Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AF0324

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
99/309 R
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank weigert homologatie van het akkoord, omdat het te sparen bedrag tijdens de looptijd de akkoordsom aanmerkelijk overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Bij vonnis van deze kamer van 18 oktober 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

X.

geboren op ...

wonende te P.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een ter griffie berustend dossier met bovenstaand insolventienummer betreffende saniet, in welk dossier zich onder meer bevinden:

Het ter griffie van deze rechtbank gedeponeerde ontwerpakkoord, dat als volgt luidt:

Het saldo van de schuldsaneringsrekening zal, na het aftrek van het bewindvoerderssalaris en de gemaakte saneringskosten, in zijn geheel worden uitbetaald aan de crediteuren van bovengenoemde schuldenaar.

Alle preferente crediteuren ontvangen tegen finale kwijting tenminste 41,16% van hun vorderingen op bovengenoemde schuldenaar.

Alle concurrente crediteuren ontvangen tegen finale kwijting tenminste 23,58% van hun vorderingen op bovengenoemde schuldenaar.

De voor nakoming van het akkoord vereiste gelden worden voor homologatie van het akkoord in handen gesteld van de bewindvoerder, die met de uitbetaling daarvan wordt belast.

Het proces-verbaal van de vergadering als bedoeld in artikel 289 lid 1 van de Faillissementswet, gehouden op 10 oktober 2000.

De homologatie is ter terechtzitting van 24 oktober 2000 behandeld. Alstoen is overlegd het verslag van de rechter-commissaris d.d. 20 oktober 2000, waarin deze aangeeft geen gronden te zien die tot weigering van het akkoord dienen te leiden. Bezwaren van schuldeisers zijn noch bij de verificatievergadering, noch ter zitting naar voren gebracht.

Uit proces-verbaal van voormelde vergadering blijkt voorts dat gemeld akkoord op de door de wet voorgeschreven wijze is aangenomen.

De rechtbank overweegt het volgende:

Uit het dossier blijkt dat begin 2000 saniet is gaan samenwonen, waardoor haar vrij te laten inkomen (nu zij bepaalde lasten deelt met haar partner) is verlaagd. Sinds het samenwonen is saniet gehouden plus minus fl. 1.315,= per maand af te dragen aan de boedel. Uitgaande van een gebruikelijke looptijd zou door saniet in beginsel nog ten behoeve van de boedel nog 24 maanden maal fl. 1.315,=, zijnde fl. 31.560 kunnen sparen, bovenop het tot oktober 2000 reeds gespaarde bedrag (per 2 oktober 2000 fl. 7.344,67) en uiteraard zonder rekening te houden met mogelijk verlies van inkomen en/of verbreking van de relatie. Aan extra kosten zal sprake zijn van fl. 1.868,= zodat per saldo in beginsel fl. 29.692,=, extra beschikbaar zal zijn voor crediteuren.

In het kader van het op 25 september 2000 aangenomen akkoord zal naast het reeds gespaarde bedrag voor crediteuren beschikbaar komen fl. 17.500,=. De rechtbank acht dit verschil, ook rekening houden met alle ongewisheden, voorshands te groot, tenzij de betreffende crediteuren die voor hebben gestemd op de hoogte waren van genoemd verschil en niettemin ervoor gekozen hebben thans met het akkoordvoorstel in te stemmen.

Ter zitting hebben saniet en haar partner desgevraagd medegedeeld dat voorzover hen bekend door de bewindvoerder aan alle crediteuren inzicht is verschaft in de diverse mogelijkheden, inclusief de mogelijke omvang van de boedel rekening bij het doorlopen van de schuldsanering.

Navraag bij de bewindvoerder heeft de rechtbank echter geleerd dat aan dergelijke toelichting door de bewindvoerder uitsluitend aan die crediteuren is gegeven die daar uitdrukkelijk (telefonisch) om hebben verzocht nadat zij een concept volmacht en tekstvoorstel aangaande het akkoord hadden ontvangen.

Op verzoek van de rechtbank heeft de bewindvoerder zich er vervolgens van vergewist hoe de crediteuren die haar hebben gemachtigd tot voorstemmen oordelen met wetenschap van bovenstaand verschil, en wel door het aan genoemde crediteuren richten van een schrijven waarin een nadere toelichting is opgenomen (welk schrijven in afschrift aan dit vonnis zal worden gehecht).

Bij schrijven van de bewindvoerder van 6 november jl. heeft de bewindvoerder originele reacties van 6 crediteuren aan de rechtbank toegezonden. De preferente crediteur en vier concurrente crediteuren hebben laten weten dat na kennisname van de nieuwe informatie hun instemming ongewijzigd blijft. Een concurrente crediteur heeft laten weten dat hij zijn instemming intrekt. Drie concurrente crediteuren hebben derhalve niet gereageerd.

De rechtbank stelt vast dat niet alle 'voorstemmers' hebben vastgehouden aan de eerder gegeven machtiging. De rechtbank stelt voorts vast dat degene die geen machtiging hebben afgegeven niet middels het eerdere schrijven van de bewindvoerder (in het kader van het aangeboden akkoord) hebben kunnen kennisnemen van het verschil tussen het voortzetten van de saneringsregeling enerzijds en het aannemen van het akkoord anderzijds, hetgeen hun keuze al dan niet ter vergadering te verschijnen kan hebben beïnvloed. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat door de bewindvoerder op 25 oktober 2000 aan crediteuren verzonden brief onvoldoende te lijkt aan te geven dat reeds fl. 7.344,67 gespaard is. Gegeven het voorgaande en gegeven het grote verschil als door de rechtbank geconstateerd aangaande het mogelijk gespaarde bedrag enerzijds en het aangeboden akkoord anderzijds zal de rechtbank het akkoord niet homologeren aanmerkelijk overschrijden en onvoldoende is komen vast te staan dat de crediteuren, waaronder zij die hebben voorgestemd, dit ten tijde van de stemming hebben geweten.

Hieraan doet niet af dat de rechtbank geen reden heeft om aan te nemen dat bij saniet (en haar partner) en/of bij de bewindvoerder op zich de bedoeling zou hebben voorgestaan crediteuren onvolledig en/of onjuist te informeren dan wel te benadelen. De rechtbank tekent hierbij aan dat haars inziens het in beginsel niet aan de bewindvoerder is om een akkoord voor te bereiden, gezien haar adviespositie ook richting crediteuren, zodat het toch verrichten van werkzaamheden terzake van een akkoord niet anders kan worden geduid dan als voortvloeiend uit de wens saniet behulpzaam te zijn. Dit overigens zonder zekerheid daarvoor enige beloning zou ontvangen (hoewel de rechtbank zulks op zich beschouwd niet onredelijk zou hebben gevonden indien het akkoord zou zijn gehomologeerd). Nu de homologatie zal worden geweigerd zal de rechtbank bepalen dat de schuldsanering zal worden voortgezet, dit gezien het advies van de rechter-commissaris. Voorts zal het saneringsplan worden vastgesteld conform het aan proces-verbaal van de verificatievergadering gehechte ontwerp, zij het dat ten aanzien van punt 4 zal worden bepaald "thans alleenstaande zonder gemeentelijke toeslagen".

Ten overvloede wijst de rechtbank er tenslotte op dat saniet, nu de schuldsanering onverkort voortduurt zonder meer in ieder geval de mogelijkheid heeft conform artikel 329 lid 3 Fw een nieuw akkoordvoorstel te doen aan haar crediteuren en aan de rechter-commissaris te verzoeken een crediteurenvergadering in de zin van artikel 348 Fw te beleggen teneinde over een nieuw voorstel te laten stemmen.

Beslissing:

De rechtbank:

weigert de homologatie van het op 25 september 2000 aangenomen akkoord;

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet;

stelt het saneringsplan vast overeenkomstig hetgeen is opgenomen in het proces-verbaal van de verificatievergadering met de aanpassing van onderdeel 4 door in plaats van "alleenstaande" op te nemen "thans alleenstaande zonder gemeentelijke toeslagen, in welk saneringsplan de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht zal zijn is gesteld op 3 jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve tot 18 oktober 2002.

Gedaan door mr. R.R.M. de Moor, lid van de eerste enkelvoudige kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2000 in tegenwoordigheid van T.G.M. Schelle, griffier.