Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA4914

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-1999
Datum publicatie
16-12-2004
Zaaknummer
AWB 98/5576 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De procedure als bedoeld in art. 9a Les- en cursusgeldwet is een bijzondere, t.o.v. de bepalingen van de Awb omtrent bezwaar en beroep, exclusieve procedure, op grond waarvan bij uitsluiting de burgerlijke rechter bevoegd is.

Ingevolge art. 9a.1 Les en cursusgeldwet (Lcw) maant de Informatie Beheer Groep, indien het bij of krachtens deze wet verschuldigde lesgeld voor het geheel of voor een deel niet tijdig is voldaan, de nalatige bij brief aan om binnen twee weken na ontvangst van die brief het daarin vermelde bedrag aan hem te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de Informatie Beheer Groep een dwangbevel uit. Verweerster heeft, omdat van eiser geen betaling voor het lesgeld werd ontvangen, ter invordering hiervan, vermeerderd met de wettelijke rente en de invorderingskosten, met toepassing van art. 9a, eerste en tweede lid, van de Lcw, tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd. Tegen dit dwangbevel heeft eiser overeenkomstig art. 9a.3 Lcw verzet gedaan bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft eiser niet- ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat hij in het kader van de beoordeling van een dergelijk verzet niet mag treden in de vraag naar de verschuldigdheid van het lesgeld omdat de beantwoording van die vraag is voorbehouden aan de bestuursrechter. De Rb. deelt dit oordeel niet. De verzetprocedure lijkt voor bedoelde toets juist bij uitstek geschikt. De burgerlijke rechter heeft zich omtrent de verschuldigdheid van het lesgeld ook in een veelheid van verzetzaken uitgelaten. Het moet naar het oordeel van de Rb. dan ook ervoor worden gehouden dat de wetgever met de in art. 9a Lcw neergelegde procedure van verzet tegen het dwangbevel een bijzondere, en ten opzichte van de bepalingen in de Awb omtrent bezwaar en beroep exclusieve, procedure in het leven heeft geroepen, waarbij ook laatstgenoemde vraag aan de orde kan komen. Reeds gelet hierop is er geen plaats voor een afzonderlijke rechtsgang op grond van de Awb tegen de ingebrekestelling die voorafgaat aan het dwangbevel. Gelet evenwel op het bepaalde in art. 96a.2 WvBrv alsmede ter voorkoming van een negatief competentiegeschil, acht de Rb. zich gebonden aan het oordeel van de kantonrechter dat ter zake de Rb. bevoegd is een inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel te vellen.

Ongegrond beroep.

Wetsverwijzingen
Les- en cursusgeldwet 9a, geldigheid: 1999-06-23
Les- en cursusgeldwet 9a, geldigheid: 1999-06-23
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 96, geldigheid: 1999-06-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 98/5576 BESLU

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. P.L.M. Roosendaal, advocaat te Oss,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, zetelend te Groningen, verweerster.

I. PROCESVERLOOP

Door middel van invullen en ondertekenen op 22 mei 1995 van een zogeheten onderwijskaart heeft eiser zijn minderjarige zoon X voor het studiejaar 1995/1996 als leerling doen inschrijven aan een school voor voortgezet onderwijs. Daarmede heeft eiser verklaard dat hij het wettelijk verschuldigde lesgeld aan de Informatie Beheer Groep zal betalen.

Bij brief van 11 december 1995 heeft verweerster eiser gemaand het verschuldigde lesgeld, zijnde f 1.385,--, uiterlijk op 5 januari 1996 te voldoen, bij gebreke waarvan eiser in verzuim zal zijn.

Naar aanleiding van deze brief heeft eiser zich bij brief van 29 december 1995 tot verweerster gewend met de mededeling dat hij niet de wettelijk vertegenwoordiger is van zijn zoon en mitsdien niet tot betaling van het lesgeld verplicht is.

Bij brief van 20 februari 1996 heeft verweerster, onder verwijzing naar diens op 22 mei 1995 ondertekende verklaring, aan eiser nogmaals verzocht aan zijn betalingsverplichting ad

f 1.385,-- te voldoen.

Naar aanleiding van deze brief heeft eiser zich wederom tot verweerster gewend en daarbij zijn standpunt gehandhaafd dat hij niet tot betaling van het lesgeld is verplicht.

Op 5 april 1996 heeft verweerster aan eiser wederom verzocht aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

Omdat van eiser geen betaling werd ontvangen heeft de Informatie Beheer Groep ter invordering van het verschuldigde lesgeld, vermeerderd met de wettelijke rente en de invorderingskosten, op 17 juni 1996 met toepassing van artikel 9a, eerste en tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet (Lcw) tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd.

Tegen dit dwangbevel heeft eiser op 20 augustus 1996 overeenkomstig artikel 9a, derde lid, van de Lcw verzet gedaan bij de kantonrechter te Groningen.

Bij vonnis van 4 maart 1998 heeft de kantonrechter eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Daartoe heeft hij onder meer het volgende overwogen:

"In de onderhavige procedure heeft de opposant de verschuldigdheid van het lesgeld voor het studiejaar 1995-1996 bestreden op de - zakelijk weergegeven- grond dat hij niet de wettelijk vertegenwoordiger van X is of was en derhalve niet kan worden aangemerkt als lesgeldplichtige in de zin van artikel 3 Lcw.

De kantonrechter is dienaangaande evenwel van oordeel dat opposant teneinde een (rechterlijk) oordeel omtrent de verschuldigdheid van het lesgeld te verkrijgen, een andere hem ten dienste staande en met voldoende waarborgen omkleedde, administratiefrechtelijke rechtsgang had moeten volgen.

Het door opposant gedane verzet dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts blijkt uit de gedingstukken, en daarvan met name het bezwaarschrift van opposant van 29 december 1995 , dat opposant deze administratieve rechtsgang ook heeft ingezet, maar dat geopposeerde in zijn (afwijzende) besluit van 20 februari 1996 op dit bezwaarschrift heeft nagelaten aan opposant overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 3:45 en 6:23 van de Algemene wet bestuursrecht mededeling te doen van het rechtsmiddel dat opposant ten aanzien van dat afwijzende besluit ten dienste stond. Vervolgens heeft geopposeerde nagelaten de brief van 5 maart 1996 conform de op geopposeerde ingevolge artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht rustende doorzendverplichting aan de bevoegde rechtbank te doen toekomen.

De kantonrechter ziet hierin aanleiding tot toepassing van artikel 96a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in die zin dat wordt bepaald dat opposant bij de ter zake bevoegde rechtbank alsnog een beroepschrift kan indienen tegen het (afwijzende) besluit van geopposeerde van 20 februari 1996. De termijn voor het indienen van dat beroepschrift vangt ingevolge het bepaalde in lid 3 van voornoemd artikel 96a aan met ingang van de dag na die waarop dit vonnis onherroepelijk zal zijn geworden."

Bij brief van 15 juli 1998, ontvangen ter griffie op 16 juli 1998, heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen verweersters brief van 20 februari 1996.

Verweerster heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 maart 1999, waar eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 96a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is bepaald dat, voor zover de rechter de eiser in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaart omdat bezwaar kon worden gemaakt, administratief beroep kon worden ingesteld of beroep bij een administratieve rechter kon worden ingesteld, dit in het vonnis wordt vermeld.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel - voor zover hier van belang - wordt, indien geen juiste toepassing aan artikel 3:45 of artikel 6:23 van de Awb is gegeven, tevens in het vonnis vermeld bij welk orgaan alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld. Het orgaan waarbij alsnog bezwaar kan worden gemaakt of alsnog beroep kan worden ingesteld is aan die beslissing gebonden, aldus de laatste volzin van dit artikellid.

Ingevolge het derde lid vangt de termijn voor het alsnog indienen van het bezwaar- of beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het vonnis onherroepelijk is geworden.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de Lcw maant de Informatie Beheer Groep, indien het bij of krachtens deze wet verschuldigde lesgeld voor het geheel of voor een deel niet tijdig is voldaan, de nalatige bij brief aan om binnen twee weken na ontvangst van die brief het daarin vermelde bedrag aan hem te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de Informatie Beheer Groep een dwangbevel uit.

Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het land kan worden tenuitvoergelegd, aldus de tweede volzin van dit artikellid.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden bij de toepassing van het bepaalde in het eerste lid naast het lesgeld eveneens het bedrag van de gerechtelijke dan wel buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente ingevorderd.

Ingevolge het derde lid staat binnen vier weken na de betekening verzet open tegen het dwangbevel door dagvaarding van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen.

Het verzet stuit de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging niet, behoudens de bevoegdheid van de geëxecuteerde die het verzet heeft gedaan, om hieromtrent een voorziening bij voorraad uit te lokken, aldus de tweede volzin van dit artikellid.

Hoewel er naar het oordeel van de rechtbank vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de wijze waarop door de kantonrechter te Groningen bij zijn vonnis van 4 maart 1998 toepassing is gegeven aan artikel 96a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, acht zij zich, gelet op het tweede lid van dit artikel alsmede ter voorkoming van een negatief competentiegeschil, gebonden aan diens oordeel dat de brief van verweerster van

20 februari 1996 moet worden aangemerkt als een besluit op bezwaar, zoals bedoeld in artikel 7:1 van de Awb, waaromtrent de rechtbank bevoegd is een inhoudelijk rechtmatigheidsoordeel te vellen. Niettemin wenst zij op dit punt nog het navolgende op te merken.

De kantonrechter stelt zich blijkens diens vonnis op het standpunt dat hij in het kader van de beoordeling van een verzet, gericht tegen een dwangbevel als bedoeld in artikel 9a van de Lcw, niet mag treden in de vraag naar de verschuldigdheid van het lesgeld.

De beantwoording van die vraag zou zijn voorbehouden aan de bestuursrechter.

Nog daargelaten evenwel of de ingebrekestelling van 11 december 1995 alsmede de handhaving daarvan, neergelegd in het schrijven van 20 februari 1996 als publiekrechtelijke rechtshandelingen, en daarmee als besluiten, kunnen worden gezien, ziet de rechtbank geen reden om te veronderstellen dat de door de wetgever aan de burgerlijke rechter voorbehouden toetsing van een dwangbevel als bedoeld in artikel 9a van de Lcw zich niet zou mogen uitstrekken over de verschuldigdheid van het lesgeld. De desbetreffende verzetprocedure lijkt daarvoor juist bij uitstek geschikt. Zoals uit de door verweerster overgelegde jurisprudentie blijkt heeft de burgerlijke rechter zich omtrent de vraag naar de verschuldigdheid van lesgeld ook in een veelheid van verzetzaken uitgelaten. Het moet er daarom naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de wetgever met de in artikel 9a van de Lcw neergelegde procedure van verzet tegen het dwangbevel een bijzondere, en ten opzichte van de bepalingen in de Awb omtrent bezwaar en beroep exclusieve, procedure in het leven heeft geroepen, waarbij ook laatstgenoemde vraag aan de orde kan komen. Reeds gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor een afzonderlijke rechtsgang op grond van de Awb tegen de ingebrekestelling die voorafgaat aan het dwangbevel.

Zoals gezegd acht de rechtbank zich in casu evenwel gehouden de rechtmatigheid te beoordelen van het in de brief van verweerster van 20 februari 1996 (hierna aan te duiden als: het bestreden besluit) gehandhaafde standpunt dat eiser het ter zake van de inschrijving van zijn zoon als leerling aan een school voor voortgezet onderwijs voor het studiejaar 1995/1996 lesgeld verschuldigd is ten bedrage van f 1.385,--. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het tegen het bestreden besluit gerichte beroepschrift alsmede de door de kantonrechter als bezwaarschrift tegen de aanmaning van 11 december 1995 aangemerkte brief van eiser van 29 december 1995 tijdig zijn ingediend.

Eiser betwist dat hij in casu lesgeld verschuldigd is, nu in artikel 3, tweede lid, van de Lcw is bepaald dat het lesgeld is verschuldigd door de leerling dan wel, indien deze de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt en minderjarig is, door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Niet eiser doch zijn ex-echtgenote J.M.H. van der Pas is de wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon, aangezien zij na de ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding met het ouderlijk gezag is belast. Omdat zijn ex-echtgenote echter in gebreke bleef om hun zoon aan een school voor voortgezet onderwijs in te schrijven, heeft eiser zich genoodzaakt gezien hiervoor zorg te dragen. Weliswaar heeft hij daartoe de zogeheten onderwijskaart ingevuld en ondertekend, waarin hij onder meer verklaart het wettelijk verschuldigde lesgeld te zullen betalen aan de Informatie Beheer Groep, doch deze verklaring kan de wettelijke regeling, zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, van de Lcw niet opzij zetten, aldus eiser. In dit verband heeft eiser nog opgemerkt dat verweerster er bijvoorbeeld door raadpleging van het voogdijregister van op de hoogte kon zijn dat hij niet de wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon was.

Hoewel de rechtbank er op zichzelf begrip voor kan hebben dat eiser zich in de door hem geschetste omstandigheden genoodzaakt zag te handelen zoals hij heeft gedaan, brengt zijn handelwijze niet mee dat hij niet gehouden is het verschuldigde lesgeld aan de Informatie Beheer Groep te voldoen. Weliswaar heeft eiser terecht betoogd dat de verschuldigdheid van het lesgeld in casu niet rechtstreeks voort vloeit uit artikel 3, tweede lid, van de Lcw, nu hij niet de wettelijke vertegenwoordiger is van zijn zoon, daar staat tegenover dat hij zich door ondertekening van de onderwijskaart uitdrukkelijk en zonder voorbehoud jegens de Informatie Beheer groep aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van het lesgeld. Naar het oordeel van de rechtbank verzet artikel 3, tweede lid, van de Lcw er zich niet tegen dat eiser uit hoofde van die aansprakelijkstelling door verweerster wordt aangesproken. Voorts gaat het te ver om van verweerster te verlangen dat zij, zonder dat daar enige bijzondere aanleiding voor bestaat, in elk afzonderlijk geval uit eigen beweging nader onderzoekt, of degene die voor een minderjarige een onderwijskaart invult, ook daadwerkelijk diens wettelijke vertegenwoordiger is. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerster eiser in casu in redelijkheid niet als lesgeldplichtige heeft kunnen aanmerken. De rechtbank laat daar of - gelijk door eiser is betoogd - ook J.M.H. van de Pas door verweerster als zodanig had kunnen worden aangemerkt. Ook indien dit laatste het geval zou zijn, kan niet met vrucht worden gesteld dat de keuze van verweerster om niet laatstgenoemde doch eiser tot betaling van het lesgeld aan te spreken, onredelijk is te achten.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is.

Voor een veroordeling van een der partijen in de door de andere partij gemaakte proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. W.C.E. Winfield als rechter in tegenwoordigheid van

mr. M.P.C. Anssems als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 23 juni 1999.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschriften verzonden:

TL