Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0206

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/029003-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/029003-98

Uitspraakdatum: 21 februari 2001

VERKORT VONNIS EX. ARTIKEL 36e, LID 1 SR. (ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel)

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[VEROORDEELDE]

geboren te [geboorteplaats] in 1963,

wonende te [woonplaats], [adres]

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 december 2000.

Onderzoek van de zaak.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ƒ 80.806,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 november 1998 onder bovengenoemd parketnummer is [veroordeelde] voornoemd veroordeeld ter zake

1. Een gewoonte maken van opzetheling

2. Medeplegen van opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat ter verspreiding voorhanden hebben, meermalen gepleegd.

Tegen [veroordeelde] is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) ingesteld.

Op 13 maart 1998 werd door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie voor het instellen van een sfo een machtiging verleend. Het sfo is op 1 juli 1999 afgerond.

De officier van justitie heeft het sfo bij beschikking van 9 februari 2000 gesloten.

De beschikking tot sluiting van het sfo en de ontnemingsvordering zijn op 6 september 2000 betekend.

[veroordeelde] is daarbij opgeroepen om op 20 september 2000 ter terechtzitting te verschijnen voor de behandeling van de vordering. [veroordeelde] heeft zijn raadsman mr. P.J.A. van de Laar uitdrukkelijk gemachtigd hem ter zitting te verdedigen.

Het onderzoek ter terechtzitting is op 20 september 2000 geschorst, waarna met toepassing van artikel 511d, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), een schriftelijke voorbereiding heeft plaatsgevonden. Deze voorbereiding heeft er in bestaan dat de raadsman van [veroordeelde], bij brief van 20 september 2000 heeft gereageerd op de vordering. De officier van justitie gaf zijn schriftelijke reactie daarop bij brief van 17 november 2000. Het onderzoek is voortgezet op 13 december 2000. [veroordeelde], noch zijn raadsman is ter zitting verschenen, hetgeen zij de rechtbank ook tevoren hebben bericht.

De beoordeling.

Allereerst wordt ten aanzien van de vraag of de vordering binnen de in artikel 511b, eerste lid Sv bedoelde termijn bij de rechtbank aanhangig is gemaakt het volgende overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat de vordering is ingediend binnen de in artikel 511b, eerste lid Sv genoemde termijn van twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank. Deze termijn van twee jaar is echter een uiterlijke termijn. Ingevolge artikel 511b, eerste lid Sv geldt als uitgangspunt dat de vordering zo spoedig mogelijk aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank. Ook uit andere bepalingen betreffende de regeling ter zake van ontneming van wederrechtelijk voordeel, onder meer artikel 126e en artikel 511b, derde lid Sv, blijkt dat de wetgever belang hecht aan een voortvarende afhandeling van de ontnemingsprocedure.

Het sfo is aangevangen in maart 1998. Blijkens de rapportage inzake het sfo van de Regiopolitie Brabant Zuidoost, Afdeling Regionale Recherche, Financial Desk was het onderzoek op 1 juli 1999 afgerond. In de periode van 1 juli 1999 tot 6 september 2000 hebben geen onderzoeksactiviteiten meer plaatsgevonden. De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de procedure niet eerder afgerond had kunnen worden. Zo acht de rechtbank het niet aannemelijk dat, zoals de officier van justitie heeft betoogd, zoveel tijd nodig was om te beoordelen of het indienen van een vordering gerechtvaardigd was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de procedure onwenselijk lang geduurd en is de vordering niet zo spoedig mogelijk na de uitspraak in de eerste aanleg ingediend. De rechtbank ziet hierin aanleiding het ontnemingsbedrag te verlagen met vijf percent.

De vordering

[veroordeelde] heeft primair aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat hij ontkent de betreffende strafbare feiten te hebben gepleegd en hij niet onherroepelijk is veroordeeld.

[veroordeelde] heeft subsidiair de wijze van berekening van de vordering betwist. Volgens [veroordeelde] zijn de inkoopprijzen noch de verkoopprijzen exact vastgesteld kunnen worden. De verklaringen van de medeverdachten over de inkoopprijzen acht [veroordeelde] onbetrouwbaar. Over de verkoopprijzen is niets bekend. De door de officier van justitie gehanteerde 40%-norm (de verkoopprijs wordt geschat op 40 procent van de verkoopwaarde van de goederen) voor het bepalen van de winstmarge is onjuist. Er is ten onrechte aansluiting gezocht bij een vonnis van de rechtbank Arnhem. Dat vonnis betrof de verkoop van strippenkaarten. Hier aan de orde zijn kopieerapparaten, faxapparatuur en cosmetica-artikelen.

Tenslotte heeft [veroordeelde] aangevoerd dat hem nog een fiscale claim te wachten staat, waardoor zijn uiteindelijk genoten voordeel nihil zal zijn.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het door [veroordeelde] primair gevoerde verweer als volgt.

De rechtbank heeft [veroordeelde] veroordeeld voor bovengenoemde strafbare feiten. Voor het instellen van een ontnemingsvordering is niet vereist dat betrokkene onherroepelijk is veroordeeld. Ingevolge artikel 36e, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan de verplichting tot betaling aan de Staat zelfs worden opgelegd voor

wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten waarvoor betrokkene weliswaar niet is veroordeeld, maar waarvan aannemelijk is dat betrokkene deze feiten heeft begaan.

Met betrekking tot de berekening van de vordering wordt het volgende overwogen.

De vordering is gebaseerd op het sfo dat is uitgevoerd door de Regiopolitie Brabant Zuidoost, recherche georganiseerde criminaliteit, financial desk. Van dit onderzoek is op 1 juli 1999 een rapport opgemaakt. In het onderzoek zijn betrokken het hoofd- en aanvullend procesverbaal van het opsporingsonderzoek, administratieve bescheiden en overige gegevens verkregen door middel van huiszoeking ter inbeslagname op het adres [adres veroordeelde] permanente dossiers en controledossiers van de accountant van [veroordeelde], informatie van de belastingdienst, informatie uit het strafvonnis van de rechtbank en informatie verkregen uit afgetapte en opgenomen telefoongesprekken.

Blijkens dit rapport is per strafbaar feit het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend.

Het wederrechtelijk genoten voordeel is bepaald op het verschil tussen de door [veroordeelde] betaalde prijs voor de goederen en de door [veroordeelde] ontvangen verkoopprijs. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van berekening het meest recht doet aan het doel van de ontnemingsmaatregel te weten het ontnemen van datgene wat de veroordeelde aan door misdrijf verkregen voordeel daadwerkelijk heeft ontvangen.

Door [veroordeelde] zijn geen verklaringen afgelegd over inkoopprijzen. Daarom is in het sfo voor het bepalen van de inkoopprijs uitgegaan van verklaringen van medeverdachten en informatie uit de afgetapte telefoongesprekken. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie bij afwezigheid van meer exacte gegevens over de inkoopprijzen bij vaststelling van de inkoopprijs in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de verklaringen van de medeverdachten, temeer nu [veroordeelde] daar geen gegevens tegenover heeft gezet.

[veroordeelde] heeft evenmin verklaringen over de verkoopprijzen afgelegd. Omdat ook andere in het kader van het sfo geraadpleegde bronnen daarover geen duidelijkheid verschaffen is in het sfo bij het bepalen van de verkoopprijzen uitgegaan van hetgeen in jurisprudentie is bepaald omtrent verkoopopbrengsten voor helers. In navolging van een vonnis van de rechtbank Arnhem is de verkoopprijs geschat op 40 procent van de dagwaarde van de goederen.

Zoals blijkt uit het voorgaande heeft [veroordeelde] dit uitgangspunt gemotiveerd betwist.

De officier van justitie heeft in zijn reactie hierop volstaan met verwijzing naar het sfo.

De rechtbank is van oordeel dat indien geen gegevens bekend zijn over de verkoopprijs van de goederen bij de vaststelling daarvan niet in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van een vast percentage van de dagwaarde van de goederen. De verkoopprijs van gestolen goederen is afhankelijk van verschillende factoren en zal mede worden bepaald door de aard van de goederen. Het door de rechtbank Arnhem gehanteerde percentage van 40 is gebaseerd op verklaringen van de betreffende partijen in die zaak. [veroordeelde] heeft terecht aangevoerd dat de markt voor strippenkaarten niet vergelijkbaar is met die van kopieerapparaten, telefaxen of cosmetica-artikelen.

De deelvorderingen.

De kopieerapparaten en telefaxen

In het sfo is de inkoopprijs van de 7 kopieerapparaten geschat op ƒ 1.000,- per apparaat en de verkoopprijs op 40% van de gemiddelde verkoopwaarde van ƒ 16.500, ofwel ƒ 6.600,-. Het totale voordeel is geschat op ƒ 39.200,-.

De inkoopprijs van de 20 telefaxen is geschat op ƒ 240,- per telefax, de verkoopprijs op 40% van de gemiddelde verkoopwaarde van ƒ 2250,- = ƒ 900,-. Het totale voordeel is geschat op ƒ 13.200,-.

[veroordeelde] heeft aangevoerd dat kopieerapparaten en telefaxen moeilijk verhandelbaar zijn, omdat op dergelijke apparatuur codes staan en voor het onderhoud van de apparaten onderhoudscontracten moeten worden afgesloten. De apparatuur is volgens [veroordeelde] voor een zeer lage prijs op een duistere markt verkocht. Er zou ten hoogste mogen worden uitgegaan van een winstpercentage van honderd. De kopieermachines zouden [veroordeelde] in dat geval ƒ 7.000,- voordeel hebben opgeleverd; de telefaxeen

ƒ. 4.800,-.

De stelling dat de kopieerapparaten en telefaxen minder courant zijn komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. [veroordeelde] berekent de verkoopprijs van de kopieerapparaten op ruim 12% van de verkoopwaarde en de verkoopprijs van de telefaxen op ruim 21%. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor beide goederen een onderscheid te maken en stelt de verkoopprijs voor de kopieerapparaten vast op 21% van de in het sfo genoemde gemiddelde verkoopprijs, in totaal ƒ 24.255,-. Het wederrechtelijk voordeel wordt geschat op ƒ 17.255,-. (ƒ 24.255,- min ƒ 7000,-).

Het wederrechtelijk genoten voordeel voor de telefaxeen stelt de rechtbank vast op het door [veroordeelde] genoemde bedrag van ƒ 4800,-.

De cosmetica-artikelen.

De inkoopprijs van de cosmetica-artikelen (ongeveer 25.000 stuks flacons bodylotion en potjes crème) is geschat op ƒ 12.500,-. De verkoopprijs op 40% van de totale verkoopwaarde van ƒ 102.267,- ofwel op ƒ 40.906,94. Het totale voordeel is geschat op ƒ 28.406,94.

Ook bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de heling van de cosmetica is in het sfo volgens [veroordeelde] uitgegaan van een te hoge winstmarge. Het betreft cosmetica van niet-courante merken voorzien van buitenlandse teksten. De cosmetica is in de dumphandel terechtgekomen. Bovendien zou er geen sprake zijn van 25.000, maar 18.000 artikelen. [veroordeelde] berekent de verkoopprijs op ƒ 1,00 per artikel. (In het sfo is uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs van ongeveer ƒ 4,10 per artikel).

De rechtbank acht het op grond van het sfo aannemelijk dat ongeveer 25.000 potjes zijn verkocht. De door [veroordeelde] genoemde verkoopprijs komt de rechtbank niet onredelijk voor. Op basis van deze gegevens wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de heling van de cosmetica-artikelen vastgesteld op ƒ 12.500,-.

Naar aanleiding van hetgeen [veroordeelde] met betrekking tot de nog te verwachten fiscale claim heeft aangevoerd wordt overwogen dat uit het sfo blijkt dat met de belastingdienst een regeling is getroffen inhoudende dat de door de fiscus op te leggen aanslagen niet mogen zijn gebaseerd op de strafbare feiten waaruit [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten dat hem is ontnomen. Dit verweer treft dan ook geen doel.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van feiten ter zake waarvan betrokkene is veroordeeld.

In het financieel onderzoek wordt becijferd dat het door veroordeelde ten deze verkregen voordeel bedraagt ƒ 80. 806, 94.

De rechtbank schat op grond van het hierboven overwogene het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op ƒ 34.455,- . De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding het bedrag vast te stellen op ƒ 32.732,25.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:

24d en 36e van het Wetboek van Strafrecht.

D E U I T S P R A A K

Legt a[veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van ƒ 32.732,- (zegge: tweeëndertigduizendzevenhonderdtweeëndertig gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 140 dagen, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij door middel van of uit de baten van feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld heeft verkregen.

Deze uitspraak is gegeven door,

mr. M.H. Kobussen, voorzitter,

mr. M.I. Heijning - Horst en mr. A.M. Kooijmans - de Kort, leden,

in tegenwoordigheid van, griffier mr. L.M.J. Timmers

en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2000.

Mr. M.I. Heijning - Horst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.