Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AB0186

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/029022/99
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2003:AF6177
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/029022/99

Uitspraakdatum: 22 februari 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1959,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats

thans preventief gedetineerd in het huis van bewaring te Zoetermeer

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 februari 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 maart 2000.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Het verweer van de raadsman terzake de rechtmatigheid van het bewijs

De raadsman heeft betoogd dat in het gerechtelijk vooronderzoek tegen een onbekende verdachte inzake moord c.q. doodslag c.q. zware mishandeling de dood van [slachtoffer feit 1] ten gevolge hebbend, ten onrechte zijn cliënt op 10 september 1999 is aangemerkt als verdachte, aangezien er onvoldoende gronden waren voor verdenking van zijn cliënt. De consequentie daarvan moet zijn dat al hetgeen vervolgens binnen het gerechtelijk vooronderzoek aan bewijsmateriaal is verzameld onrechtmatig is verkregen en derhalve buiten beschouwing moet blijven.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Blijkens het onderzoek van de politie vóór 10 september 1999 verricht zijn aan de (flat)woning van het slachtoffer [slachtoffer feit 1] geen braaksporen aangetroffen en handelde zij aldus diverse verklaringen altijd zeer voorzichtig ten aanzien van het toelaten van bezoekers tot haar woning. Op grond hiervan bestond het vermoeden dat de dader een bekende van het slachtoffer zou zijn.

Behalve uit sporen in de woning (visitekaartje, agenda, telefoonklapper), is uit diverse getuigenverklaringen gebleken dat het slachtoffer en verdachte een (seksuele) relatie hadden of hebben gehad. Volgens sommige getuigen ([getuige 1], [getuige 2], [getuige 3]) was die relatie het slachtoffer slecht bevallen.

Volgens de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] zou [slachtoffer feit 1] gezegd hebben dat [verdachte] meer wilde dan zij hem kon of wilde geven. Volgens de verklaring van [getuige 6] en van [getuige 1] had verdachte -kennelijk voor het slachtoffer onverwachts- enkele weken voor haar overlijden voor haar deur gestaan en had zij aldus [getuige 1] hem de deur gewezen.

Verdachte heeft, ondanks het feit dat de familie via het in de woning aangetroffen semafoonnummer contact met hem had gezocht niet geantwoord, noch anderszins gereageerd op haar overlijden.

Tot slot is uit het door de politie verrichte antecedentenonderzoek gebleken dat verdachte reeds tweemaal is veroordeeld wegens ernstige geweldsdelicten, waarbij de politie heeft geconstateerd dat er een groot aantal overeenkomsten waren tussen de feiten waarvoor verdachte in 1983 is veroordeeld en het onderhavige feit, met name gelegen in het vastbinden van het slachtoffer en de materialen die daartoe gebruikt zijn.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er op 10 september 2000 voldoende verdenking tegen verdachte bestond.

Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman namens verdachte het volgende verweer gevoerd. Door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek te Leiden respectievelijk het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk zijn -naast een veelvoud van andere onderzoeken- een tweetal vergelijkend DNA-onderzoeken uitgevoerd (gedateerd 11 oktober 2000 respectievelijk 5 februari 2001) die hebben geresulteerd in het aantreffen van mogelijk DNA-materiaal van verdachte op een condoom (de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit bedraagt minder dan 1 op 4000 biljoen respectievelijk minder dan 1 op 1 miljard). Blijkens een ander onderzoek bevindt zich daarop tevens DNA-materiaal mogelijk afkomstig van slachtoffer [slachtoffer feit 3] (de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit bedraagt vele malen minder dan 1 op 1 miljoen).

Blijkens de desbetreffende rapportages (alsook de toelichting ter terechtzitting gegeven op de rapportage van het NFI door gerechtelijk deskundige mw. M. Autar van het NFI) is daarbij als referentiemateriaal gebruik gemaakt van steeds hetzelfde bloedmonster van verdachte met nummer B8211. Dit bloedmonster is bij verdachte afgenomen op 5 oktober 1999 nadat de rechter-commissaris te 's-Hertogenbosch daartoe op 14 september 1999 een bevel in de zin van artikel 195d van het Wetboek van Strafvordering had gegeven. Dit bevel is gegeven in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek dat op dat moment zich enkel nog richtte op de moord c.q. doodslag op slachtoffer [slachtoffer feit 1] (feit 1 op de tenlastelegging).

Op 10 november 1999 is de voorlopige hechtenis van verdachte voor dit feit opgeheven. Nadien is ook jegens verdachte verdenking gerezen ten aanzien van verkrachtingen van [slachtoffer feit 2] (feit 2) en [slachtoffer feit 3]. De rechter-commissaris heeft vervolgens op 22 december 1999 een tweede bevel bloedafname gegeven in het onderzoek betreffende de slachtoffers [slachtoffer feit 3] en [slachtoffer feit 2]

Volgens de raadsman heeft/hebben het Openbaar Ministerie c.q. de opsporingsambtenaren dit tweede bevel bloedafname niet opgevolgd en hebben zij kennelijk volstaan met het wederom gebruik maken van het reeds eerder afgenomen bloedmonster. De raadsman is van mening dat dit tweede bevel niet genegeerd had mogen worden en had dienen te resulteren in het opnieuw afnemen van bloed van verdachte. Door dit niet te doen en gebruik te maken van het eerste (en enige) bloedmonster afgenomen in een onderzoek waarin verdachte niet langer in voorlopige hechtenis zat (en waarin naar de rechtbank de raadsman begrijpt verdachte redelijkerwijs niet meer als verdachte kon worden beschouwd) is er naar de mening van de raadsman sprake van dusdanig onrechtmatig handelen van de opsporingsambtenaren/Openbaar Ministerie dat de resultaten van de hiervoor genoemde DNA-onderzoeken niet mogen bijdragen tot bewijs.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Vast staat -en door de verdediging is niet betwist- dat de bloedafname op 5 oktober 1999 rechtmatig is geschied. Ingevolge het bepaalde in artikel 195a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering doet de rechter-commissaris, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, het van verdachte afgenomen celmateriaal (in dit geval het bloedmonster) vernietigen. Onjuist is de -kennelijke- gedachtegang van de raadsman dat het opheffen van de voorlopige hechtenis al zou moeten leiden tot vernietiging van dit celmateriaal. Het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte liep immers nog steeds ook na opheffing van de voorlopige hechtenis.

Het celmateriaal van verdachte was aldus nog steeds voor onderzoeksdoeleinden beschikbaar.

Dit celmateriaal mocht naar het oordeel van de rechtbank ook gebruikt worden in het onderzoek naar de verkrachtingszaken vanaf het moment dat verdachte daarin als verdachte werd aangemerkt. Behalve dat de rechter-commissaris bij beslissing d.d. 24 september 1999 al toestemming gaf de resultaten van het onderzoek in het gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van feit 1 te gebruiken in de onderzoeken ten aanzien van de feiten 2 en 3 werden half december 1999 de gerechtelijke vooronderzoeken in al deze zaken door de rechter-commissaris gevoegd. Het celmateriaal van verdachte dat nog ter beschikking van de rechter-commissaris was kon aldus ook gebruikt worden voor onderzoeksdoeleinden in de andere zaken. Van het tweede bevel is geen gebruik gemaakt.

Er is geen rechtsregel aan te wijzen die zich er tegen verzet dat in een dergelijk geval gebruik wordt gemaakt van binnen een -gevoegd- gerechtelijk vooronderzoek al beschikbaar en rechtmatig verkregen celmateriaal van een verdachte ter referentie. Dit temeer nu een vergelijkend DNA-onderzoek in het algemeen niet noodzakelijkerwijs steeds afname van celmateriaal bij een verdachte vergt noch dat dit onderzoek enkel kan of moet aanvangen met (steeds) een nieuwe afname van celmateriaal. De wet voorziet er namelijk alleen in dat die afname, zonodig tegen de wil van de verdachte, kan geschieden, indien ander celmateriaal van de verdachte (bijvoorbeeld ter plaatse van het delict of bijvoorbeeld in de woning van de verdachte aangetroffen) niet voorhanden mocht zijn. Aangezien afname van celmateriaal in het bijzonder bloed een ingrijpend middel is, kan door het aanwenden van een minder belastend middel, zoals in dit geval het gebruik van reeds rechtmatig voorhanden zijn van celmateriaal, niet gezegd worden dat de belangen van verdachte door die handelswijze in enigerlei mate zijn geschaad.

Daarbij overweegt de rechtbank dat verdachte en zijn raadsman niet eerder gedurende het onderzoek bezwaar hebben gemaakt tegen het gebruik van het in 1999 afgenomen bloedmonster als referentiemateriaal door het Forensisch Laboratorium te Leiden en het Nederlands Forensisch Instituut, terwijl het laatste door het Nederlands Forensisch Instituut uitgevoerde contra-onderzoek is geschied op uitdrukkelijk verzoek van de verdediging en de verdediging daarmee impliciet toestemming tot gebruik van het reeds aanwezige materiaal heeft gegeven.

Vrijspraak.

De rechtbank acht, op hierna mede onder de bewezenverklaring aan te voeren gronden, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstan-digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding (opgenomen na de bewijsoverweging).

Met betrekking tot de bewezenverklaring van deze feiten overweegt de rechtbank ondermeer het navolgende.

Het slachtoffer [slachtoffer feit 1] is in haar woning levenloos aangetroffen op het bed. Zij was op dat moment merendeels ontkleed, bebloed, haar polsen en haar enkels waren met sisaltouw aan het bed vastgebonden, zij was geblinddoekt met doeken en zij droeg een knevel. Het beddegoed was verwijderd. Uit het sectieverslag blijkt dat zij mogelijk seksueel misbruikt was en dat zij vermoedelijk door een combinatie van mechanisch geweld op de hals en/of verstikking om het leven is gekomen. Op een dekbedovertrek is een schaamhaar aangetroffen die blijkens onderzoek past in het haarpalet van verdachte.

[slachtoffer feit 3] heeft aangifte gedaan van verkrachting gepleegd op 28 augustus 1999 te Eindhoven door een Nederlandstalige man, die met een Brabants accent sprak en een normaal postuur had. Zij verklaart kort gezegd dat deze haar van haar fiets sloeg, de struiken in heeft geduwd en haar daar onder meer heeft gekneveld, geblinddoekt en handboeien (met -gelet op het rammelend geluid- daartussen een schakelketting) omgedaan. Voor het omdoen van de boeien hoorde zij het geluid van een aantal ritssluitingen die geopend en gesloten werden. Daarna is zij verkracht waarbij die man gebruik heeft gemaakt van een condoom. Het slachtoffer zag dat er wit spul, vermoedelijk sperma, in het condoom zat.

Bij huiszoeking op 10 september 1999 in de woning van een vriendin van verdachte -[vriendin van verdachte]- alwaar verdachte regelmatig verbleef en waar hij ook op die datum is aangehouden, werd onder meer een zwartkleurige rugzak en een zwartkleurig heuptasje (met een aantal ritsjes) aangetroffen met daarin onder andere een paar handboeien (met daartussen schakels), chirurgenhandschoenen met daarin opgerold een gebruikt condoom en divers bindmateriaal zoals sisaltouw en gaasverband.

Uit DNA-onderzoek is gebleken dat op het condoom celmateriaal aangetroffen is dat mogelijk afkomstig is van [slachtoffer feit 3] (de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit bedraagt vele malen minder dan 1 op 1 miljoen) en in het condoom celmateriaal mogelijk afkomstig van verdachte (de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit wordt door het Forensisch Laboratorium te Leiden geschat op minder dan 1 op 4000 biljoen, door het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk op minder dan 1 op 1 miljard).

Uit ander DNA-onderzoek blijkt dat het op de handboeien aangetroffen bloedspoor vermoedelijk van [slachtoffer feit 1] is (de kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit bedraagt minder dan 1 op 1 miljoen).

Verdachte ontkent eigenaar te zijn van het aangetroffen heuptasje. De rechtbank acht deze verklaring kennelijk leugenachtig gelet op de daarin aangetroffen huissleutel, die naar verdachte en zijn vader hebben verklaard aan verdachte toebehoort, en gezien de diverse getuigenverklaringen -in het bijzonder van voornoemde [vriendin van verdachte] en haar dochter [dochter van vriendin van verdachte]- dat dit heuptasje zijn eigendom is en dat verdachte dit regelmatig droeg.

Voorts heeft verdachte geen verklaring voor het aantreffen van zijn celmateriaal(sperma) in het condoom.

Ook heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de aangetroffen handboeien niet van hem zijn, dat hij ze wel eens gezien heeft, maar nooit zelf gebruikt heeft. Ter terechtzitting -dit is anderhalf jaar later- heeft verdachte verklaard dat hij deze handboeien gekregen heeft van [slachtoffer feit 1] in ruil voor een door hem gemaakt schilderij. Desgevraagd kon verdachte niet, zelfs niet bij benadering, aangeven wanneer hij deze handboeien zou hebben gekregen en bij doorvragen hoe bloed van het slachtoffer [slachtoffer feit 1] op die handboeien is gekomen, weigerde hij verder te antwoorden om hem moverende redenen van privacy. De rechtbank stelt vast dat verdachte daarmee thans toegeeft dat de handboeien van hem zijn en hij deze al in zijn bezit had ten tijde van het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer feit 1] en ruim een week later ten tijde van de verkrachting van het slachtoffer [slachtoffer feit 3]. Voor wat betreft de wijze en het tijdstip van verkrijging van de handboeien, het gebruik daarvan en de door verdachte geopperde mogelijkheid dat het bloedspoor reeds ten tijde van de verkrijging erop kan hebben gezeten acht de rechtbank -mede gezien de ook voor verdachte kenbare importantie daarover helderheid te verschaffen- de verklaringen van verdachte volstrekt onaannemelijk en ongeloofwaardig.

Verdachte heeft over de in het heuptasje aangetroffen bindmiddelen (gaasverband en sisaltouw) tegenover de verbalisanten verklaard dat hij deze wel eens eerder heeft gezien maar nooit in combinatie bij elkaar. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard, dat hij op de dag van de huiszoeking de bindmiddelen elders heeft weggenomen, naar het huis van [vriendin van verdachte] heeft meegenomen en deze aan haar heeft gegeven. [vriendin van verdachte], die blijkens de processtukken alstoen in ieder geval in goede verstandhouding met verdachte leefde, heeft daarentegen verklaard dat de bindmiddelen niet van haar zijn en dat zij deze nooit eerder heeft gezien. Ook deze verklaring van verdachte acht de rechtbank deswege kennelijk leugenachtig.

De rechtbank acht mede op grond van het voorgaande, met name de leugenachtige verklaring over het heuptasje, de daarin aangetroffen bindmiddelen (waaronder sisaltouw), de onaannemelijke verklaring over het verkrijgen van de handboeien en het ontbreken van enige aannemelijke verklaring voor het op de handboeien aangetroffen bloedspoor van slachtoffer [slachtoffer feit 1] (anders dan dat deze boeien zijn gebruikt kort voorafgaande aan of tijdens de doodslag van [slachtoffer feit 1]), wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de doodslag op [slachtoffer feit 1] heeft gepleegd.

De rechtbank acht geen bewijs voorhanden dat deze doodslag met voorbedachte rade is gepleegd.

De rechtbank acht voorts op grond van het voorgaande, en dan met name het aantreffen van een condoom met daarop sporenmateriaal van [slachtoffer feit 3] en verdachte, de aangifte, als ook de kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte over het heuptasje, de in het heuptasje, conform aangifte, aangetroffen handboeien ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer feit 3] verkracht heeft.

Bij haar overtuiging laat de rechtbank meewegen dat uit het justitieel documentatieregister blijkt dat verdachte reeds tweemaal voor doodslag is veroordeeld (in 1984 tot tien gevangenisstraf en in 1993 tot negen jaar gevangenisstraf) en deswege hoogst agressief en gewelddadig moet worden geacht. Uit de aan het procesdossier toegevoegde stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de veroordeling van 1983 blijkt dat verdachte ook toen een slachtoffer gekneveld en geblinddoekt heeft en de handen/polsen heeft vastgebonden (met gaasverband) waarna deze meermalen op het hoofd is geslagen mede tengevolge waarvan deze is overleden. Het feit dat en de wijze waarop ook [slachtoffer feit 3] geblinddoekt en geboeid werd en [slachtoffer feit 1] geblinddoekt, vastgebonden en gekneveld is geweest, en het tegen hen uitgeoefende geweld, draagt bij aan de overtuiging dat het onder feit

1 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde door verdachte begaan is.

Vrijgesproken wordt verdachte van de onder feit 2 tenlastegelegde verkrachting van [slachtoffer feit 2]

Weliswaar lijkt de modus operandi van de dader van dit delict op die toegepast door verdachte, maar de rechtbank acht dit enkele gegeven, bij gebreke van enig aanvullend overtuigend bewijsmiddel, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het aangetroffen fietsbandenspoor is daarbij, gezien de veelvuldigheid van het voorkomen van het bijbehorende bandentype, welk overeenstemt met het type band aangetroffen op een mede door verdachte gebruikte fiets, en het ontbreken van enige vermelding in de aangifte van [slachtoffer feit 2] dat de dader een fiets zou hebben gebruikt, te weinig overtuigend.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven onder 1 subsidiair en 3 bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 27, 36f, 57, 242, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

20 jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer feit 3].

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:

*De ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum.

* [slachtoffer feit 1] is, nadat collega's vergeefs kontakt met haar hadden gezocht, levenloos en onder mensonwaardige omstandigheden aangetroffen: nagenoeg naakt, deels bebloed, liggend op haar buik, op haar bed in de slaapkamer van haar woning, aan polsen en enkels met touw vastgebonden aan het bed, geblinddoekt en gekneveld.

Er was fors geweld op haar aangezicht, hals, enkels en polsen uitgeoefend en zij was mogelijk seksueel misbruikt.

*Ruim een week later werd [slachtoffer feit 3], pas 17 jaar oud, toen zij vroeg in de ochtend op de fiets op weg was naar werk, door verdachte met een metalen staaf in het gezicht geslagen, aan haar haren naar enkele bosjes gesleept onder bedreiging met de dood. Vervolgens zijn haar handen met handboeien vastgemaakt op de rug, is zij geblinddoekt en een prop in haar mond gestopt.

[slachtoffer feit 3] die -gelet op haar verklaring bij de politie- nog maagd was werd vervolgens door verdachte voor de keuze gesteld op welke wijze hij haar zou verkrachten. In weerwil tot de keuze die haar werd afgedwongen werd zij op elke mogelijke wijze verkracht.

*Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat [slachtoffer feit 1] en [slachtoffer feit 3] op welhaast sadistische wijze ten prooi zijn gevallen aan verdachte.

Verdachte heeft geen enkel respect voor het leven, de lichamelijke integriteit en de gevoelens van anderen: hij behandelde zijn slachtoffers niet meer als mensen maar veeleer als voorwerpen.

*Het door verdachte aan [slachtoffer feit 1] en haar familie aangedane leed is onomkeerbaar. Daarbij komt dat de aanleiding en/of de reden tot het benemen van het leven van [slachtoffer feit 1] in het ongewisse is gebleven.

*Ten aanzien van [slachtoffer feit 3] heeft verdachte haar lichamelijke integriteit op grove wijze geschonden, waardoor zij in haar persoonlijke levenssfeer naar de ervaring leert ernstig getraumatiseerd is.

*Verdachte's strafblad gaat terug tot in zijn jeugd. Met name is van belang een uitspraak van de rechtbank Breda in 1984 bij welk vonnis verdachte is veroordeeld tot 10 jaren gevangenisstraf terzake van -onder meer- vier roofovervallen waarvan één overval met dodelijke afloop waarbij verdachte het geboeide slachtoffer zwaar heeft mishandeld.

In 1993 werd verdachte wederom veroordeeld voor een feit met de dood van een slachtoffer tot gevolg. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld tot 9 jaren gevangenisstraf terzake van -onder meer- doodslag en poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

* Verdachte is niet bereid gebleken om inzicht te geven in zijn persoon, getuige ook zijn weigering mee te werken aan enig onderzoek door deskundigen naar zijn geestvermogens.

Uit het onderzoek ter terechtzitting noch uit het dossier is gebleken dat verdachte enig besef heeft van hetgeen hij de onderscheiden slachtoffers heeft aangedaan en van de ernstige schok die zulks in de omgeving van de slachtoffers teweeg heeft gebracht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatschappij allerwege dient te worden beschermd c.q. beveiligd tegen een zo gewelddadig persoon als verdachte en dat mede ter vergelding voor hetgeen de slachtoffers en de nabestaanden is aangedaan de maximaal mogelijke vrijheidsstraf dient te worden opgelegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit (feit 3) is toegebracht aan benadeelde en de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat daadwerkelijke schadevergoeding aan de benadeelde bevordert.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich leent voor de behandeling in deze strafzaak. Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte, rechtstreeks schade waaronder immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van ¦ 8.342,89, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Het immateriële gedeelte van die schade zal, als zijnde een voorschot, worden toegewezen tot een bedrag van ¦ 7500,-.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschre-ven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1 subsidiair. Doodslag

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht)

3. Verkrachting

(artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

een gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaren.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf.

Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer feit 3] (Feit 3) van een bedrag van ¦ 8.342,89 (zegge: achtduizenddriehonderdtweeenveertig gulden en negenentachtig cent)), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 dagen. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (feit 3).

Wijst de vordering van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer feit 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer feit 3], wonende te [adres en woonplaats slachtoffer feit 3] van een bedrag van ¦ 8.342,89 (zegge: achtduizend driehonderdtweeenveertig gulden en negenentachtig cent), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.Het immateriële deel van de vordering ad ¦ 7.500,- wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde gekweten tot het bedrag waarvoor verdachte heeft voldaan aan een van de hiervoor opgelegde wijzen van vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Dellaert, voorzitter,

mr. Wielders en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van Wittenberg, griffier

en is uitgesproken op 22 februari 2001.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 18 tot en met 20 augustus 1999 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- die [slachtoffer] (al dan niet met een doek/doeken en/of touw) verstikt/doen verstikken, althans de mond en/of neus van die [slachtoffer] afgesloten en/of

- (al dan niet met een voorwerp) geslagen en/of gestoten en/of geknepen op de nek/hals van die [slachtoffer], althans geweld uitgeoefend op de hals/nek van die [slachtoffer], in elk geval die [slachtoffer] letsel toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 18 tot en met 20 augustus 1999 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer] (al dan niet met een doek/doeken en/of touw) verstikt/doen verstikken, althans de mond en/of neus van die [slachtoffer] afgesloten en/of

- (al dan niet met een voorwerp) geslagen en/of gestoten en/of geknepen op de nek/hals van die [slachtoffer], althans geweld uitgeoefend op de hals/nek van die [slachtoffer], in elk geval die [slachtoffer] letsel toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 287 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 1999 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) gebracht in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld

of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte die [slachtoffer] tegen de grond heeft geduwd/gewerkt en/of tegen de grond heeft gehouden en/of die [slachtoffer] heeft meegetrokken en/of een prop in de mond van die [slachtoffer] heeft aangebracht en/of die [slachtoffer] heeft geblinddoekt en/of de handen van die [slachtoffer]

heeft vastgebonden en/of die [slachtoffer] aan een boom heeft vastgebonden en/of die [slachtoffer] heeft bedreigd met een mes en/of de kleding van die [slachtoffer] heeft stukgesneden en/of uitgetrokken en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 28 augustus 1999 te Eindhoven door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

* zijn penis in de anus en/of de vagina en/of de mond van voornoemde [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of

* (vervolgens) op en neer gaande bewegingen gemaakt en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

* voornoemde [slachtoffer] (met een grijze stok/staaf) van haar fiets heeft geslagen en/of

* voornoemde [slachtoffer] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd "kom van die fiets af of ik sla je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

* voornoemde [slachtoffer] de bosjes in heeft getrokken/geduwd en/of voornoemde [slachtoffer] (met handboeien) de armen (achter de rug) heeft vastgebonden/vastgemaakt en/of

* voornoemde [slachtoffer] een prop in de mond heeft gedaan/geduwd en/of haar aan haar haren heeft getrokken en/of

* voornoemde [slachtoffer] (met behulp van een lap stof/doek) de ogen heeft bedekt/afgedekt en/of

* voornoemde [slachtoffer] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd "fiets achter mij aan" en/of "draai je om met je ogen dicht" en/of"doe je broek uit" en/of "ga voorover staan met je benen wijd" en/of "pijp me", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en/of in stand gehouden;

[artikel 242 wetboek van Strafrecht]

Bewezenverklaring.

1.

hij in de periode van 18 tot en met 20 augustus 1999 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- (al dan niet met een doek/doeken en/of touw) de mond en neus van die [slachtoffer] afgesloten en/of

- (al dan niet met een voorwerp) geweld uitgeoefend op de hals van die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3.

hij op 28 augustus 1999 te Eindhoven door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

* zijn penis in de anus en de vagina en de mond van voornoemde [slachtoffer] gebracht/geduwd en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte

* voornoemde [slachtoffer] met een grijze stok/staaf van haar fiets heeft geslagen en

* voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd "kom van die fiets af of ik sla je kapot", en

* voornoemde [slachtoffer] de bosjes in heeft getrokken/geduwd en voornoemde [slachtoffer] met handboeien de armen (achter de rug) heeft vastgemaakt en

* voornoemde [slachtoffer] een prop in de mond heeft gedaan/geduwd en haar aan haar haren heeft getrokken en

* voornoemde [slachtoffer] (met behulp van een lap stof/doek) de ogen heeft bedekt/afgedekt en

* voornoemde [slachtoffer] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd "fiets achter mij aan" en "draai je om met je ogen dicht" en "doe je broek uit" en "ga voorover staan met je benen wijd" en "pijp me", en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan en in stand gehouden;