Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0193

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/045143/99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/045143/99

Uitspraakdatum: 23 februari 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] in 1963,

thans gedetineerd in P.W. Nieuw Vosseveld (EBI) in Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 februari 2001.

De raadsman heeft ter terechtzitting verklaard door verdachte uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om namens hem de verdediging te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 januari 2001.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht derhalve, op grond van de feiten en omstan-digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

Daarbij overweegt de rechtbank dat verdachte, door herhaaldelijk en met grote kracht te schoppen en te slaan tegen met name en onder meer het hoofd van het slachtoffer, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer [slachtoffer] als gevolg daarvan zou overlijden.

Dit geweld was dusdanig van omvang dat voorzienbaar is geweest dat het slachtoffer [slachtoffer], verslapt en versuft door klappen en trappen, door de laatste klap hard achterover zou kunnen vallen. Of het de dood veroorzakende hersenletsel nu door de klappen, de trappen of de val veroorzaakt is, kan deswege in het midden blijven nu ook de val en mogelijke gevolgen ervan verdachte zijn aan te rekenen.

Aldus is verdachtes (voorwaardelijk) opzet gericht geweest op de dood van deze [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De raadsman heeft namens verdachte, na een analyse van de hoofdrolspelers bij het gebeuren, hun verhouding tot elkaar en de toedracht van de gebeurtenissen, een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweer-exces.

Ten aanzien van [slachtoffer] heeft de raadsman uiteengezet dat hij een gewelddadig verleden heeft, zowel buiten de detentie als in de detentiesituaties waarin hij heeft verkeerd in binnen- en buitenland, en onvoorspelbaar is in zijn gedrag, ook tegenover medegedetineerden. Verdachte heeft daarentegen volgens de verdediging geen gewelddadig verleden. Ook in de EBI heeft [verdachte] nimmer voor problemen gezorgd en zich steeds correct en rustig gedragen.

Voor wat betreft de onderlinge verhouding tussen [slachtoffer] en [verdachte] heeft de raadsman aangegeven dat [slachtoffer] een geisoleerde positie innam tussen de andere gedetineerden en het personeel, terwijl verdachte [verdachte] een van de weinigen is geweest die er tot op zekere hoogte in zijn geslaagd dat isolement af en toe te doorbreken.

De door de rechtbank in het vorenstaande tot de kern teruggebrachte - in de pleitnotitie uitvoeriger weergegeven - stellingen van de verdediging omtrent de persoon van de hoofdrolspelers en hun onderlinge verhouding vinden een voldoende grondslag in het voorhanden feitenmateriaal. Deze stellingen worden dan ook als in essentie juist aanvaard. Dat betekent evenwel niet dat de rechtbank tot dezelfde waardering komt van de gebeurtenissen in de namiddag van 15 september 1999 op de luchtplaats als [verdachte]. De kern van het beroep op noodweer dan wel noodweer-exces ligt immers bij de waardering van "het incident" zelf. Dit derde, cruciale, aspect heeft de raadsman gedetailleerd geanalyseerd op de pagina's 11 e.v. van zijn pleitnotitie.

Namens [verdachte] is aangevoerd dat zijn reactie geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. Voor zover geoordeeld mocht worden dat de grenzen van noodzakelijke verdediging zijn overschreden - hetgeen volgens [verdachte] niet het geval is geweest - is de strafbaarheid volgens [verdachte] in diens subsidiair bedoelde standpunt uitgesloten, nu die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt. De officier van jusititie heeft dit beroep op noodweer dan wel noodweer-exces (art. 41 Sr) bestreden.

Aan de hand van de op belangrijke punten overeenstemmende verklaringen van verdachte [verdachte] zelf (afgelegd bij de rechter-commissaris), de medegedetineerden [getuige 1] en [getuige 2] (die het gebeuren op de luchtplaats hebben meegemaakt), alsmede de personeelsleden die het "incident" van buiten de luchtplaats geheel of gedeeltelijk hebben gezien, kan met voldoende zekerheid de volgende chronologie worden vastgesteld:

- [verdachte], [getuige 1] en [getuige 2] bevinden zich al geruime tijd op de luchtplaats;

- [slachtoffer] komt later op de luchtplaats, begint zonder duidelijke reden te schelden en valt [verdachte], die naar [slachtoffer] toeloopt en met hem wil praten, aan door een kopstoot;

- [verdachte] ontwijkt de kopstoot gedeeltelijk, probeert [slachtoffer] van zich af te houden, geeft [slachtoffer] enige klappen en duwt hem van zich af, waarbij [slachtoffer] tegen de muur van de luchtplaats terecht komt;

- [slachtoffer] komt overeind en komt weer op [verdachte] af;

- [verdachte] geeft [slachtoffer] een paar stoten, waarna [slachtoffer] valt;

- [slachtoffer] bevindt zich op de grond en [verdachte] geeft hem drie of vier schoppen tegen (de voorzijde van) zijn hoofd;

- [slachtoffer] komt overeind en loopt naar [verdachte];

- [verdachte] geeft [slachtoffer] een zeer harde klap. [slachtoffer] valt - mogelijk na door de klap met zijn voeten van de grond te zijn gekomen - steil achterover en komt met zijn achterhoofd op de (betonnen) vloer van de luchtplaats terecht en blijft liggen.

Het handgemeen heeft kort geduurd; de getuigen spreken van een tijdsspanne uiteenlopend van 30 tot 40 seconden tot hooguit 1,5 minuten. Tijdens het "incident" is er geen personeel op de luchtplaats gekomen. [verdachte] heeft zich even later rustig door personeel van de EBI laten insluiten.

Ten aanzien van de eerste klappen en het van zich afduwen van [slachtoffer] door [verdachte], tengevolge waarvan [slachtoffer] ten val is gekomen deelt de rechtbank de visie van de verdediging. [slachtoffer] is begonnen met het handgemeen. Niet is gebleken dat [verdachte] daartoe aanleiding heeft gegeven. De omstandigheid dat [verdachte] op [slachtoffer] is toegelopen en een gesprek met hem wilde aanknopen, hetgeen past bij de hiervoor eerder aangestipte onderlinge verhouding tussen [verdachte] en [slachtoffer], kan in redelijkheid niet aan [verdachte] worden tegengeworpen. Het toedienen van enige klappen en het duwen - waarvan niet gebleken is dat dit buitensporig hard is geweest - betreft handelingen die passend waren ter noodzakelijke verdediging van [verdachte] tegen ogenblikkelijk en als wederrechtelijk te kwalificeren fors geweld (kopstoot) van [slachtoffer] tegen [verdachte].

De cesuur ligt bij het daarop gevolgde schoppen door [verdachte]. Vast staat dat [slachtoffer] zich toen op de grond bevond, en op dat moment geen acute bedreiging voor [verdachte] vormde. Aldus was er geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen [verdachte] zich op dat moment moest verdedigen, en dus geen feitelijke grondslag voor een geslaagd beroep op noodweer of noodweer-exces.

Maar veronderstellenderwijs aannemende dat de rechtbank het met dit laatste oordeel ten aanzien van het ontbreken van een "noodweersituatie" bij het verkeerde eind zou hebben, dan nog behoort het beroep op noodweer dan wel noodweer-exces te worden afgewezen.

De rechtbank acht namelijk het toegepaste geweld in de vorm van het schoppen disproportioneel. Ook volgens [verdachte] zelf, in zijn verklaring bij de rechter-commissaris, zat [slachtoffer] op de grond. Schoppen tegen het hoofd is in het algemeen een zeer ernstige en levensgevaarlijke vorm van geweld. Daarbij komt nog dat [verdachte] het niet bij één schop heeft gelaten maar, ook naar eigen zeggen, drie of vier keer heeft geschopt. [verdachte] verklaart zelf dat hij niet op vol vermogen heeft geschopt maar uit diverse getuigenverklaringen blijkt overtuigend dat [verdachte] wel meermalen hard tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. De vergelijking met het wegtrappen van een bal wordt gemaakt, ook wordt meermalen vermeld dat het hoofd van [slachtoffer] door het trappen bewoog.

Het disproportionele karakter van het door [verdachte] toegepaste geweld geldt ook voor de finale klap tegen het hoofd van [slachtoffer] - die door nagenoeg alle getuigen van het voorval als zeer hard wordt omschreven -, tengevolge waarvan [slachtoffer] achterover "gestrekt" is gegaan en (ook volgens [verdachte] zelf heel duidelijk hoorbaar) met zijn hoofd op de grond is geklapt, nu uit getuige verklaringen blijktdat [slachtoffer] op dat moment al versuft was, net was opgekrabbeld en aldus geen serieuze bedreiging vormde.

Tenslotte is op geen enkele wijze aannemelijk geworden - niet uit de verklaringen van anderen en evenmin uit de verklaring van [verdachte] zelf - dat [verdachte] ten prooi is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding van de zijde van [slachtoffer] veroorzaakt. Integendeel ,alle beschijvingen van de toestand van [verdachte], tijdens het gebeuren en ook direct daarna, wijzen er veeleer op dat hij rustig was, een zekere controle over de situatie had en niet echt in het nauw is gekomen. Ook is niet aannemelijk geworden dat de gewelddadige "voorgeschiedenis" van [slachtoffer] een rol heeft gespeeld bij gemoedstoestand van [verdachte] tijdens het handgemeen.

Het beroep op noodweer en noodweer-exces wordt derhalve verworpen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

Een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, terzake het primair tenlastegelegde feit.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende omstandigheden:

enerzijds

- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit;

anderzijds

- als gevolg van de door het slachtoffer geïnitieerde agressie is de fatale vechtpartij ontstaan;

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan het door hem gepleegde strafbare feit niet eerder veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

DE UITSPRAAK

Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschre-ven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Doodslag.

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf:

Een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Roosmale Nepveu, voorzitter,

mr. Van Cruchten en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van dhr. De Laat, griffier

en is uitgesproken op 23 februari 2001.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt overeenkomstig de

kennisgeving van verdere vervolging tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 15 september 1999 te Vught opzettelijk C. Güclü van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die Güclü (meermalen)

(met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt en/of geslagen en/of

geschopt tengevolge waarvan voornoemde Güclü is overleden;

(art 287 Sr)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 1999 te Vught aan een persoon genaamd C.

Güclü, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht,

door opzettelijk die Güclü (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het

lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen, (mede) tengevolge waarvan

deze is overleden;

(art 302 lid 2 Sr)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 september 1999 te Vught opzettelijk mishandelend C.

Güclü (meermalen) (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft

gestompt en/of geslagen en/of geschopt, (mede) tengevolge waarvan voornoemde

Guclu is overleden;

(art 300 lid 3 Sr)

Bewezenverklaring:

hij op 15 september 1999 te Vught opzettelijk C. Güclü van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die Güclü (meermalen)

(met kracht) tegen het hoofd geslagen en geschopt tengevolge waarvan voornoemde Güclü is overleden;