Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AA9749

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2001
Datum publicatie
22-12-2003
Zaaknummer
01/06036697
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/060366-97

Uitspraakdatum: 1 februari 2001

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

gevestigd te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 januari 2001.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 1998.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Namens de verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer artikel 6, eerste lid van het EVRM. De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie derhalve niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging moet worden verklaard.

Ook de officier van justitie heeft bij de voordracht van de zaak en in zijn requisitoir aangegeven dat de redelijke termijn zijns inziens is overschreden, onder meer door aanhoudingsverzoeken, nader onderzoek en problemen met de zittingscapaciteit. Gezien de ernst van de feiten is de officier van justitie van mening dat hij wel ontvankelijk is in zijn vordering. De overschrijding van de redelijke termijn dient volgens hem te leiden tot een strafvermindering.

Uit de onderhavige stukken is de rechtbank gebleken dat op 26 april 1996 op de Rijksweg A67 een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij één van de medewerkers van verdachte, de wegwerker [slachtoffer], om het leven is gekomen. Naar aanleiding van dit ongeval is de Arbeidsinspectie Regio Zuid een onderzoek begonnen. Uit dit onderzoek zijn verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (hierna: de medeverdachten 2, 3 en 4: de combinanten) als vermoedelijke overtreders van één of meerdere economische delicten naar voren gekomen. Reeds op 31 oktober 1996 heeft de directeur van de Arbeidsinspectie Regio Zuid het naar aanleiding van dit onderzoek opgemaakte eindproces-verbaal ingestuurd naar de officier van justitie in ’s-Hertogenbosch.

Alle verdachten in deze zaken zijn bij dagvaarding van 26 februari 1998 gedagvaard om op 31 maart 1998 te verschijnen voor de meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank. Op verzoek van de raadsman van de combinanten is het onderzoek ter terechtzitting die dag voor onbepaalde tijd geschorst.

Gepoogd is de zaken op 14 juli 1998 op een zitting te plannen, doch dit was door verhindering van de raadslieden van de combinanten en [medeverdachte 1] niet mogelijk. Ook lukte het niet de zaken op een zitting in september van dat jaar te plannen.

Verdachten zijn vervolgens opgeroepen om wederom te verschijnen op 10 februari 1999. Ook bij deze gelegenheid is het onderzoek ter terechtzitting aangehouden: ter fine van het horen van getuigen zijn de zaken verwezen naar de rechter-commissaris, ditmaal op verzoek van de raadsman van de combinanten alsook van de raadsman van [medeverdachte 1].

Op 22 en 24 juni en 21 september 1999 hoorde de rechter-commissaris deze getuigen. Op 25 oktober 1999 lieten alle raadslieden bij brief van de raadsman van combinanten weten geen nadere onderzoekswensen te hebben in het gerechtelijk vooronderzoek.

Eerst op 6 november 2000 stonden de zaken opnieuw geappointeerd. Ook bij deze gelegenheid is de behandeling van de zaken aangehouden, vanwege de korte tijdspanne tussen de oproeping en het onderzoek ter terechtzitting.

Op 18 januari 2001 zijn de zaken inhoudelijk behandeld.

Op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijk termijn kan inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval bedoelde termijn is aangevangen op 26 februari 1998, het moment waarop door de officier van justitie de inleidende dagvaarding is uitgebracht. Vanaf die datum werd verdachte bedreigd met strafvervolging. De rechtbank stelt vast dat het bijna drie jaar heeft geduurd om tot een inhoudelijke behandeling ter terechtzitting en een eindvonnis te komen.

Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste instantie binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden zijn:

1. De ingewikkeldheid van de strafzaak:

Het eindproces-verbaal in deze zaak is op 31 oktober 1996, ongeveer een half jaar na het ongeval, door de Arbeidsinspectie ingezonden aan de officier van justitie. Dit is een aanwijzing dat (de feitelijke situatie van) de zaak niet erg ingewikkeld was.

Om redenen van proceseconomie is de zaak tegen verdachte vervolgens gevoegd met de zaken tegen de andere verdachten van dit feit.

2. De invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop:

De raadslieden van de combinanten en [medeverdachte 1] hebben in de procedure meermalen om aanhouding van hun zaken verzocht, met als gevolg dat ook de zaak tegen verdachte steeds werd aangehouden. Verdachte en haar raadsman hebben geen enkele keer om aanhouding verzocht. In haar pleidooi heeft zij aangegeven dat de zaak wat haar betreft op 31 maart 1998 afgedaan had kunnen worden.

3. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld:

Op grond van het hiervoor beschreven procesverloop kan niet worden gezegd dat de officier van justitie alsook de rechtbank die voortvarendheid hebben betracht om de zaak binnen een redelijke termijn af te doen die van hen redelijkerwijs had kunnen worden verlangd. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de zaken van verdachte en haar medeverdachten uit redenen van proceseconomie bij elkaar werden gehouden, maar is van oordeel dat deze proceseconomische voordelen niet opwegen tegen de nadelen die dit voor verdachte heeft gehad. Verdachte is een besloten vennootschap, waarvan echter de ter terechtzitting aanwezige wettelijk vertegenwoordiger enig aandeelhouder en enig bestuurder is. Het bedrijf heeft slechts 12 werknemers in dienst. De in het bedrijf werkzame personen en de wettelijk vertegenwoordiger zijn emotioneel nauw bij de strafzaak betrokken, zoals de rechtbank ook ter terechtzitting is gebleken. Het ongeval betrof een werknemer van het bedrijf en verdachte heeft tengevolge van het ongeval haar bedrijfsuitvoering zodanig aangepast dat zij dit soort werkzaamheden niet meer uitvoert. Ook naar de familie van het slachtoffer toe heeft verdachte steeds haar steun en medeleven betuigd.

Omdat de rechtbank ook overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die de duur van de strafzaak zouden kunnen rechtvaardigen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een schending van het recht op een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn.

Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank bij de afweging tussen enerzijds het belang van de verdachte bij een verval van het recht tot strafvordering en anderzijds het belang van de gemeenschap bij normhandhaving tot het oordeel gekomen dat de substantiële overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden gecompenseerd door een strafvermindering. In de lijn van het voorgaande is de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie meer op zijn plaats.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat tussen de datum van het ongeval en het eindvonnis van de rechtbank een periode van bijna vijf jaar is gelegen. Gezien de hierboven weergegeven betrokkenheid van verdachte bij het ongeval en de gevolgen van het ongeval voor verdachte’s bedrijf en voor de heer [naam] persoonlijk was het van belang dat de strafzaak zo spoedig mogelijk zou worden afgerond. De rechtbank hecht daarbij verder bijzonder belang aan de omstandigheid dat door verdachte geen handelingen zijn verricht die hebben bijgedragen aan de trage afhandeling van de strafzaak.

De rechtbank zal de officier van justitie derhalve niet ontvankelijk in zijn vordering verklaren.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Droesen, voorzitter,

mr. Kooijmans-de Kort en mr. Visser, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Nijenhuis, griffier

en is uitgesproken op 1 februari 2001.

Tenlastelegging:

zij op of omstreeks 26 april 1996 te Bladel en Netersel, althans in het

arrondissement 's-Hertogenbosch, op of aan de Rijksweg A 67, waaraan

onderhoudswerkzaamheden werden verricht, zijnde een fabriek of werkplaats,

als werkgever niet heeft voldaan aan haar verplichting tot naleving van het

voorschrift van artikel 212bis, eerste lid, van het Veiligheidsbesluit voor

fabrieken of werkplaatsen 1938,

althans,

niet heeft voldaan aan haar verplichting tot naleving van het voorschrift van

artikel 212bis, tweede lid, van genoemd besluit, immers werd daan toen door

(een) werknemer(s) van verdachte gewerkt aan het monteren van zogenaamde

barriers terwijl die arbeid, gelet op na te melden omstandigheden, niet werd

verricht met inachtneming van alle maatregelen die door de eis van goed en

veilig werk werden gevorderd om de werknemer(s) daardoor zoveel mogelijk tegen

letsels door ongevallen te beschermen,

althans,

werd daar toen door (een) werknemer(s) van verdachte gewerkt aan het monteren

van zogenaamde barriers terwijl die werknemer(s), gelet op na te melden

omstandigheden, niet zoveel mogelijk beschermd waren tegen de gevaren die

daarbij konden optreden;

het betreft de volgende omstandigheden:

- ter plaatse waar de werkzaamheden werden verricht werd het verkeer over de

Rijksweg A 67 geleid over een noodrijbaan welke ongeveer 3 meter breed was,

en/of

- ter plaatse waar de werkzaamheden werden verricht lag, rechts naast de

noodrijbaan, een invoegstrook, zodat daar twee verkeersstromen samenkwamen,

en/of

- ter plaatse waar de werkzaamheden werden verricht waren, op de noodrijbaan

(met de kennelijke bedoeling werkruimte te creeren) een aantal bakens

geplaatst, en/of

- ter plaatse waar de werkzaamheden werden verricht, reed het verkeer,

ingevolge de ter plaatse geldende snelheidsbeperking: met een snelheid van

gemiddeld genomen omstreeks 70 kilometer per uur, (rakelings) langs de plaats

waar de werknemer(s) van verdachte werkten;

(artikel 212bis Veiligheidsbesluit voor fabrieken en werkplaatsen)