Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB2474

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
38835 / HA ZA 99-1001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-HERTOGENBOSCH

VONNIS

Zaaknummer : 38835 / HA ZA 99-1001

Datum uitspraak: 29 juni 2001

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [naam],

in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster van [naam]

procederende met (voorwaardelijke) toevoeging onder nummer[];

en

2. [naam],

allen wonende te [woonplaats];

procederende met (voorwaardelijke) toevoeging onder nummer [];

eiseressen bij exploot van dagvaarding d.d. 25 mei 1999;

procureur mr. W. Coppoolse,

tegen:

[naam],

wonende te [woonplaats],

procederende met toevoeging onder nummer [];

gedaagde,

procureur mr. L.H.J.M. Cilissen.

Partijen zullen hierna eiseres sub 1 en eiseres sub 2 respectievelijk gedaagde worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van het geding blijkt onder meer uit de volgende stukken:

de dagvaarding;

de conclusie van eis;

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek;

akte overlegging productie;

de conclusie van dupliek.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

De rechtbank heeft in het dossier van gedaagde de producties bij repliek niet aangetroffen, doch uit zijn stellingname bij dupliek leidt de rechtbank af dat hij met de inhoud ervan bekend is.

2. De vaststaande feiten:

2.1. Eiseres sub 1 is geboren op [datum] en eiseres sub 2 op [datum]. Gedaagde had een relatie met hun moeder en woonde bij hen in. Hij is niet de biologische vader van eiseres sub 1 en eiseres sub 2. Hij heeft hen gedurende enkele jaren seksueel misbruikt.

2.2 Bij vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, meervoudige strafkamer, van 23 december 1998 zijn ten laste van gedaagde de navolgende feiten bewezen verklaard:

“Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.”

en:

“Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.”

2.2. Gedaagde werd door de rechtbank ter zake van de hierboven vermelde strafbare feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts werd gedaagde veroordeeld tot betaling van voorschotten op de immateriële schadevergoeding, te weten aan eiseres sub 2 een bedrag van ƒ 2.500.00 (alsmede ƒ40,50 materiële schadevergoeding), en aan eiseres sub 1 een bedrag van ƒ 1.000,00. Terzake de betaling van deze bedragen heeft hij een betalingsregeling getroffen met het Centraal Justitieel Incassobureau.

3. Het geschil

3.1. Terzake de schade, die zij door het door hem gepleegde seksueel misbruik hebben opgelopen vorderen eiseressen veroordeling van gedaagde bij vonnis voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

- aan eiseres sub 1:

ƒ 9.000,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1995 en

ƒ 1.762,50 aan juridische kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- aan eiseres sub 2:

ƒ 27.500,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1995 en

ƒ 1.762,50 aan juridische kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding,

alles met veroordeling van hem in de kosten van de procedure.

3.2. Gedaagde heeft zich tegen de vordering allereerst verweerd met een beroep op niet ontvankelijkheid van eiseres sub 1 gelet op het ontbreken van de vereiste machtiging van de kantonrechter, doch dat verweer heeft hij, nadat eiseres sub 1 de inmiddels verkregen machtiging had overgelegd, bij dupliek ingetrokken, zodat het geen bespreking meer behoeft

3.3. Gedaagde erkent eiseres sub 1 en eiseres sub 2 seksueel misbruikt te hebben en aansprakelijk te zijn voor de daardoor veroorzaakte schade. Hij voert het volgende verweer:

a) hij betwist dat die schade de door eiseressen genoemde bedragen van ƒ 10.000,00 respectievelijk ƒ 30.000,00 vertegenwoordigt; gedaagde concludeert dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van ƒ 2.000,00 aan eiseres sub 1 en van ƒ 7.500,00 aan eiseres sub 2.

b) hij betwist - subsidiair - dat er voor de bepaling van de ingangsdatum vertragingsrente een juiste maatstaf is gehanteerd.

c) hij doet een beroep op matiging op grond van zijn geringe draagkracht.

d) hij betwist de juridische kosten.

4. De beoordeling

ad a:

4.1. De hoogte van de immateriële schade laat zich naar haar aard alleen schattenderwijs naar billijkheid bepalen. De rechtbank neemt hiervoor in het bijzonder het volgende in aanmerking.

4.1.1 Eiseressen hebben het terzake het gebeuren opgemaakt proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid Oost met nummer [] overgelegd. Gedaagde heeft de inhoud ervan niet betwist. Volgens dat proces-verbaal heeft gedaagde zelf verklaard dat hij ontucht met zijn stiefkinderen eiseres sub 2 en eiseres sub 1 heeft gepleegd. Hij heeft eiseres sub 2 over haar gehele lichaam, waaronder haar vagina en borsten, gestreeld. eiseres sub 2 moest lingerie van haar moeder aantrekken die hij had klaar gelegd; hij trok die lingerie dan bij haar uit. Het gebeurde regelmatig dat hij zich zelf ten overstaan van eiseres sub 2 aftrok. Het gebeurde wel eens dat hij met zijn vingers in de vagina van eiseres sub 2 ging. Af en toe likte hij de vagina van eiseres sub 2. De ontucht vond plaats gemiddeld eens per week of per 14 dagen.

Bij eiseres sub 1 is het slechts tot strelen over haar hele lichaam, inclusief vagina en borsten, gekomen. Ook eiseres sub 1 moest lingerie van haar moeder aantrekken.

Deze verklaring sluit aan met hetgeen de meisjes zelf hebben verklaard.

4.1.2. Uit het proces-verbaal is verder af te leiden dat het misbruik van eiseres sub 2 heeft plaatsgevonden in de periode mei 1992 tot mei 1996 (toen zij dus 12 tot 16 jaren oud was) en van eiseres sub 1 van oktober 1997 tot februari 1998 (toen zij dus 14 jaren oud was. Uit het proces-verbaal blijkt evenwel dat zij een ontwikkelingsachterstand van enkele jaren heeft; ze functioneerde op het niveau van een 10 à 11 jarige). Gedaagde was toen tussen de 29 en 35 jaren oud.

4.1.3. Het misbruik gebeurde in de woning van de slachtoffers, zij konden zich nergens in veiligheid brengen en gedaagde dus niet ontwijken. Het misbruik kon slechts plaatsvinden doordat gedaagde gebruik maakte van zijn overwichtpositie als stiefvader. Gedaagde ontkent dat het geweld heeft gebruikt. De rechtbank heeft voor gebruik van geweld inderdaad geen aanwijzingen gevonden, doch dat betekent niet dat er geen intimidatie heeft plaatsgevonden; gedaagde verklaart dat hij heeft gezegd dat ze niets tegen hun moeder mochten vertellen, en dat hij hen af en toe (zwijg)geld heeft gegeven. De meisjes hebben aldus onder de druk van geheimhouding over het gebeurde moeten leven

4.1.4. Over de schade die dit voor de meisjes teweeg heeft gebracht is weinig toelichting gegeven. Eiseres sub 1 en eiseres sub 2 stellen

- ernstige naweeën van het gebeuren te ondervinden en naar verwachting ook in de komende jaren;

- intensieve psychotherapeutische hulp te hebben gehad bij het FIOM en de GGzE te Eindhoven gedurende de periode van februari 1998 tot juni 1999;

- met psychische schade te kampen in de vorm van met name minderwaardigheids- en angstgevoelens;

- dat sprake is van een verstoorde seksuele en psychische ontwikkeling en - in het verlengde daarvan - van een verstoorde ontwikkeling van hun persoonlijkheid.

Dit alles is echter niet met bewijsstukken gestaafd.

4.1.5. Gedaagde heeft een en ander in algemene zin betwist. Uit het proces-verbaal blijkt echter van psychische spanningen bij eiseres sub 2, hetgeen negatieve gevolgen had voor haar functioneren, zodanig dat eiseres sub 2 haar baan dreigde kwijt te raken. Eiseres sub 2 had huilbuien en kreeg problemen met haar sociale contacten, voelde zich thuis niet veilig en wilde niet meer thuis wonen. Eiseres sub 2 heeft thans een andere baan omdat ze het belastend vindt dat in de vorige baan de mensen van de zaak op de hoogte zijn. Voorts blijkt dat het misbruik bij eiseres sub 1 tot psychische spanningen heeft geleid met negatieve gevolgen voor haar functioneren, eiseres sub 1 schaamt zich en is door hetgeen haar is overkomen zeer geëmotioneerd.

4.1.6. Elke verdere aanwijzing die de stellingen van eiseres sub 1 en eiseres sub 2 adstrueert ontbreekt. De rechtbank neemt daarom, mede op grond van het van algemene bekendheid zijnde feit dat seksueel misbruik bij kinderen van die leeftijd tot dergelijke schade pleegt te leiden, aan dat de immateriële schade (deze procedure gaat slechts over deze soort schade) bestaat uit een beleving van minderwaardigheids- en angstgevoelens, die geleidelijk zullen afnemen en een zekere stoornis in de psycho-seksuele ontwikkeling, die door deskundige behandeling uiteindelijk goeddeels te herstellen zal zijn.

4.1.6. Bij deze billijkheidsafweging speelt eveneens een rol dat de draagkracht van gedaagde maar beperkt is, zoals door eiseressen niet is betwist, en dat gedaagde bij het plegen van het misbruik de invloed heeft ondergaan van een ziekelijke stoornis, zoals vermeld in vonnis van de strafrechter, (tengevolge van kanker was een zaadbal verwijderd, waardoor gedaagde gedeeltelijke impotent werd. Hij kreeg hierdoor verwijten van zijn partner en ontwikkelde een neurotische ontwikkelingsstoornis culminerend in pedofiele en fetisjistische aspecten).

4.1.7. De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande de immateriële schadevergoeding vast op het volgende:

voor eiseres sub 2 op ƒ 15.000,00 en voor eiseres sub 1 op ƒ 4.000,00.

Dat betekent dat de voorschotten, die door de strafrechter zijn toegekend, nu die blijkens de dagvaarding in deze niet worden meegevorderd, daarop in mindering moeten worden gebracht, zodat zal worden toegewezen een bedrag van ƒ 12.500,00 aan eiseres sub 2 en

ƒ 3.000,00 aan eiseres sub 1.

ad b:

4.2. Bij schadevergoeding is vertragingsrente verschuldigd vanaf het moment dat de schade geacht moet worden te zijn geleden. Bij de hierboven verrichte vaststelling van de schade heeft de rechtbank de toestand aan het eind van het misbruik als meetpunt genomen. Dat betekent dat de vertragingsschade reeds is begrepen in het vastgestelde bedrag, voorzover die schade is ingetreden voor het einde van dat misbruik. Dat betekent dat de vertragingsrente berekend dient te worden vanaf 1 juni 1996 voor wat betreft eiseres sub 2 en vanaf 1 maart 1998 voor wat betreft eiseres sub 1.

ad c:

4.3. Zoals reeds weergeven in r.o. 4.1.6. is de draagkracht al in overweging genomen bij de naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Reden voor verdere matiging acht de rechtbank niet aanwezig.

ad d:

4.4. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn uitsluitend toegelicht met de stelling dat de raadsman zes uren aan besprekingen, correspondentie en telefonische contacten heeft besteed. Dit is onvoldoende om deze grondslag serieus te kunnen nemen, zodat de rechtbank niet kan aannemen dat eiseressen op dit punt schade hebben geleden. Op grond hiervan zal deze vordering worden afgewezen.

4.5. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing:

De rechtbank:

- veroordeelt gedaagde om tegen kwijting aan eiseres sub1 te betalen bij wijze van immateriële schadevergoeding de somma van ƒ 3.000,00 (zegge: drieduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 1998 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt gedaagde om tegen kwijting aan eiseres sub 2 te betalen bij wijze van immateriële schadevergoeding de somma van ƒ 12.500,00 (zegge: twaalf duizend vijfhonderd gulden), vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juni 1996) tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseressen bepaald op ƒ 81,49 terzake verschotten en ƒ 760,00 terzake betaald vast recht en ƒ 1.720,00 aan salaris van de procureur, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank met de van deze zijde toe te zenden acceptgiro;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Strijbos, vice-president en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

type:HS/RS

coll: