Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA5017

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/1904 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 98/1904 AWBZ

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

[eiseres] te [woonplaats[, eiseres, gemachtigde mr. H.M.S. Cremers, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te 's-Hertogenbosch,

en

De Algemeen Directeur van het R.Z.G. in Groningen, verweerder, gemachtigde W. de Munck.

I. PROCESVERLOOP

Op 6 november 1997 heeft eiseres verweerder verzocht om vergoeding van reiskosten in verband met een psychotherapeutische behandeling. Verweerder heeft eiseres hierop doen weten dat deze kosten slechts dan voor vergoeding in aanmerking komen, indien de behandelingen voor rekening van de ziekenfondsverzekering of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) komen. Bij wijze van aanvulling van de aanvraag is vervolgens meegedeeld dat de psychotherapie van eiseres onder de AWBZ valt.

Verweerder heeft eiseres op 15 december 1997 doen weten dat de gemaakte kosten niet worden vergoed, daar de behandelaar van eiseres een zogeheten eerstelijns psycholoog is, wiens behandelingen niet ten laste komen van de AWBZ.

Bij schrijven van 8 januari 1998 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 januari 1998 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld. Gevorderd is dit besluit te vernietigen en verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proces- en reiskosten.

Verweerder heeft terzake verweer gevoerd.

Namens eiseres is gerepliceerd. Nadien zijn nadere gegevens ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 mei 1999, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of verweerders besluit van 23 januari 1998, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de weigering van reiskostenvergoeding in verband met psychotherapeutische behandeling ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 16 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering omvat het ziekenvervoer het vervoer per auto in de omvang en onder de voorwaarden bij nadere regeling vast te stellen.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, sub d en sub e, van het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering 1980 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 18 december 1997, nr. 974617, Stcrt. 1997, 247) heeft de verzekerde aanspraak op vergoeding van de kosten van autovervoer van en naar een niet-klinisch werkzame psychiater of zenuwarts dan wel een psychiatrische polikliniek of een instelling voor psychiatrische deeltijdbehandeling voor hulp welke ten laste van de Bijzondere ziektekostenverzekering wordt verstrekt.

Blijkens de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat slechts vervoer in het kader van behandelingen die op grond van de AWBZ worden vergoed in aanmerking komt voor vergoeding. Nu de behandelend therapeut van eiseres werkzaam is als eerstelijns psycholoog en psychotherapeut komen zijn behandelingen niet voor rekening van de AWBZ, zodat vergoeding van vervoer naar en van deze therapeut niet aan de orde kan komen.

Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat de behandelingen van haar therapeut wél worden vergoed door de AWBZ op grond van de regeling "De vrijgevestigd psychotherapeut in een door of vanwege de RIAGG- constructie", welke onderdeel vormt van de UVO RIAGG- uitvoeringsorgaan AWBZ en is goedgekeurd door de Ziekenfondsraad d.d. 24 februari 1994. Een in het kader van deze regeling gegeven behandeling komt voor vergoeding volgens de AWBZ in aanmerking.

Eerst ter zitting heeft verweerders gemachtigde erkend dat eiseres bij haar therapeut in behandeling is in het kader van de zogenaamde RIAGG-constructie, en de behandelingen door haar therapeut derhalve worden vergoed via de AWBZ. Desondanks komen volgens verweerder de door eiseres gemaakte reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat ingevolge artikel 1, tweede lid, sub d en sub e, van het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering slechts in de daarin limitatief opgesomde gevallen aanspraak bestaat op reiskostenvergoeding. Behandelingen door een psycholoog/psychotherapeut vallen daar niet onder.

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden geweigerd heeft de aanvraag van eiseres om vergoeding van reiskosten in het kader van haar psychotherapeutische behandeling te honoreren.

Niet weersproken is immers dat eiseresses behandelend psychotherapeut geen (niet-klinisch werkzame) psychiater of zenuwarts is, maar psycholoog, terwijl uiteraard geen sprake is van een psychiatrische polikliniek of instelling voor psychiatrische deeltijdbehandeling. Derhalve wordt niet voldaan aan de in genoemd artikel 1 van het Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering gestelde voorwaarden voor vergoeding van reiskosten als de onderhavige.

Namens eiseres is in dit verband nog aangevoerd dat ingevolge het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (KB van 20 november 1991, Stb. 1991, 590) - en dan met name de artikelen 20a en 21 van dat Besluit - vergoeding van reiskosten als in casu mogelijk is. De rechtbank kan dit standpunt echter niet volgen, gelet op de inhoud en de omvang van de zorgaanspraken, zoals deze zijn neergelegd in genoemd besluit en de daarop gebaseerde Regeling nadere regels zorgaanspraken AWBZ (regeling van 24 december 1993, Stcrt. 1993, 250). Naar verweerders gemachtigde terecht heeft gesteld, omvatten deze zorgaanspraken niet de aanspraak op reiskostenvergoeding.

Op grond van het vorenoverwogene dient het beroep van eiseres tegen de handhaving van de weigering van reiskostenvergoeding ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht echter termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Daartoe is overwogen dat verweerder, door zich tot op de zitting in zijn motivering van de afwijzing van eiseresses aanvraag volledig te richten op een onderdeel van het hier van belang zijnde artikel 1 van het Besluit ziekenvervoer, te weten het niet door de AWBZ vergoed worden van de behandelingen, eiseres tot het instellen van beroep heeft gebracht.

Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ¦ 1.775,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand: * 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; * ½ punt voor het dienen van repliek; * 1 punt voor het verschijnen ter zitting; * waarde per punt ¦ 710,--; * wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Van voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten aan eiseres, die woonachtig is in 's-Hertogenbosch, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond;

gelast verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten vastgesteld op ¦ 1.775,-- en te voldoen aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. T.W.J. de Ruiter-Phaff als rechter in tegenwoordigheid van mr. H.C. Dollekamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 1999

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: JvdS