Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0314

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
61542 / KG ZA 01-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

VONNIS IN KORT GEDING

Zaaknummer : 61542 / KG ZA 01-58

Datum uitspraak: 27 februari 2001

Vonnis in kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lecoline B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres in conventie bij exploot van dagvaarding van 24 januari 2001,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. E.G.M. van Ewijk,

tegen:

[naam],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie bij gemeld exploot,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. J.C. van Haarlem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid respectievelijk als "Lecoline" en "gedaagde in conventie".

1. De procedure

1.1. Lecoline heeft in kort geding in conventie gesteld en gevorderd zoals hierna verkort is weergegeven.

1.2. De procureur van Lecoline heeft de vordering in conventie ter terechtzitting toegelicht, mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities met producties.

1.3. De procureur van gedaagde in conventie heeft in conventie verweer gevoerd, mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities met producties en heeft in voorwaardelijke reconventie de hierna weergegeven vordering ingesteld.

1.4. De procureur van Lecoline heeft tegen de vordering in voorwaardelijke reconventie verweer gevoerd.

1.5. Na gevoerd debat hebben de raadslieden van partijen vonnis gevraagd.

2. De feiten

2.1. Lecoline is een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met de handel in bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel.

2.2. Op 1 april 1998 is gedaagde in conventie in dienst getreden bij Zungo B.V., een voormalig zusterbedrijf van Lecoline (hierna: Zungo). Dit bedrijf is in oktober 2000 overgenomen door Agerland B.V., een dochterbedrijf van Coöperatie Cehave Landbouwbelang. Het dienstverband van gedaagde in conventie met Zungo duurt nog steeds voort.

2.3. Het arbeidscontract tussen gedaagde in conventie en Zungo bevat een non-concurrentiebeding voor de duur van drie jaar, te rekenen vanaf de ontslagdatum.

2.4. Op 21 januari 2000 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden met gedaagde in conventie. Dit gesprek werd gehouden door de heer X[naam], destijds directeur van Zungo en van Lecoline, en de heer Y[naam], filiaalmanager van Lecoline. Voorgesteld werd dat gedaagde in conventie drie dagen voor Lecoline zou gaan werken en de overige dagen zou vrijhouden voor de (spoed)werkzaamheden en problemen in het veld voor Zungo. Gedaagde in conventie werd voor alle werkzaamheden, dus ook die voor Lecoline, betaald door Zungo. Voorts is naar voren gebracht dat het concurrentiebeding tevens voor de werkzaamheden binnen Lecoline zou dienen te gelden. Gedaagde in conventie vond de termijn van drie jaar echter te zwaar drukken en stelde een termijn voor van één jaar. Afgesproken werd dat de heren X[naam] en Y[naam] dat punt zouden overdenken en daarop over enkele weken zouden terugkomen. Het verslag van dit gesprek is mede ondertekend door gedaagde in conventie.

2.5. Op 14 april 2000 heeft een vervolg op het evaluatiegesprek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig gedaagde in conventie en de heren X [naam] en Y[naam]. In het verslag van dit gesprek staat onder meer het volgende vermeld:

"Afgesproken is om het concurrentiebeding welke in de arbeidsovereenkomst is opgenomen ook te laten gelden voor de werkzaamheden welke verricht worden voor Lecoline, met dien verstande dat de termijn twee jaar (i.p.v. drie jaar) bedraagt en alleen geldt voor de relaties van Lecoline."

Het verslag is ondertekend door de heren X [naam] en Y[naam], maar niet door gedaagde in conventie.

2.6. Gedaagde in conventie is één van de oprichters van de vennootschap onder firma Z [naam] te [vestigingsplaats], welke vennootschap zich bezighoudt met de groothandel in bedrijfskleding en veiligheidsartikelen (hierna: Z [naam VOF]).

3. Het geschil

in conventie en in voorwaardelijke reconventie:

3.1. Lecoline vordert in conventie in dit kort geding, kort weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. Gedaagde in conventie te verbieden tot 1 oktober 2002 zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Lecoline direct of indirect binnen het werkgebied van Lecoline één of meerdere zaken te drijven of te doen drijven gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de door Lecoline gedreven onderneming, dan wel zaken te doen gelijk of gelijksoortig of aanverwant aan die van Lecoline, of bij een en ander op welke manier dan ook rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn.

2. Gedaagde in conventie te verbieden tot 1 oktober 2002 zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Lecoline relaties te benaderen zoals deze in haar boeken voorkomen;

3. Gedaagde in conventie te gelasten zijn ondernemingsactiviteiten in de onderneming Z [naam VOF] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden;

4. een en ander op verbeurte van een dwangsom bij niet voldoening aan de veroordelingen;

5. Gedaagde in conventie in de kosten van dit geding te veroordelen.

3.2. Lecoline legt daaraan, naast de vaststaande feiten, het navolgende ten grondslag.

Zij is met gedaagde in conventie een non-concurrentiebeding overeengekomen. Dit is een aparte, los van de bestaande arbeidsovereenkomst met Zungo staande, overeenkomst, een overeenkomst "sui generis".

Lecoline heeft geconstateerd dat gedaagde in conventie, kennelijk in zijn hoedanigheid van vennoot van Z [naam VOF] concurrerende activiteiten ontwikkelt en relaties van Lecoline benadert en met Lecoline concurrerende offertes uitbrengt. Gedaagde in conventie is gesommeerd zich te houden aan het non-concurrentie/relatiebeding, doch hij laat zich aan deze sommatie niets gelegen liggen.

Lecoline lijdt ernstige schade door deze gang van zaken en zij dreigt nog verdere schade te lijden, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen.

3.3. Het verweer van gedaagde in conventie tegen de vordering komt zakelijk weergegeven en voor zover relevant te achten op het volgende neer.

Hij is als werknemer van Zungo mee overgegaan naar Agerland B.V., zodat ook zijn rechten en plichten van rechtswege op Agerland zijn overgegaan. Hij is nog steeds in dienst van Agerland B.V.. Hij is nimmer bij Lecoline in dienst geweest.

Lecoline was oorspronkelijk een lege B.V. en evenals Zungo een dochteronderneming van Zevi Beheer B.V.. Nadat Lecoline zich ging bezig houden met de verkoop van beschermende kleding werd gedaagde in conventie verzocht om bij zijn bezoeken aan bestaande klanten ook de producten van Lecoline aan te bieden. Gedaagde in conventie heeft inderdaad wel producten van Lecoline verkocht.

Met Lecoline is gedaagde in conventie echter nimmer een non-concurrentiebeding overeengekomen. Er is wel over gesproken, maar gedaagde in conventie heeft geen schriftelijk non-concurrentiebeding met Lecoline ondertekend. Er is geen overeenkomst "sui generis" tot stand gekomen.

Gedaagde in conventie meent dat de vordering van Lecoline niet kan worden toegewezen.

3.4. In voorwaardelijke reconventie vordert gedaagde in conventie, kort gezegd, schorsing dan wel wijziging van het concurrentiebeding, voor het geval dat geoordeeld mocht worden, dat het concurrentiebeding tussen Zungo en gedaagde in conventie ook betrekking heeft op Lecoline.

3.5. Op hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd, zal voor zoveel nodig bij de beoordeling worden ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Lecoline heeft vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zij met gedaagde in conventie een (geldig) non-concurrentiebeding is overeengekomen.

Zij zou dat volgens haar stellingen hebben gedaan tijdens de gesprekken op 21 januari 2000 en eventueel 14 april 2000. De president wil dan veronderstellenderwijs aannemen dat het gedaagde in conventie duidelijk is geweest dat die gesprekken, die - in ieder geval mede - bedoeld waren als evaluatie ten aanzien van het functioneren van gedaagde in conventie als werknemer van Zungo - aan de zijde van zijn werkgeefster werden gevoerd door de directeur van Zungo, die daarbij jegens gedaagde in conventie tevens de hoedanigheid heeft aangenomen van directeur van zustervennootschap Lecoline en dat in die gesprekken overeenstemming is bereikt over de door Gedaagde in conventie jegens Lecoline in acht te nemen nonconcurrentieverplichtingen. (De juistheid hiervan wordt verder nadrukkelijk in het midden gelaten). Volgens het bepaalde in artikel 7:653 BW dient een beding dat dergelijke verplichtingen bevat tussen werkgever en werknemer bij een arbeidsovereenkomst op straffe van ongeldigheid schriftelijk te worden overeengekomen. De hier aan de orde zijnde situatie, waarbij de president ook nog memoreert dat gedaagde in conventie voor zijn werkzaamheden voor Lecoline werd betaald door Zungo, is zodanig met een tussen werkgever en werknemer gelijkende situatie te vereenzelvigen dat ook hier de eis van geschrift van bedoeld wetsartikel geldt. Nu vaststaat dat gedaagde in conventie de overeenkomst niet heeft getekend, is aan die eis niet voldaan, zodat het beding geen rechtskracht toekomt. Dit leidt er toe dat de vordering reeds hierom zal worden afgewezen.

4.2. Lecoline zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in voorwaardelijke reconventie

4.3. De door gedaagde in conventie in reconventie voorwaardelijk ingestelde vordering hoeft niet te worden besproken, aangezien aan de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet is voldaan.

5. De beslissing

De president:

in conventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Lecoline in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de wederpartij begroot op ( 1.950,00, waarvan ( 1.550,00 salaris procureur en ( 400,00 verschotten;

in voorwaardelijke reconventie

verstaat dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.M. Strijbos, fungerend-president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

Type: JvC

Coll: