Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2001:AA9424

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
58728 / HA ZA 00-2294
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer 58728 / HA ZA 00-2294

Datum uitspraak: 5 januari 2001

Vonnis van de arrondissementsrechtbank te ’s Hertogenbosch, MEERVOUDIGE KAMER voor de behandeling van burgerlijke zaken, gewezen op het bezwaarschrift tegen het plan van toedeling in de ruilverkaveling St. Oedenrode (bezwaar 110) van:

de MILIEUGROEPEN LANDINRICHTING SINT-OEDENRODE (MLO), gevestigd te

Schijndel;

reclamante;

gemachtigden: Mw. Mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te ’s Hertogenbosch, P. van Schijndel, J.Leuverink;

Reclamante zal hierna MLO worden genoemd.

De procedure

Het bezwaren van MLO zijn eerder behandeld door de Landinrichtingscommissie en door de rechter-commissaris, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt, die als hier opgenomen dienen te worden beschouwd.

Vervolgens heeft de rechtbank de bezwaren behandeld ter terechtzitting van 1 december 2000, waar verschenen zijn MLO, vertegenwoordigd door haar gemachtigden, alsmede vertegenwoordigers van de betrokken Landinrichtingscommissie, de Centrale Landinrichtingscommissie, hierna gezamenlijk “de commissie” te noemen en de aan de commissie toegevoegde ingenieur van het kadaster. Partijen hebben hun zaak bepleit, beide met overlegging van een pleitnota, en hebben daarop over en weer geantwoord. Ten slotte heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Nadien, bij brief van 4 december 2000, heeft MLO nog de statuten van de bij haar aangesloten organisaties aan de griffier van de rechtbank toegezonden en enkele nadere opmerkingen gemaakt; de commissie heeft bij brief van 15 december 2000 bezwaar gemaakt tegen het feit, dat MLO na het sluiten van de behandeling nog een aantal stellingen naar voren heeft gebracht.

Het bezwaar en de beoordeling

Blijkens het van de behandeling van het bezwaar door de rechter-commissaris opgemaakte proces-verbaal dienen door de rechtbank de volgende bezwaren te worden behandeld:

1. bij de vorming van de nieuwe grenzen is geen rekening gehouden met het in het terrein aanwezige reliëf, zodat door egalisatie een verarming zal optreden in de landschappelijke en de natuur- en cultuurhistorische waarden;

2. door het opheffen van paden en wegen zal het actief gebruik daarvan niet meer mogelijk zijn en de historiebeleving verdwijnen;

3. het opruimen van de oude kavelstructuur (= de oude perceelsgrenzen) doet de geschiedenis van het gebied verdwijnen;

4. de onverharde wegen moeten gehandhaafd blijven omdat zij essentieel zijn voor natuur en landschap en mogen alleen in uiterste noodzaak verdwijnen.

De rechtbank zal geen acht slaan op de argumenten, die MLO in haar brief van 4 december 2000 heeft verwoord; het is in strijd met een goede procesorde op deze wijze en op dit tijdstip, na het sluiten van het debat, (nadere) stellingen in te brengen.

Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van de commissie betoogd, dat MLO in haar bezwaren niet ontvangen kan worden, omdat zij geen belanghebbende is in de zin van artikel 200 van de Landinrichtingswet (LiW).

De commissie stelt, dat een plan van toedeling een indeling van civiele rechten van natuurlijke- en rechtspersonen inhoudt, naar rato van de door hen ingebrachte rechten. Vaststaat, dat MLO binnen het blok van de onderhavige ruilverkaveling geen gronden in eigendom of pacht heeft ingebracht; aan MLO zijn geen gronden toegedeeld en ook maakt MLO geen aanspraak op toedeling van grond. De commissie stelt, dat als belanghebbende bij de behandeling van bezwaren tegen het plan van toedeling moet worden beschouwd iedere eigenaar of rechthebbende wiens aanspraken in de toedeling van kavels door gegrond bevinding van bezwaren verandering kunnen ondergaan.

MLO verdedigt een ruimere opvatting van het begrip belanghebbende in de zin van artikel 200 LiW. Zij stelt, dat uit de tekst van de Landinrichtingswet volgt, dat het begrip belanghebbende in de zin van artikel 200 van de wet ruimer is dan het begrip rechthebbende, dat elders in de wet wordt gebruikt. Ook wijst MLO erop, dat in artikel 220a LiW is bepaald, dat de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn ten aanzien van de bezwaren als bedoeld in onder meer artikel 200 LiW; dit betekent, aldus MLO, dat de definitie van het begrip belanghebbende, neergelegd in het niet uitgesloten artikel 1:2 Awb ook geldt voor het begrip belanghebbende van artikel 200 LiW. Bij toetsing aan deze definitie moet MLO als belanghebbende worden beschouwd; het plan van toedeling is immers van directe invloed op de natuur, het landschap en het cultuurpatroon.

Tenslotte stelt MLO, dat ook uit het bepaalde bij artikel 199 lid 3 LiW volgt, dat het begrip belanghebbende ruimer is dan het begrip rechthebbende.

De rechtbank stelt vast, dat de Landinrichtingswet geen definitie geeft van het in deze wet gehanteerde begrip belanghebbende.

De rechtbank is met MLO van oordeel, dat het in artikel 200 LiW gehanteerde begrip belanghebbende ruimer is dan het in deze wet gehanteerde begrip rechthebbende. Dit volgt onder meer uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet; de nota naar aanleiding van het eindverslag vermeldt, dat het begrip belanghebbende enigszins ruimer is dan de som van de begrippen rechthebbende en pachter. Uit de daarop volgende toelichting blijkt echter, dat de wetgever het begrip belanghebbende beperkt wenst te zien tot diegene met een civielrechtelijk belang. Uit de aanpassing van de Landinrichtingswet aan de Algemene wet bestuursrecht blijkt niet, dat deze opvatting is veranderd.

De belangen, waarvoor MLO en de bij haar aangesloten organisaties opkomen zijn - kort samengevat - de bescherming en het behoud van milieu, natuur en landschap. Deze belangen komen expliciet aan de orde bij de vaststelling van het landinrichtingsplan als bedoeld in artikel 73 e.v. LiW.

Vaststaat, dat MLO geen gronden heeft ingebracht, dat aan haar in het plan van toedeling geen gronden zijn toegedeeld en dat zij evenmin aanspraak maakt op toedeling van gronden.

Met het plan van toedeling worden een nieuwe kavelindeling en ander regelingen van civielrechtelijke aard vastgesteld. Uit dit alles vloeit, naar het oordeel van de rechtbank, voort, dat de belangen, waarvoor MLO en de bij haar aangesloten organisaties opkomen, niet rechtstreeks bij het plan van toedeling betrokken zijn. Dit weer leidt tot de slotsom, dat MLO

niet als belanghebbende bij het plan van toedeling, anders gezegd als belanghebbende in de zin van artikel 200 LiW kan worden beschouwd en dat MLO in haar bezwaren niet kan worden ontvangen.

MLO zal als de in het ongelijk gestelde partij verwezen worden in de kosten van dit geding.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart MLO niet ontvankelijk in haar bezwaren.

veroordeelt MLO in de kosten van dit geding aan de zijde van de gezamenlijke rechthebbenden begroot op f. 860,--.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Poerink, voorzitter, Van Daalen en Van der Ham, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.