Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:ZF1358

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-12-2000
Datum publicatie
16-07-2001
Zaaknummer
Awb 00/6832 VV;Awb 00/6833
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

-------------------------------- Uitspraak --------------------------------

Awb 00/6832 VV Awb 00/6833

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb, in het geschil tussen

1. Horeca Exploitatie Nobis Asten B.V. en

2. Loverbosch Junior (JR) Beheer B.V.,

eiseressen, beiden gevestigd te Asten,

gemachtigde mr. M.J.M. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 1 februari 2000, verzonden op 3 februari 2000, heeft verweerder aan eiseres sub 1 medegedeeld dat op 27 en 29 september 1999 is geconstateerd dat in haar opdracht een zestal verwijsborden langs de A67 zijn geplaatst en haar onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven om binnen zes weken na het van kracht worden van deze beschikking, gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Landschapsverordening Noord-Brabant 1999, artikel 122 van de Provinciewet en de artikelen 5:21 e.v. van de Awb, de geplaatste borden te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij is bepaald dat de beschikking van kracht wordt één dag na de verzenddatum ervan.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 9 maart 2000, ontvangen 10 maart 2000, bij verweerder bezwaar gemaakt.

Op 17 april 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de provinciale Hoor- en Adviescommissie Milieuzaken, waarvan verslag is opgemaakt.

Bij besluit van 24 augustus 2000, verzonden op 25 augustus 2000, heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard en het besluit van 1 februari 2000 gehandhaafd.

Bij brief van 26 september 2000, ontvangen 27 september 2000, hebben eiseressen aan de president van de rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb (Reg.nr. Awb 00/6832 GEMWT VV).

Bij brief van gelijke datum hebben eiseressen tegen het besluit van verweerder van 24 augustus 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank (Reg.nr. Awb 00/6833 GEMWT).

Bij faxbericht van 27 september 2000 heeft verweerder aan de rechtbank bevestigd dat de toepassing van bestuursdwang opgeschort zal worden totdat de president op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft beslist.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2000, waar eiseressen namens eiseressen zijn verschenen mr. M.J.M. van Gerwen, voornoemd, alsmede R.A.P.M. Loverbosch en W.J. van Golstein Brouwers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B. de Laat en R. Schouwenaar, ambtenaren in dienst van de provincie.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de president van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen.

De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Daarbij wordt opgemerkt dat eiseressen in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de president zijn gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak.

In dit geding is aan de orde het besluit van 24 augustus 2000 waarbij verweerder het bezwaar van eiseressen, tegen de aanschrijving tot het verwijderen en verwijderd houden van een zestal verwijsborden aan de A67, ongegrond heeft verklaard.

Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5:21 van de Awb wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege het bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

De president zal allereerst beoordelen of sprake is van handelen in strijd met een wettelijk voorschrift.

Op 18 december 1998 hebben provinciale staten van Noord-Brabant de Landschapsverordening Noord-Brabant 1999 (hierna: de Verordening) vastgesteld welke op 30 januari 1999 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 1 van de Verordening wordt in deze regeling verstaan onder (b.) borden: opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoer- en/of transportmiddelen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening is het verboden, behoudens het bepaalde in artikel 3, om buiten de bebouwde kom borden te plaatsen, te doen plaatsen, aan te brengen, te houden, dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing op, aan of tegen die onroerende zaak toe te staan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet als de borden niet zichtbaar zijn vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening geldt het in artikel 2 bedoelde verbod niet voor borden die: (p.) de weg wijzen naar enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, uitgeoefend in of op een onroerende zaak in de nabijheid van het desbetreffende bord, waarvan het model wordt vastgesteld door gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening zijn gedeputeerde staten van Noord-Brabant bevoegd al dan niet onder het stellen van nadere voorwaarden af te wijken van het bepaalde in artikel 3 voor zover de toepassing daarvan, mede gelet op het belang van de bescherming van het landschap, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge artikel 7 van de Verordening is het in artikel 2 gestelde verbod voor een periode van 6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening niet van toepassing op borden die zijn geplaatst in overeenstemming met destijds ter plaatse vigerende regelgeving ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon.

Bij besluit van 13 juni 2000, uitgegeven op 28 juni 2000, heeft verweerder uitvoering gegeven aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder p, van de Verordening. Daarin is besloten:

- (...) het modelbord vast te stellen waaraan de volgende eisen worden gesteld:

1. (...);

2. (...);

3. de afmetingen van het te plaatsen bord langs een weg waar een maximum snelheid tot 120 kilometer per uur is gesteld, bedragen maximaal 120 centimeter hoog en 80 centimeter breed;

4. de kleur van het modelbord is blauw/wit;

5. de eigenschappen van het retroreflecterend materiaal komen minimaal overeen met klasse II;

6. onder modelbord mag één wit onderbord worden aangebracht met de navolgende afmetingen:

- (...);

- (...);

- 20 centimeter hoog en 80 breed voor wegen met een maximumsnelheid tot 120 kilometer per uur;

7. op het onderbord mag naar keuze in zwart worden aangegeven:

- de naam van het bedrijf;

- de afstand tot een afslag, zijweg of inrit;

- een richtingspijl;

8. het bord geplaatst wordt binnen het beheersgebied van de wegbeheerder;

9. er dient voor de symbolen gebruik gemaakt te worden van de bijgevoegde lijst van pictogrammen (bijlage 1), indien het symbool in de bijgevoegde lijst niet voorkomt kan in overleg en met toestemming van de wegbeheerder gekozen worden voor een ander pictogram dan wel gekozen worden voor tekst in plaats van een pictogram;

- (...).

Gelet op de Algemene Toelichting bij de Verordening is besloten aan de wildgroei van reclameborden een einde te maken door het (opnieuw) invoeren van een provinciale verordening gericht op de bescherming van het Brabantse landschapsschoon. Uitgangspunt is dat elk bord/afbeelding/aanduiding in beginsel een aantasting vormt van het landschapsschoon. De Verordening kent een algeheel verbod voor borden buiten de bebouwde kom, behoudens nader genoemde uitzonderingen. Gelet hierop is in de Verordening een hardheidsclausule opgenomen omdat er zich uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen die zich vooraf niet laten voorspellen. Toepassing van de hardheidsclausule zal - aldus de Toelichting - naar verwachting slechts in zeer sporadische gevallen aan de orde zijn.

De onderhavige borden verwijzen naar het door eiseressen geëxploiteerde aan de A67 gelegen motel/restaurant "Nobis" te Asten. Niet in geschil is dat het borden zijn in de zin van artikel 1 van de Verordening en dat zij, wat maatvoering betreft, niet voldoen aan de eisen die in het besluit van verweerder van 13 juni 2000 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder p, van de Verordening aan een modelbord zijn gesteld. Voorts is niet in geschil dat de borden in 1993 zijn geplaatst (net) buiten het beheersgebied van de wegbeheerder, zijnde Rijkswaterstaat. Ten behoeve van de plaatsing van de borden is destijds vergunning verleend op grond van artikel 2.1.5.1. Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Asten.

De president stelt voorop dat in het midden kan blijven het antwoord op de partijen verdeeld houdende vraag of de hiervoor bedoelde, krachtens de Algemene plaatselijke verordening verleende vergunningen in verband met artikel 122 van de Provinciewet nog rechtskracht hebben. Immers, ook indien met eiseressen moet worden aangenomen dat deze vergunningen nog immer rechtsgeldig zijn, kan dit niet afdoen aan een eventuele strijdigheid van de aanwezigheid van de borden met de Verordening. Ook kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of voormeld artikel 2.1.5.1 van de Algemene plaatselijke verordening (mede) strekt(e) tot bescherming van het landschapsschoon. De in artikel 7 van de Verordening genoemde termijn van zes maanden is inmiddels verstreken, zodat, ook al moet laatstbedoelde vraag bevestigend worden beantwoord, aan eiseressen geen beroep meer toekomt op de overgangsrechtelijke bescherming van dit artikel. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, heeft hun een beroep op die bescherming nimmer toegekomen.

De president is voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de Verordening in strijd is met de wet dan wel anderszins verbindende kracht mist. Het betoog van eiseressen dat de Verordening, door het categorisch verbieden van het plaatsen van borden, verder gaat dan ten behoeve van de bescherming van het landschapsschoon redelijkerwijs nodig kan worden geacht, maakt dit niet anders. Daargelaten of een dergelijke omstandigheid op zichzelf al zou kunnen leiden tot de conclusie dat de Verordening deswege verbindende kracht moet worden ontzegd, acht de president in dit verband van belang dat de Verordening, naast een aantal uitzonderingen van algemene aard in artikel 2 en artikel 3, in artikel 4 voorziet in een regeling die het voor verweerder mogelijk maakt om in afzonderlijke gevallen of categorieën van gevallen, mede in aanmerking genomen het belang van de bescherming van het landschapsschoon, een uitzondering op het verbod tot plaatsen van borden te maken. Voor gevallen waarin gezegd zou moeten worden dat het belang dat de Verordening beoogt te bescherming in het geheel niet zou worden geschaad, bestaat derhalve de mogelijkheid dat het verbod tot plaatsen van borden opzij wordt gezet.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de onderhavige borden in strijd zijn met de Verordening en dat verweerder in beginsel bevoegd is om tegen de aanwezigheid van de borden handhavend op te treden.

In dit verband stelt de president vast dat de bij het bestreden besluit gehandhaafde aanschrijving ertoe strekt dat de onderhavige borden in hun geheel worden verwijderd en verwijderd gehouden. Daarbij is verweerder er blijkens het bestreden besluit van uitgegaan dat de borden niet kunnen worden aangepast, zodat ze voldoen aan de eisen, gesteld in hun meergenoemde besluit van 13 juni 2000 ten aanzien van het modelbord. Daartoe heeft verweerder overwogen dat ze zijn geplaatst buiten het beheersgebied van de wegbeheerder en mitsdien niet voldoen aan het bepaalde onder het eerste gedachtestreepje, aanhef en onder 8, van het besluit van 13 juni 2000. Met eiseressen is de president evenwel van oordeel dat evengenoemd onderdeel van dit besluit verbindende kracht mist. Immers, artikel 3, eerste lid, aanhef en onder p, van de Verordening, ter uitvoering waarvan dit besluit strekt, geeft verweerder slechts de bevoegdheid het model van de daarin bedoelde borden vast te stellen. Naar het oordeel van de president betreft die bevoegdheid uitsluitend het vaststellen van het uiterlijk en de afmetingen van deze borden, doch niet mede het bepalen van de locatie waar de borden kunnen worden geplaatst. Het besluit van 13 juni 2000 ontbeert in zoverre derhalve een wettelijke grondslag. Dit brengt mee dat verweerder bij het bestreden besluit eiseressen ten onrechte niet de mogelijkheid heeft geboden om aan de toepassing van bestuursdwang te ontkomen door de borden aan te passen aan de - overige - eisen die aan het modelbord zijn gesteld. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 5:24, vierde lid, van de Awb, waarin ligt besloten de eis dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang de maatregelen omschrijft die de aangeschrevene zelf kan treffen om de tenuitvoerlegging van het besluit te voorkomen.

Het bestreden besluit kan naar het oordeel van de president ook op een andere grond de rechterlijke toets niet doorstaan. Daartoe wordt overwogen dat verweerder, ervan uitgaande dat de onderhavige borden in strijd zijn met de Verordening en evenmin door aanpassing aan de eisen, gesteld in het besluit van 13 juni 2000, daarmee in overeenstemming kunnen worden gebracht, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom alsdan in casu geen aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 4 van de Verordening. De president acht in dit verband van belang dat eiseressen hebben gesteld dat zij voor een rendabele exploitatie van het onderhavige motel/restaurant in zeer belangrijke mate afhankelijk zijn van de aanwezigheid van de borden, welke stelling de president, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting niet zonder meer onaannemelijk voorkomt. In aanmerking genomen voorts dat de onderhavige borden reeds geruime tijd - legaal - aanwezig zijn geweest en eiseressen daarop hun bedrijfsvoering hebben afgestemd, ziet de president niet zonder meer in dat de gedwongen verwijdering ervan niet zou kunnen resulteren in een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 4 van de Verordening. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat plaatsing van verwijsborden naar het motel/restaurant binnen het beheersgebied van de A67 door Rijkswaterstaat aan eiseressen niet wordt toegestaan, zodat verwijdering van de onderhavige borden ertoe zou leiden dat vanaf de A67 in het geheel niet meer naar het motel/restaurant wordt verwezen. Verweerders stelling dat eiseressen niet wezenlijk verschillen van andere bedrijven die door de invoering van de Verordening financieel nadeel zullen lijden, acht de president te algemeen om te overtuigen. Ook de door verweerder ingeroepen omstandigheid dat navraag bij Rijkswaterstaat heeft geleerd dat de aanwezigheid van de onderhavige borden uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet noodzakelijk is, is naar het oordeel van de president niet van voldoende gewicht om het standpunt dat geen reden bestaat tot toepassing van artikel 4, voornoemd, te dragen. Daartoe wordt overwogen dat evenmin is gebleken dat de aanwezigheid van de borden de verkeersveiligheid ter plaatse in gevaar brengt.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit op dit punt derhalve niet voorzien van een deugdelijke motivering en mitsdien genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Derhalve is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Gezien het gegeven dat een beslissing in de hoofdzaak wordt genomen is geen grond meer aanwezig tot het treffen van een voorlopige voorziening.

De president acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f. 1.420,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* wegingsfactor 1.

Voor het toekennen van een vergoeding inzake het indienen van het verzoekschrift acht de president geen termen aanwezig omdat hierin voor de gronden wordt verwezen naar het beroepschrift.

Tevens zal de president bepalen dat de provincie Noord-Brabant aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht - inzake zowel de voorlopige voorziening als het beroep - dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten vastgesteld op f. 1.420,-, te vergoeden door de provincie Noord-Brabant;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- gelast verweerders gemeente aan eiseressen te vergoeden het door haar gestorte griffierecht, zijnde 2 x f. 450,-

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als president in tegenwoordigheid van mr. J.F.M. Emons als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2000.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak - voor zover daarbij op het beroep is beslist - binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

JS