Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AA9086

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/035141-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/035141-00

Uitspraakdatum: 20 december 2000

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [in 1977]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring II te Vught.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

6 december 2000.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 oktober 2000.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Vrijspraak en de bewezenverklaring.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daarbij overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn gevecht met [medeverdachte] zijn vuurwapen heeft getrokken in reactie op het trekken van een vuurwapen door [medeverdachte 2] en ter afschrikking van die [medeverdachte]. [medeverdachte 2] verklaart op zijn beurt echter, in latere verhoren, dat verdachte als eerste zijn vuurwapen trok, dit op [medeverdachte 2] en hem richtte en dat het zeker de bedoeling was van verdachte hem/hen dood te schieten.

De rechtbank acht evenwel onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden dat de lezing van [medeverdachte 2] de juiste is. [medeverdachte] verklaart namelijk in zijn eerste verklaring alleen dat hij verdachte een wapen zag pakken maar niet dat verdachte dit op hem zou hebben gericht. Pas nadat [medeverdachte] geconfronteerd is met de afwijkende verklaringen van [medeverdachte 2] begint [medeverdachte] gelijkluidend te verklaren, maar de rechtbank acht deze latere verklaringen minder geloofwaardig. Ook de eveneens aanwezige getuige [getuige] spreekt in het geheel niet over het pakken en richten van een wapen door verdachte. [medeverdachte 2] verklaart bovendien zelf in zijn eerste verklaring (p.81 van het doorgenummerde proces-verbaal) dat verdachte tijdens het gevecht met [medeverdachte] achter zijn jas, ter hoogte van zijn broeksriem begon te graaien, dat de jas van verdachte openviel en dat [medeverdachte 2] toen een vuurwapen achter zijn broeksband zag zitten, dat [medeverdachte 2] toen in zijn woorden verschoot en kwaad werd, dat [medeverdachte 2] daarop tegen [medeverdachte] riep 'hij heeft een blaffer, pas op, wegwezen' en onmiddellijk daarop zijn eigen revolver pakte, [getuige] met dat wapen op de grond dwong en eerst daarna zag dat verdachte zijn wapen in de richting van [medeverdachte] en hemzelf bracht.

De rechtbank acht gezien deze verklaring van [medeverdachte 2] niet onaannemelijk en in elk geval niet uit te sluiten dat het gebruik van het wapen door verdachte in hoge mate een reactie op het vuurwapengebruik van [medeverdachte 2] is geweest en inderdaad enkel ter afdreiging geschiedde. Dit laat evenwel onverlet dat verdachte het vuurwapengebruik door [medeverdachte 2] mede zelf heeft uitgelokt door een wapen mee te nemen. Het gebruik van zijn vuurwapen ter afdreiging door verdachte zoals subsidiair ten laste gelegd is dan ook, zeker nu verdachte het tweegevecht met [medeverdachte] gezocht heeft, een ernstig en strafwaardig feit.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstan-digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat uit de processtukken blijkt dat verdachte een vuurwapen, pistool merk CZ/100, en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Een dergelijke vuurwapen valt in beginsel onder de categorie III in de zin van de Wet Wapens en Munitie (WWM) voorzover deze niet valt onder de categorie II sub 2, 3 of 6 van de WWM . Nu niet blijkt dat een van die uitzonderingen van toepassing is en ook overigens niet is betwist dat sprake is van een vuurwapen van de IIIe categorie, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het een wapen van een dergelijke categorie betreft. Hetzelfde geldt de bij het vuurwapen behorende munitie, nu deze kennelijk geen categorie II munitie betreft en ook niet betwist is dat het om categorie III munitie gaat. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde:

Nu artikel 55 van de Wet wapens en munitie met ingang van 15 november 2000 is gewijzigd, dient de rechtbank na te gaan of -gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- de bepalingen van artikel 55 in hun huidige redactie van toepassing zijn te achten.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van voormelde wijziging van artikel 55 van de Wet wapens en munitie gesproken kan worden van een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het in artikel 26 van de Wet wapens en munitie strafbaar gestelde delict en dat mitsdien sprake is van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Mitsdien is de bepaling van artikel 55 (oud) van de Wet wapens en munitie de voor verdachte meest gunstige bepaling en zal die bepaling worden toegepast.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 91, 154 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

1, 2, 26, 55(oud), 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feiten 1 primair, 2 en 3 een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren geëist.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte heeft het initiatief tot het tweegevecht genomen door onder het uiten van ernstige bedreigingen aan het adres van [medeverdachte] deze [medeverdachte] te bewegen tot het aangaan van een tweegevecht;

- verdachte heeft, geheel tegen de door hem zelf gemaakte afspraak in, een vuurwapen meegenomen naar de plaats waar het tweegevecht zou plaatsvinden.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte is tijdens het voorval ernstig gewond geraakt;

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde strafbare feiten niet eerder tot straf veroordeeld;

- verdachte heeft voor de terechtzitting contact gezocht met [medeverdachte 2] om met hem over het voorval te praten en het bij te leggen.

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Met betrekking tot een deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de hierna te formuleren voorwaarde houdt. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

Nu de rechtbank een vrijheidsstraf zal opleggen, waarvan het onvoorwaardelijk tenuitvoer te leggen gedeelte meer dan zes maanden bedraagt, verwerpt de rechtbank het aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte.

DE UITSPRAAK

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschre-ven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

(artikel 285, lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 3

Tweegevecht

(artikel 154, lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

Een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden.

Beveelt dat een deel van deze gevangenisstraf te weten 3 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Heijning-Horst, voorzitter,

mr. Dellaert en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Selhorst, griffier

en is uitgesproken op 20 december 2000.

Tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tijdens een handgemeen met die van [slachtoffer 1] een geladen pistool heeft getrokken en/of dat pistool heeft doorgeladen en/of daarmee

heeft gericht op die van [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2], althans doende is geweest

dat pistool in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te brengen en/of

te richten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 287 / 302 jo. 45)

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend tijdens een handgemeen met die van [slachtoffer 1] een pistool ter hand genomen en/of dat pistool op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] gericht, althans in de

richting van die van [slachtoffer 1] en/of in de richting van die]slachtoffer 2] gehouden;

(Wetboek van Strafrecht artikel 285)

2.

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best tezamen en invereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een pistool, merk CZ/100, kaliber 9 mm., en/of munitie van categorie II

en/of III, te weten 6, althans een aantal patronen, kaliber 9 mm., voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(Wet wapens en munitie artikel 26)

3.

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best met [medeverdachte] een

tweegevecht heeft gehouden, althans is aangegaan, hebbende hij, verdachte,

zich, vergezeld van een getuige, begeven naar een vantevoren afgesproken

plaats en hebbende hij, verdachte, gevochten met die [medeverdachte], bestaande dat

vechten uit het over en weer slaan en/of stompen en/of stoten en/of vastpakken;

Artikel 154 Wetboek van Strafrecht

Bewezenverklaring.

1.

hij op 26 augustus 2000 te Best [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend

tijdens een handgemeen met die van [slachtoffer 1] een pistool ter hand genomen en/of

dat pistool in de richting van die van [slachtoffer 1] en/of in de richting van die ]slachtoffer 2] gehouden;

2.

hij op 26 augustus 2000 te Best een wapen van categorie III, te

weten een pistool, merk CZ/100, kaliber 9 mm., en munitie van categorie

III, te weten 6 patronen, kaliber 9 mm., voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 26 augustus 2000 te Best met [medeverdachte] een

tweegevecht heeft gehouden, hebbende hij, verdachte,

zich, vergezeld van een getuige, begeven naar een vantevoren afgesproken

plaats en hebbende hij, verdachte, gevochten met die [medeverdachte], bestaande dat

vechten uit het over en weer slaan en/of stompen en/of stoten en/of vastpakken;