Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AA9500

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/4539 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 99/4539 WAO

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sint-Michielsgestel, eiser,

gemachtigde mr. A.G. Kerkhof,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder,

in dezen vertegenwoordigd door Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs B.V.,

gemachtigde mr. K. van de Wal.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 30 maart 1998 heeft verweerder met ingang van 16 februari 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend aan mevrouw [werknemer] (verder te noemen: de werknemer), berekend naar een arbeids- ongeschiktheidspercentage van 15 - 25%.

Het namens eiseres tegen dit besluit bij brief van 8 mei 1998 ingediende bezwaar, nader gemotiveerd bij brief van 29 juli 1998, is door verweerder bij besluit van 6 mei 1999 ongegrond verklaard.

Op de daartoe in het aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden heeft eiseres tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en het arbeidsongeschiktheidspercentage van de uitkering van haar werknemer te verhogen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft verweerder nog nadere medische stukken ingediend waar namens eiseres op is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 maart 2000, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde. Tevens verscheen het hoofd van de stafafdeling van eiseres. Verweerder is, daartoe opgeroepen, eveneens verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 6 mei 1999 in rechte stand kan houden.

Bij de beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De werknemer is vanaf 1 juli 1996 bij eiseres werkzaam als [functie] in een full-time dienstverband. Op 17 februari 1997 heeft zij haar werkzaamheden gestaakt wegens een storing in haar ijzerstofwisseling. Per 1 september 1997 is de werknemer minder uren gaan werken in die zin dat de omvang van het dienstverband is teruggebracht naar 28,8 uren.

Na medisch en arbeidskundig onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat de werknemer in staat is om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten waaronder haar eigen functie voor 30 klokuren per week. Haar arbeidsongeschiktheidsklasse is per 16 februari 1998 vastgesteld op 15 - 25%. Verweerder heeft dit bij besluit van 30 maart 1998 bekend gemaakt en van dit besluit een kopie aan eiseres gestuurd.

Nadat eiseres op 8 mei 1998 een bezwaarschrift heeft ingediend bij verweerder, heeft verweerder de werknemer hiervan op de hoogte gesteld bij brief van 3 juli 1998 en haar tevens gevraagd of zij toestemming wil geven om eiseres inzage te verlenen van alle op de zaak betrekking hebbende medische gegevens die geleid hebben tot de bestreden beslissing. De werknemer heeft de door eiseres gevraagde toestemming tot kennisname geweigerd.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 29 september 1998 uitgenodigd voor een hoorzitting. Hij heeft tevens de niet-medische gegevens meegezonden en eiseres laten weten dat de medische gegevens enkel kunnen worden toegezonden aan een arts-gemachtigde.

Eiseres heeft vervolgens geen arts-gemachtigde benoemd.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit aangegeven dat hij zich conformeert aan het oordeel van de bezwaar-verzekeringsarts de heer J.W. Heijltjes, die heeft opgemerkt dat er sprake is van een energetische beperking op grond waarvan een urenreductie per dag tot 6 uur verdedigbaar is. Voor een beperking in het aantal dagen per week is medisch gezien geen noodzaak, aldus verweerder.

Eiseres voert daartegen aan dat de werknemer niet in staat is om 5 dagen van 6 uur te werken. Zij is slechts in staat 4 dagen achter elkaar te werken. Bovendien kan zij geen volledige dagen werken. Eiseres verwijst daarbij naar de brief van de bedrijfsarts, de heer P. Melief, van 2 juli 1999 waarin wordt aangegeven dat de werknemer om gezondheidsredenen niet meer kan werken dan 75% van 4 dagen. Eiseres geeft daarbij aan dat het niet juist is uit te gaan van de voltijdse betrekking omdat betrokkene per 1 september 1997 minder uren is gaan werken in dezelfde functie maar in een nieuw dienstverband. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage is uitgegaan van een onjuiste bezoldigingssituatie.

Verder stelt eiseres dat de WAO-uitkering aan haar betaald dient te worden en niet aan de werknemer.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 januari 1998 is de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Stb. 1997, 175; de wet Pemba) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is het belangebbende begrip van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing geworden op WAO-besluiten. Ingevolge artikel 88 van de WAO wordt voor de toepassing van hoofdstuk VII, paragraaf 2, onder werkgever verstaan de belanghebbende bij een medisch besluit die niet de werknemer is. Eiseres is eigen risico-drager. Daardoor heeft een besluit dat handelt over de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer direct financiële gevolgen voor eiseres.

Voor wat betreft de grief van eiseres dat verweerder ten onrechte het full-time dienstverband van de werknemer in aanmerking heeft genomen bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidsperentage oordeelt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WAO is geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, geheel of gedeeltelijk niet in staat is om het arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

In artikel 19 van de WAO is vervolgens bepaald dat de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Als eerste dag van arbeids-ongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.

De werknemer heeft op 17 februari 1997 haar werkzaamheden gestaakt terwijl zij op dat moment full-time werkzaam was in haar functie van [functie]. Gezien bovengenoemde artikelen is het deze functie in deze omvang die in ogenschouw dient te worden genomen bij de beoordeling van de aanvraag van de WAO-uitkering van de werknemer. Het feit dat de werknemer op 1 september 1997 minder uren is gaan werken doet hier niet aan af.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken in de zin van de AAW en de WAO dient te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman of maatvrouw.

Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is twee factoren van belang zijn, te weten:

- of de betrokkene medische beperkingen heeft;

- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met daarvoor in aanmerking komende arbeid een inkomen te verwerven.

Uit de gedingstukken en dan met name uit het rapport van de verzekeringsarts W. Voets van 12 februari 1998, en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. W. Heijltjes van 22 december 1998, is gebleken dat de werknemer ongeveer 75% inzetbaar is in eigen en ander werk, dat wil zeggen voor ongeveer 6 uur per dag. Uit eerstgenoemd rapport blijkt met zoveel woorden dat de werknemer het hier mee eens is. In hetgeen door verweerder is aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de werknemer niet in staat zou zijn 6 uur per dag te werken of om 5 dagen per week te werken. Dit betekend dat de conclusie getrokken kan worden dat de werknemer 30 uur per week kan werken, namelijk 5 dagen van 6 uur. Ook overigens gaat de rechtbank er vanuit dat ten aanzien van de werknemer de juiste medische beperkingen tot het verrichten van arbeid in aanmerking zijn genomen.

Met inachtneming van deze medische beperkingen moet de werknemer naar het oordeel van de rechtbank op de datum in geding in staat worden geacht haar eigen werkzaamheden te verrichten gedurende 30 uur per week. Of de werknemer in staat moet worden geacht andere dan haar eigen werkzaamheden te verrichten is niet onderzocht. In het rapport van de arbeidsdeskundige G. Akkerman van 26 februari 1998 is aangegeven dat voor de bepaling van de loonwaarde het FIS-systeem niet geraadpleegd is, maar uitgegaan wordt van het inkomen uit de eigen functie. Ter zitting heeft verweerder dit verduidelijkt door aan te geven dat het FIS is opgebouwd uit functies in het bedrijfsleven en daardoor niet goed bruikbaar in de voorliggende situatie, waar sprake is van een ambtelijk inkomen.

Diengaande overweegt de rechtbank dat op grond van de artikelen 3, tweede lid, aanhef en onder a en artikel 4 -primair- dient te worden uitgegaan van die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee de werknemer het meest kan verdienen. Die arbeid dient nader te worden omschreven in de vorm van tenminste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen kan worden verworven. Gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h, van het Schattingsbesluit wordt slechts uitgegaan van de feitelijke inkomsten uit arbeid, indien dit -voor zover hier van belang- leidt tot een lagere mate van arbeids- ongeschiktheid.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder had moeten onderzoeken of de werknemer in staat was andere functies te verrichten die tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid zouden leiden. Nu verweerder dit heeft nagelaten acht de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in strijd met het Schattingsbesluit. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit - onder gegrondverklaring van het beroep - moet worden vernietigd.

De rechtbank overweegt voorts dat een juiste toepassing van het Schattingsbesluit niet tot het door eiseres gewenste resultaat, te weten een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage, had kunnen leiden. In verband hiermee ziet de rechtbank aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

In dit kader overweegt de rechtbank dat vergelijking van het maatmaninkomen en de feitelijke inkomsten van de werknemer tot de conclusie leidt dat sprake is van een verlies aan verdienvermogen van ongeveer 20%. De door eiseres genoemde bezoldigingsbedragen leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere conclusie. Uitgaande van de feitelijke inkomsten van de werknemer is zij derhalve terecht ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat zij voorbij gaat aan de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet aan de werknemer, maar aan eiseres had moeten worden uitbetaald. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij niet bevoegd is te oordelen over de feitelijke tenuitvoerlegging van een besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De feitelijke tenuitvoerlegging kan immers niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ¦ 1775,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een beroepschrift;

* 1/2 punt voor het dienen van repliek;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting waarde per punt ¦ 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1775,-, te vergoeden door het Landelijk instituut sociale verzekeringen;

gelast het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als voorzitter en mrs. P.A.M. Penders en D.J. Hutten als rechters van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. M.G.P.A. Burghoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 9 juni 2000

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden:

AG