Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:2000:AA9085

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/035215-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-HERTOGENBOSCH

Parketnummer: 01/035215/00

Uitspraakdatum: 20 december 2000

V E R K O R T V O N N I S

Verkort vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [geboorteplaats], [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2000.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 oktober 2000.

Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstan-digheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals is weergegeven op het in dit vonnis opgenomen afgestreepte afschrift van de dagvaarding.

De verdediging heeft terzake het onder 1 primair ten laste gelegde feit betoogd dat geen bewijs voorhanden is dat [het slachtoffer] door het gevecht enig letsel heeft bekomen.

Deze stelling wordt door de rechtbank verworpen. Uit de verklaring van verdachte zelf -p.92 van het doorgenummerde proces-verbaal- blijkt namelijk al dat [slachtoffer1] door de slagen van verdachte bloedde in zijn gezicht en derhalve letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht de onder feit 1 primair ten laste gelegde deelname aan een tweegevecht dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat verdachte tegenover de opsporingsambtenaren heeft verklaard dat hij voor het vertrek naar de plek waar verdachte met S. [medeverdachte] een tweegevecht zou houden van zijn zwager, [medeverdachte], hoorde dat deze een vuurwapen mee zou nemen en dat verdachte -zo begrijpt de rechtbank het desbetreffende proces-verbaal- zag dat [medeverdachte] een -naar hem later bleek chroomkleurig- wapen onder de zitting van het gebruikte motorvoertuig plaatste. Ook [medeverdachte] verklaart uitdrukkelijk tegen de opsporingsambtenaren dat [verdachte] dit wapen onder de zitting zag. Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaart dat hij het wapen eerst ter plekke daadwerkelijk heeft gezien, houdt de rechtbank hem aan zijn eerdere verklaring dat hij wist dat [medeverdachte] een vuurwapen meenam, mede gezien de verklaring van [medeverdachte] en de uitdrukkelijke verklaring van verdachte ter zitting dat hij niet verbaasd was dat [medeverdachte] een vuurwapen mee had genomen.

Verder overweegt de rechtbank dat uit de processtukken blijkt dat het hier een vuurwapen, pistool merk Colt Anaconda, en bijbehorende munitie betrof. Een dergelijke vuurwapen valt in beginsel onder de categorie III in de zin van de Wet Wapens en Munitie (WWM) voorzover deze niet valt onder de categorie II sub 2, 3 of 6 van de WWM . Nu niet blijkt dat een van die uitzonderingen van toepassing is en ook overigens niet is betwist dat sprake is van een vuurwapen van de IIIe categorie, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het een vuurwapen van de IIIe categorie betreft. Hetzelfde geldt de bij het vuurwapen behorende munitie, nu deze kennelijk geen categorie II munitie betreft en ook niet betwist is dat het om categorie III munitie gaat. De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

De strafbaarheid.

De verdediging heeft terzake het onder 1 primair ten laste gelegde feit betoogd dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit (een tweegevecht) in een overmacht of noodtoestand verkeerde en dat het feit hem derhalve niet valt aan te rekenen zodat ontslag van rechtsvervolging dient te volgen.

De rechtbank verwerpt deze verweren. [medeverdachte] is blijkens zijn verklaringen alsook die van verdachte degene geweest die bij verdachte heeft aangedrongen op een tweegevecht tussen hem en [medeverdachte] op een locatie te Best. Hoewel verdachte niets voelde voor dit gevecht heeft deze zich toch laten overhalen. Omdat [medeverdachte] vermoedde dat [medeverdachte] een vuurwapen naar het tweegevecht zou meenemen heeft hij -evenals [medeverdachte]- in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken een vuurwapen meegenomen naar het tweegevecht. De rechtbank is van oordeel dat zowel verdachte als [medeverdachte] op dat moment gezien hun verwachtingen omtrent het vuurwapenbezit van [medeverdachte] de politie hadden moeten en kunnen inschakelen en niet hadden moeten overgaan tot het aanzetten tot dan wel deelnemen aan het tweegevecht. Niet aannemelijk is dat verdachte en [medeverdachte] zich op dat moment al in een zodanige situatie bevonden dat zij zich niet meer in redelijkheid aan dat naderende gevecht konden onttrekken. Verdachte verklaart bovendien zelf dat zij de politie alleen niet inschakelden omdat zij verwachtten dat dit geen indruk zou maken bij [medeverdachte]. De rechtbank krijgt bovendien uit de verklaringen van verdachte veeleer de indruk dat met name [medeverdachte] gemeend heeft de ontstane situatie zelf op te lossen, waarbij het -om die reden niet te tolereren- bezit van het vuurwapen zeker een belangrijke rol heeft gespeeld om eigenrichting te plegen en dat verdachte zich hierdoor heeft laten meeslepen.

Voor het overige zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

De strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde:

Nu artikel 55 van de Wet wapens en munitie met ingang van 15 november 2000 is gewijzigd, dient de rechtbank na te gaan of -gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht- de bepalingen van artikel 55 in hun huidige redactie van toepassing zijn te achten.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van voormelde wijziging van artikel 55 van de Wet wapens en munitie gesproken kan worden van een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het in artikel 26 van de Wet wapens en munitie strafbaar gestelde delict en dat mitsdien sprake is van verandering van wetgeving in de zin van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Mitsdien is de bepaling van artikel 55 (oud) van de Wet wapens en munitie de voor verdachte meest gunstige bepaling en zal die bepaling worden toegepast.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

22b, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91 en 154 van het Wetboek van Strafrecht.

1, 2, 26, 55(oud), 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 240 uur in de plaats van zes maanden gevangenisstraf, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht geëist.

De op te leggen straf(fen) en/of maatregel(en).

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op:

a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden ten bezware van verdachte gebleken:

- de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- verdachte was op de hoogte van het feit dat [medeverdachte] een vuurwapen mee nam naar het tweegevecht.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:

- verdachte werd terzake strafbare feiten soortgelijk aan de door hem gepleegde strafbare feiten niet eerder veroordeeld;

- pas nadat verdachte meermalen door [medeverdachte] met de dood is bedreigd en [medeverdachte] bij hem heeft aangedrongen op een gevecht, is verdachte het tweegevecht aangegaan.

De rechtbank heeft gelet op de aard en de ernst van de feiten overwogen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen doch acht termen aanwezig om zulks niet te doen en om in plaats daarvan aan verdachte het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte op te leggen gedurende een hieronder te bepalen aantal uren. Verdachte heeft daartoe een aanbod gedaan. Ook voor het overige is aan de wettelijke eisen voldaan.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschre-ven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Tweegevecht, waarbij de tegenpartij enig lichamelijk letsel wordt toegebracht

(artikel 154, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.)

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en):

Het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, waarbij het aantal uren te verrichten arbeid wordt gesteld op 240 in plaats van zes maanden gevangenisstraf.

Met inachtneming van het hierna bepaalde moet deze arbeid worden aangevangen binnen 3 maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en dient die arbeid te worden verricht binnen 12 maanden na aanvang daarvan.

Deze arbeid zal bestaan uit het verrichten van werkzaamheden in de categorie administratie en/of onderhoud en/of verzorging uit te voeren bij een door de Reclassering Nederland, Arrondissementaal Secretariaat van de Reclassering gevestigd aan de Leeghwaterlaan 14 te

's-Hertogenbosch na overleg met veroordeelde aangewezen project.

Ter uitvoering van het project zal de veroordeelde de werkzaamheden dienen te verrichten overeenkomstig hem door of namens de Reclassering Nederland voornoemd gegeven aanwijzingen. Daarnaast dient veroordeelde zich te gedragen overeenkomstig de geldende Standaardregels Werkstraffen.

Met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij de rechtbank de dagen die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht waardeert op 2 uur te verrichten arbeid.

Dit vonnis is gewezen door,

mr. Heijning-Horst, voorzitter,

mr. Dellaert en mr. Boerma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. Selhorst, griffier

en is uitgesproken op 20 december 2000.

Tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best met [medeverdachte] een tweegevecht

heeft gehouden, althans is aangegaan, hebbende hij, verdachte, zich, vergezeld

van een getuige, begeven naar een vantevoren afgesproken plaats en hebbende

hij, verdachte, gevochten met die [medeverdachte] bestaande dat vechten uit het over

en weer slaan en/of stompen en/of stoten en/of vastpakken, waardoor die

[medeverdachte] enig lichamelijk letsel heeft bekomen;

Artikel 154 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met

dat opzet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

die [slachtoffer]met een vuurwapen door/in diens hals heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 287 jo. 45)

2.

hij op of omstreeks 26 augustus 2000 te Best tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te

weten een revolver, merk Colt Anaconda, kaliber .44 magnum en/of een pistool,

merk CZ/100, kaliber 9 m.m., en/of munitie van categorie III, te weten een

aantal patronen, kaliber 9 m.m., en/of een aantal patronen, kaliber .44

magnum, voorhanden heeft gehad;

(Wet wapens en munitie artikel 26)

Bewezenverklaring

1.

hij op 26 augustus 2000 te Best met [medeverdachte] een tweegevecht

heeft gehouden, hebbende hij, verdachte, zich, vergezeld

van een getuige, begeven naar een vantevoren afgesproken plaats en hebbende

hij, verdachte, gevochten met die [medeverdachte] bestaande dat vechten uit het over

en weer slaan en/of stompen en/of stoten en/of vastpakken, waardoor die [medeverdachte]

enig lichamelijk letsel heeft bekomen;

2.

hij op 26 augustus 2000 te Best tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Colt Anaconda, kaliber .44 magnum en munitie van categorie III, te weten een aantal patronen kaliber .44 magnum, voorhanden heeft gehad;