] (geboren op 5 juli 1988), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt en die onder het ouderlijk gezag of voogdij stonden van, althans waren toevertrouwd aan, hun vader, [naam vader] heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan dat wettig over genoemde minderjarigen gestelde gezag, immers heeft zij, verdachte, en/of haar

mededader, met dat opzet die minderjarigen zonder toestemming van de vader (onder meer) naar Indonesie, althans naar (een) voor deze laatste onbekende plaats(en), meegenomen en aldaar ondergebracht, waardoor het die vader onmogelijk werd gemaakt het aan hem opgedragen gezag over die minderjarigen uit te oefenen;

[artikel 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht]

Bewezenverklaring:

zij in de periode van 5 september 1998 tot en met 2 november 1999 te Uden en/of te Wijchen, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch en/of in het arrondissement Arnhem, in elk geval in Nederland, en/of in Indonesie, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk de minderjarigen [kind 1] (geboren op 11 februari 1991) en [kind 2] (geboren op 5 juli 1988), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt en die onder het ouderlijk gezag stonden van hun vader, [naam vader], heeft onttrokken en onttrokken gehouden aan dat wettig over genoemde minderjarigen gestelde gezag, immers heeft zij, verdachte, en haar

mededader, met dat opzet die minderjarigen zonder toestemming van de vader (onder meer) naar Indonesie meegenomen en aldaar ondergebracht, waardoor het die vader onmogelijk werd gemaakt het aan hem opgedragen gezag over die minderjarigen uit te oefenen.