Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AB1084

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
57062 JE RK 00-1038
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Zaaknummer: 57062 / JE RK 00-1038

ONDERTOEZICHTSTELLING

Beschikking van de kinderrechter in de arrondissementsrechtbank te

's-Hertogenbosch, gegeven met betrekking tot de minderjarigen:

(naam), geboren te (geboorteplaats), op (geboortedatum),

(naam), geboren te (geboorteplaats), op (geboortedatum),

kinderen van:

(de vader) en (de moeder),

rechtens wonende te (adres).

1. Het verzoek.

Op 27 september 2000 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging

's-Hertogenbosch, strekkende tot ondertoezichtstelling van bovengenoemde minderjarigen.

2. Het verloop van de procedure.

Op 2 november 2000 heeft de kinderrechter het verzoekschrift ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord verzoeker,

de vader en de moeder, bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, alsmede een vertegenwoordiger van de Stichting Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven.

Van de behandeling ter terechtzitting is proces-verbaal opgemaakt.

3. De beoordeling.

Ter beoordeling staat of de zedelijke of geestelijke belangen van de betrokken kinderen ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging naar te voorzien is zullen falen, nu de ouders hun kinderen niet laten deelnemen aan het regulier basisonderwijs.

De ouders hebben kort gezegd doen aanvoeren, dat zij daartoe in hun ogen het volste recht hebben en dat zij handelen in overeenstemming met de Leerplichtwet 1969. Zij hebben immers netjes aan B. en W. van hun woonplaats kennisgeving gedaan, dat zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van hun woning gelegen scholen overwegend bezwaar hebben. Door die kennisgeving, zo stellen zij, hebben zij van rechtswege vrijstelling van de inschrijving van hun kinderen als leerlingen van een school (art. 5 aanhef en onder b juncto art. 6 van de Leerplichtwet 1969).

Zij voelen zich in deze opvatting gesteund en beroepen zich ook nadrukkelijk op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 1999 nr. H01.98.0231 gepubliceerd in Jurisprudentie Onderwijswetten 2000 nr. 4 pg. 91) waarin de Afdeling bevestigt dat B. en W. van een gemeente, door zich op het standpunt te stellen dat een ouder geen aanspraak op vrijstelling kan maken, als uit de kennisgeving of na onderzoek blijkt dat zijn bezwaren niet de richting maar de aard en de methoden van het schoolonderwijs betreffen, miskennen, dat het bestaan van de vrijstelling waarop appellant zich heeft beroepen rechtstreeks uit artikel 5 van de wet voortvloeit en dat zij niet bevoegd zijn om terzake van het verzoek van appellant enigerlei beslissing te nemen. Zij hebben de kennisgeving maar te accepteren en kunnen verder als bestuursorgaan geen vragen stellen.

Naar het oordeel van de kinderrechter betekent dit evenwel niet dat er, zoals de ouders en hun raadsman betogen, in het geheel geen inhoudelijke toets aan die bezwaren zou kunnen worden aangelegd. In casu heeft de leerplichtambtenaar proces verbaal opgemaakt van een vermoeden van onrechtmatig schoolverzuim. De Hoge Raad heeft in meerdere strafrechtelijke arresten die zijn gewezen naar aanleiding van zo'n proces verbaal geoordeeld, dat de strafrechter wel degelijk mag nagaan of, kort gezegd, de ouders een rechtens te honoreren, een "echt" bezwaar hebben tegen de richting van het onderwijs of dat hun bezwaar veel meer aard en inrichting van het onderwijs betreffen of nog andere aspecten. Indien het bezwaar redelijkerwijs niet als bezwaar tegen de richting van het onderwijs is te beschouwen, zo is de redenering, dan zijn zij ook niet vrijgesteld van de verplichting tot inschrijving, ook al hebben ze de mededeling aan B. en W. formeel correct gedaan. En als ze niet vrijgesteld zijn, moeten ze hun kinderen inschrijven en zijn ze strafbaar ingevolge de Leerplichtwet 1969 als ze dat niet doen. De mededeling aan B. en W. is dus niet constitutief voor de rechtmatigheid van hun bezwaar, maar staat er slechts aan in de weg, dat B. en W. handhavingmaatregelen kunnen treffen uit hoofde van het oordeel dat de bezwaren ongegrond zijn. Dit stelsel is begrijpelijk, omdat het niet aangaat dat

B. en W., als verantwoordelijken voor de taak om in hun gemeente in voldoende mate in onderwijs te voorzien van de nodige richtingen, rechter in eigen zaak zouden worden indien zij inhoudelijk zouden mogen toetsen of een door een ouder voorgestane richting wel "serieus" is te nemen. Daarvoor is de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van onderwijs immers een te groot goed.

Blijkens een tweetal met elkaar overeenstemmende arresten van de Hoge Raad (HR 19 oktober 1980 en 3 november 2000) is het echter wel duidelijk een taak van de strafrechter om te toetsen of er in geval de kennisgeving gedaan is, al dan niet sprake is van een overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs in de zin van het artikel 5 Leerplichtwet of dat er iets anders aan de hand is.

Bovendien kan de kinderrechter, met inachtneming van de in Nederland hoog in het vaandel geschreven vrijheid van onderwijs, krachtens het verdrag voor de rechten van het kind bij beoordeling van de vraag of ouders terecht een beroep doen op de vrijstellingsregeling uit de leerplichtwet, mede het belang van het kind in zijn oordeel betrekken. Daarvoor is temeer reden als het uit strafrechtelijk oogpunt twijfelachtig is of de ouders wel vrijuit gaan. Het minste wat men nu kan stellen is dat het jongste arrest van de Hoge Raad, waar naar het lijkt exact dezelfde argumenten werden gewisseld als thans, die twijfel in ernstige mate doet rijzen.

Welnu, naar het oordeel van de kinderrechter behoren leerplichtige kinderen naar school te gaan en is dat ten zeerste in hun belang. Deze norm moet gehandhaafd worden. Voorts oordeelt de kinderrechter in het voetspoor van de Hoge Raad en op grond van de in het jongste arrest aangevoerde redenen dat er een gegrond vermoeden is, dat de ouders in casu de Leerplichtwet 1969 overtreden.

De vraag is alleen of naast de bestaande strafrechtelijke sancties er in zo'n geval reden is voor een kinderbeschermingsmaatregel. Dit hangt af van de ernst van de omstandigheden en de inschatting van de omvang van de schade die het kind oploopt. Beide ouders zijn behoorlijk opgeleide en ontwikkelde mensen die zeggen het beste met hun kinderen voor te hebben en wel degelijk aandacht te besteden aan hun vorming en ontwikkeling en met name ook aan hun sociale contacten. Moeder is daarvoor in grote mate beschikbaar.

Voorts is het mogelijk, dat de ouders -gegeven de recente rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij blijkens de publicatie in het Nederlands Juristenblad dezelfde raadsman was betrokken als die hen ter zitting bijstond - eieren voor hun geld kiezen en zich alsnog onderwerpen aan de leerplichtwetgeving. In dit verband is het overigens betreurenswaardig en doet het ook afbreuk aan de eerlijkheid van het debat ter zitting dat de kinderrechter achteraf niet anders kon concluderen dan dat hem opzettelijk uiterst relevante, ten tijde van de zitting reeds aan de raadsman bekende informatie werd onthouden, die mogelijk doorslaggevend zou zijn geweest voor de behandeling van de zaak. Het is de kinderrechter ook niet bekend of de ouders toen al van deze voor hen toch zeer relevante uitspraak op de hoogte waren.

Samengevat:

a. naar de overtuiging van de kinderrechter staat zo goed als vast dat de ouders de Nederlandse leerplichtwetgeving overtreden. Vroeger of later zal dit tot hun veroordeling leiden en gegeven het feit, dat het vier zeer jonge kinderen betreft waarvan er thans twee voor leerplicht in beeld komen is hier sprake van een ernstige conflictsituatie met de overheid, die de belangen van de kinderen bedreigt.

b. De houding van de ouders tegenover deze zeer recente ontwikkeling is niet geheel duidelijk. Ook de Raad voor de Kinderbescherming heeft hier nog geen kennis van kunnen nemen. Voorts is het nog niet tot een onderzoek door de raad kunnen komen vanwege het standpunt van de ouders, dat de raad niets bij hen te zoeken heeft, omdat er van enige overtreding van regels geen sprake zou zijn. Dat standpunt is thans niet meer te handhaven.

c. De vraag is echter wel of een maatregel van ondertoezichtstelling in een geval als het onderhavige wel geëigend is. Zouden de ouders in hun weigering hun kinderen te laten deelnemen aan het reguliere basisonderwijs volharden, dan is er weliswaar sprake van een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, maar is het zeer de vraag of een ondertoezichtstelling iets kan bewerkstelligen. Veeleer valt dan te denken aan de mogelijkheid en noodzaak de ouders te ontzetten uit het gezag teneinde een impasse rond schoolgang van de kinderen te doorbreken.

Dit alles vraagt nader onderzoek van de Raad, waartoe de kinderrechter de zaak voor een termijn van drie maanden zal aanhouden. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat alle partijen met het oog op de belangen van de betrokken kinderen tenminste tot een rationeel overleg komen en tot een behoorlijke afweging van de meest geëigende maatregelen, om wat zich thans als een maatschappelijk conflict presenteert, in het belang van de kinderen in ieder geval op een fatsoenlijke wijze te bejegenen en hierover een open discussie aan te gaan.

Daarbij wil de kinderrechter nog opmerken, dat in een zaak als deze er een hoge urgentie is om het conflict tot een oplossing te brengen. Elke vorm van traineren of vooruitschuiven van beslissingen is onder alle omstandigheden in strijd te achten met de belangen van de betrokken kinderen. Ook van de ouders en hun raadsman mag in dit opzicht een actief participerende houding worden verwacht. Zou deze al aanstonds blijken te ontbreken dan heeft vervolgonderzoek weinig zin en zou de zaak ten verzoek van de raad weer ten spoedigste op zitting moeten worden gebracht.

Daarom moet worden geoordeeld als volgt.

4. De beslissing.

De kinderrechter:

draagt de Raad voor de Kinderbescherming op nader onderzoek te doen naar de bereidheid van de ouders te voldoen aan de verplichtingen die de Leerplichtwet 1969 hen oplegt, dan wel in het ontkennende geval die maatregelen te onderzoeken en voor te stellen, die er toe kunnen leiden dat het onrechtmatig te achten schoolverzuim van hun leerplichtige kinderen een einde neemt;

houdt daartoe de behandeling van het verzoek aan tot de zitting van de kinderrechter van 1 maart 2001 te 9.30 uur met opdracht aan de raad uiterlijk 7 dagen daaraan voorafgaand omtrent zijn bevindingen te rapporteren zulks tenzij de raad op bovenvermelde gronden om vervroegde behandeling verzoekt.

Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. F.A. van der Reijt, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 november 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.