Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AB1829

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2000
Datum publicatie
29-05-2001
Zaaknummer
AWB 99/3407 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 99/3407 AW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

drs. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde mr. J.Th.M. van Doesum.

I. PROCESVERLOOP

Bij brieven van 10 april, respectievelijk 24 juni 1997 heeft eiser verweerder verzocht om hem weer in te schakelen bij de bestrijding van de varkenspest en afspraken te maken over een gegarandeerd aantal uren inzet respectievelijk hem een vergoeding te verstrekken wegens inkomstenderving doordat hij gedurende 11 weken niet is ingezet.

Bij besluit van 12 december 1997 is het verzoek om een vergoeding wegens inkomstenderving afgewezen.

Bij brief van 13 januari 1998 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

Bij besluit van 9 februari 1998 is bepaald dat eiser geen recht heeft op een aanstelling voor een gegarandeerd aantal uren per week.

Bij brief van 18 maart 1998 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 12 mei 1998 zijn namens verweerder de eerdere standpunten herhaald. Tegen deze brief heeft eiser eveneens bezwaar gemaakt, welk bezwaar namens verweerder bij besluit van 20 april 1999 ongegrond is verklaard onder handhaving van het eerder ingenomen standpunt.

Op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden heeft eiser tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 augustus 1999 heeft eiser op het verweerschrift gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 oktober 2000, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is, gelet op eisers mededeling ter zitting dat hij zijn beroep slechts wenst te handhaven voorzover het is gericht tegen de afwijzing van de vergoeding van gederfde inkomsten, de vraag aan de orde of het bestreden besluit in zoverre in rechte stand kan houden.

De rechtbank stelt voorop dat zij, in tegenstelling tot hetgeen namens verweerder hieromtrent is gesteld, het schrijven van 12 mei 1998 beschouwt als een nadere motivering van het besluit van 12 december 1997. Er is derhalve geen sprake van een wijziging van het besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Dientengevolge merkt de rechtbank het schrijven van 12 december 1997 aan als het primaire besluit.

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser is bij besluit van 13 november 1985 met ingang van 1 mei 1985 aangesteld als plaatsvervangend inspecteur in tijdelijke dienst voor onbepaalde tijd bij de voorganger van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: RVV), waarbij hij op afroep werkzaamheden diende te verrichten. Blijkens het Besluit beloning plaatsvervangend inspecteurs d.d. 22 november 1972 wordt plaatsvervangend inspecteurs een uurbeloning toegekend op basis van het maximum van schaal 151 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 (=schaal 15 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984).

Sinds zijn aanstelling heeft eiser werkzaamheden verricht voor verweerder. Bij de varkenspestepidemie in 1984/1985 is eiser gedurende de gehele epidemie ingezet ten behoeve van de bestrijding daarvan. Begin 1997 brak een nieuwe varkenspestepidemie uit. Verweerder had een dringende behoefte aan dierenartsen en riep zelfs dierenartsen uit het buitenland op. Ook eiser werd direct bij het begin van de epidemie opgeroepen. Met een daartoe door verweerders ministerie verstrekt legitimatiebewijs kon hij dagelijks werkopdrachten halen, en heeft hij zulks tot 21 februari 1997 feitelijk ook gedaan. Voor het werk in zijn eigen praktijk had eiser een regeling getroffen met zijn medewerkster voor de vrijdag.

In de week van 21 februari 1997 is eiser in conflict gekomen met de [coördinator], de coördinator levende keuring RVV, waarna eiser werd weggestuurd met de woorden dat hij niet meer welkom was op het crisiscentrum. In een intern schrijven van 1 maart 1997 heeft de coördinator aangegeven welke redenen hieraan voor hem ten grondslag lagen.

Op basis van deze berichtgeving is namens verweerder besloten eiser niet langer in te schakelen bij de bestrijding van de varkenspestepidemie, welk besluit op 27 maart 1997 aan eiser is bekendgemaakt.

Op 14 en 15 mei 1997 heeft eiser met de directeur RVV gesproken. Bij schrijven van 16 mei 1997 is eiser het voorstel gedaan de brieven van 1 en 27 maart 1997 als niet geschreven te beschouwen en hem weer op te roepen. Deze brief is door beide partijen voor akkoord getekend.

Eiser heeft vanaf 22 februari 1997 tot en met 16 mei 1997 geen werkzaamheden verricht in het kader van de varkenspestbestrijding. In deze periode was wel voldoende werk voorhanden en was eiser ook beschikbaar voor dat werk. Blijkens het advies van de commissie voor bezwaar-en beroepschriften heeft de commissie het ook aannemelijk geacht dat eiser, indien het incident zich niet had voorgedaan, zou zijn ingezet.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, voorzover betrekking hebbend op de afwijzing van de vergoeding van gederfde inkomsten, het navolgende ten grondslag gelegd.

Eiser werkte als plaatsvervangend inspecteur op afroep. Het niet inzetten van eiser was het gevolg van een conflict tussen de coördinator levende keuring en eiser. Gelet op de ontstane situatie was het niet onredelijk om eiser (voorlopig) niet meer in te zetten. Derhalve ontbreekt aan het handelen van verweerder de voor schadevergoeding vereiste onrechtmatigheid. Verweerder heeft dan ook in recht en redelijkheid kunnen besluiten de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren.

Eiser heeft tegen dit besluit het navolgende aangevoerd.

De beslissing om eiser niet meer in te schakelen tijdens de varkenspestepidemie in 1997 is enkel gebaseerd op het rapport van [coördinator]. Deze rapportage is nadien ingetrokken en verweerder heeft daarmee erkend dat er sprake is van laakbaar gedrag van [coördinator] en dat eiser in deze geen enkel verwijt valt te maken.

Daarbij zou eiser, indien het conflict niet had plaatsgevonden, gewoon zijn werkzaamheden voor de RVV hebben verricht. Doordat verweerder niet direct en doeltreffend heeft gereageerd op de brieven van eiser, is eiser gedurende 12 weken niet opgeroepen en is hij inkomsten misgelopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat, aangezien de Awb geen materiële criteria bevat ter bepaling van schade en voor beantwoording van de vraag of schade voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het burgerrechtelijke schadevergoedingsrecht.

Ingevolge artikel 6:162, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Op grond van artikel 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Gelet op deze bepalingen is de vraag aan de orde of verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door eiser in de week van 21 februari 1997 weg te sturen van zijn werk en hem niet meer op te roepen voor de bestrijding van de varkenspest.

Bij de beantwoording van deze vraag is van belang dat de aanstelling van eiser het karakter had van een nul-urenaanstelling. Dit betekent dat eiser hieraan geen recht op werk kon ontlenen. In februari 1997 was echter sprake van feiten en omstandigheden waardoor eiser naar het oordeel van de rechtbank wel recht had op tewerkstelling.

In dit kader wijst de rechtbank erop dat eiser gedurende de gehele varkenspestepidemie in de jaren 1984/1985 is ingezet bij de bestrijding daarvan. In 1997 bestond een grote behoefte aan dierenartsen die konden meewerken aan de bestrijding van de toenmalige varkenspestepidemie. Eiser werd bij het begin van de varkenspestepidemie opgeroepen. Er werd hem een legitimatiepas verstrekt waarmee hij dagelijks werk kon halen. Met behulp van deze pas heeft hij daadwerkelijk werkzaamheden verricht totdat hij werd weggestuurd. Teneinde deze werkzaamheden te kunnen verrichten heeft eiser vervanging geregeld ten behoeve van het werk in zijn eigen dierenartspraktijk.

Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden mocht eiser er naar het oordeel van de rechtbank op vertrouwen dat verweerder hem in het kader van de bestrijding van de toenmalige varkenspestepidemie te werk zou blijven stellen zolang er voldoende werk voorhanden was. In verband hiermee stond het verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet vrij om eiser weg te sturen en niet meer op te roepen. Als verweerder eiser niet langer wilde inzetten voor de varkenspestbestrijding, lag het op zijn weg om eiser te schorsen of te ontslaan uit de betrokken werkzaamheden.

De rechtbank overweegt voorts dat de beslissing van de coördinator levende keuring in de week van 21 februari 1997 om eiser weg te sturen en mee te delen dat hij niet meer welkom was, het karakter had van een schorsing. Schorsing mag echter alleen plaatsvinden door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in het ambt waarin wordt geschorst. In verband hiermee was de coördinator levende keuring niet bevoegd om eiser te schorsen. Reeds hierom acht de rechtbank de schorsing onrechtmatig.

Bij brief van 27 maart 1997 is namens verweerder medegedeeld eiser niet meer in te schakelen bij de bestrijding van de varkenspest. De rechtbank merkt deze brief aan als een ontslag uit de betrokken werkzaamheden. Verweerder heeft hierbij echter in het geheel niet de waarborgen in acht genomen die gelden bij het nemen van een ontslagbesluit. Bovendien blijkt uit de brief van 16 mei 1997 dat verweerder zowel de brief die de aanleiding vormde voor het ontslagbesluit als dat besluit zelf bij nader inzien als niet geschreven heeft beschouwd.

Uit het vorenstaande volgt dat het ontslagbesluit onrechtmatig is.

Gelet op het voorgaande is verweerder sinds de week van 21 februari 1997 verplicht gebleven om eiser zo mogelijk te werk te stellen bij de bestrijding van de varkenspest. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig gehandeld door niet aan deze verplichting te voldoen.

De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat hij als gevolg van deze onrechtmatige daad gedurende 12 weken inkomstenderving heeft geleden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in deze periode genoeg werk voorhanden was om eiser te werk te stellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de geleden inkomstenderving verweerder als gevolg van de onrechtmatige daad kan worden toegerekend.

Op grond van artikel 6:162, eerste lid, juncto 6:98 BW is verweerder verplicht de vorenbedoelde schade te vergoeden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit miskend. Het bestreden besluit moet derhalve - onder gegrondverklaring van het beroep - worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb, aangezien niet is gebleken van kosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Wel zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden het door eiser gestorte griffierecht aan hem dient te vergoeden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voorzover aangevochten;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

gelast de Staat der Nederlanden aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mr. J.W. Brunt, mr. T.W.J. de Ruiter-Phaff en mr. D.J. Hutten als rechters in tegenwoordigheid van mr. F.M.S. Broekmeulen-Requisizione als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2000

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden:

JK