Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB2399

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
21-07-2004
Zaaknummer
Awb 00/7235 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft aan de Rietveldenweg 74 te 's-Hertogenbosch het drie verdiepingen tellende bedrijfspand "Het Kwadrant" (hierna: het bedrijfspand) in aanbouw, dat nagenoeg voltooid is. Als gegadigde voor de huur van de drie verdiepingen van het bedrijfspand heeft zich een advocatenkantoor gemeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

Uitspraak

Awb 00/7235 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

Stichting Rietveldenweg, statutair gevestigd te Rosmalen, verzoekster,

gemachtigde dr. J.W. van Zundert, juridisch adviseur te Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft aan de Rietveldenweg 74 te 's-Hertogenbosch het drie verdiepingen tellende bedrijfspand "Het Kwadrant" (hierna: het bedrijfspand) in aanbouw, dat nagenoeg voltooid is. Als gegadigde voor de huur van de drie verdiepingen van het bedrijfspand heeft zich een advocatenkantoor gemeld.

Op het betreffende perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "De Rietvelden-West" de bestemming "Bedrijven, klasse B, bebouwd". Bij schrijven van 12 oktober 2000 heeft dr. J.W. van Zundert namens verzoekster, waarvan Meijon Beheer B.V. (hierna: Meijon) als beherende vennootschap optreedt, verweerder verzocht het eerder gegeven bestuurlijk rechtsoordeel over de reikwijdte van deze bestemming aan Meijon als belanghebbende schriftelijk mee te delen.

Bij schrijven van 8 november 2000 heeft verweerder aan Meijon meegedeeld dat de voorschriften bij het bestemmingsplan geen (zelfstandige) kantoorvestigingen toestaan, ook niet in het geval dat het pand gedeeltelijk wel voor toegelaten bedrijfsdoeleinden is of zal worden gebruikt.

Hiertegen is namens verzoekster bij brief van 13 november 2000 bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 13 november 2000 is namens verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 januari 2001, waar verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door dr. J.W. van Zundert, haar gemachtigde en F.J. Meijer, directeur. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. van den Eertwegh. Voorts is als belanghebbende partij namens Meijon verschenen J.B. Steintjes.

Ter zitting is komen vast te staan dat de besluitvorming op verzoeksters bezwaarschrift nog niet heeft plaatsgevonden.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Verzocht wordt om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat uitspraak wordt gedaan dat de ingebruikneming van het bedrijfspand aan de Rietveldenweg 74 als kantoor niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

De president zal in deze allereerst een antwoord hebben te geven op de vraag of de onderhavige zaak zich wel leent voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Dienaangaande merkt de president op dat verweerder in de brief van 8 november 2000 antwoord heeft gegeven op de vraag of het gebruik van het bedrijfspand als kantoor past binnen het bestemmingsplan. Deze brief behelst "slechts" een interpretatie van publiekrechtelijke voorschriften zonder dat verweerder aangeeft of hij, ingeval van strijdig gebruik, handhavend zal optreden en heeft derhalve geen directe gevolgen voor verzoekster, waarvoor ingrijpen door middel van een voorlopige voorziening noodzakelijk is.

Daarnaast leent naar het oordeel van de president het onderhavige verzoek zich niet voor een voorlopige voorzieningsprocedure, omdat er in wezen geen sprake is van voorlopigheid. Niet zonder belang hierbij is dat, indien al zou worden gekomen tot een voorlopig oordeel van de president dat het gebruik van het bedrijfspand als kantoor niet in strijd met het bestemmingsplan wordt geacht, die uitspraak in het geval dat het pand zou worden verhuurd aan een gegadigde, feitelijk tot ongewenste gevolgen zal leiden, indien in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat wèl sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Onder deze omstandigheden gaat derhalve de beantwoording van de vraag of het gebruik van het bedrijfspand als kantoor op grond van het bestemmingsplan toelaatbaar is, het kader van de voorlopige voorzieningsprocedure te buiten en kan eerst in het kader van een bodemprocedure die beantwoording in volle omvang plaatsvinden.

Ook overigens bestaat geen grond voor inwilliging van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek moet derhalve worden afgewezen.

Ten overvloede merkt de president op dat verweerder, nu de standpunten van partijen genoegzaam bekend zijn, op korte termijn en wellicht zonder de noodzaak tot het houden van een hoorzitting tot een beslissing op bezwaar kan komen, waarna de rechtbank de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:52 van de Awb versneld en eventueel met toepassing van artikel 8:57 van de Awb zou kunnen behandelen.

Voor een veroordeling in de proceskosten zijn geen termen aanwezig.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president,

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. P. H. Schoemaker als president in tegenwoordigheid van mr. F. Hooghuis als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 6 februari 2001

Afschrift verzonden:

JS