Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA4011

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 98/8486 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 98/8486 WRB

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A te B, eiser,

gemachtigde mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom,

en

de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 7 januari 1998 heeft eiser bij het aan verweerder verbonden bureau rechtsbijstandvoorziening een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) aangevraagd voor rechtsbijstand, te verlenen in een strafzaak.

Bij besluit van 31 maart 1998 heeft het bureau onder toepassing van artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, van de Wrb de toevoeging geweigerd.

Tegen dit besluit is namens eiser administratief beroep ingesteld bij verweerder op grond van artikel 45, eerste lid, van de Wrb.

Bij besluit van 24 september 1998 heeft verweerder dat administratief beroep ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat alsnog dient te worden overgegaan tot afgifte van de gevraagde toevoeging.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Daarna hebben partijen over en weer nog schriftelijk gereageerd.

Het geding is vervolgens ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 augustus 1999, waar geen van de partijen is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding is de vraag aan de orde of het besluit van verweerder tot ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen het besluit om de toevoeging te weigeren, in rechte stand kan houden.

Blijkens de gedingstukken ligt aan het bestreden besluit het standpunt ten grondslag dat eiser, ondanks meerdere verzoeken daartoe, geen volledig inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Daarbij heeft verweerder verwezen naar artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, van de Wrb.

Namens eiser is aangevoerd dat eiser ten tijde van de toevoegingsaanvraag een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) had en derhalve in aanmerking dient te komen voor de gevraagde toevoeging.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb is voorzover hier van belang bepaald dat afgifte van een toevoeging kan worden geweigerd indien het verzoek om toevoeging niet is voorzien van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde bewijsstukken en de verzoeker, na op dat verzuim te zijn gewezen, heeft nagelaten dit binnen een door het bureau gestelde termijn te herstellen.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wrb dient bij een verzoek om toevoeging een zogeheten Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen (VIV) te worden overgelegd.

Ingevolge het bepaalde in het vierde lid van laatstgemeld artikel kan de Minister van Justitie nadere regels stellen omtrent de VIV en de daarbij over te leggen bewijsstukken. Deze nadere regels kunnen inhouden dat in bepaalde gevallen met een andere verklaring dan de VIV kan worden volstaan.

Ter uitvoering hiervan is in artikel 15 van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (Bdr) onder meer bepaald dat, indien de rechtzoekende uitsluitend een uitkering ingevolge de ABW ontvangt, bij de indiening van het verzoek om toevoeging kan worden volstaan met het overleggen van een verklaring van de rechtzoekende hieromtrent en van een desbetreffend bewijsstuk. De verklaring wordt opgesteld overeenkomstig een door de Minister van Justitie vast te stellen model.

In het onderhavige geval heeft de gemachtigde van eiser bij de toevoegingsaanvraag geen VIV overgelegd. Het bureau heeft de gemachtigde bij brief van 26 januari 1998 verzocht om alsnog een VIV met daarbij behorende bewijsstukken dan wel ontvangstbewijzen/ dagafschriften waaruit blijkt van andere inkomsten over te leggen. Bij brief van 24 februari 1998 heeft het bureau de gemachtigde van eiser nogmaals verzocht om bedoelde bescheiden over te leggen en is de gemachtigde van eiser gewezen er op gewezen dat, bij gebreke van een tijdige reactie, de gevraagde toevoeging met toepassing van artikel 28, eerste lid aanhef en onder a, van de Wrb zou kunnen worden geweigerd. Nadat de gemachtigde van eiser de hem gestelde termijn ongebruikt had laten verstrijken, is de toevoeging met toepassing van laatstgenoemd artikelonderdeel geweigerd.

Hangende het administratief beroep heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 9 juni 1998 een VIV d.d. 3 februari 1997 en een overzicht van door eiser over de periode juli tot en met december 1996 ontvangen uitkering ingevolge de ABW. Bij brief van 24 juni 1998 heeft verweerder de gemachtigde van eiser er op gewezen dat de over te leggen VIV betrekking dient te hebben op de datum van de toevoegingsaanvraag, zijnde 7 januari 1998. Naar aanleiding van deze brief heeft de gemachtigde van eiser verweerder op 7 juli 1998 verzocht om hem een nadere termijn te gunnen voor het overleggen van de gevraagde gegevens. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij nog geen VIV betreffende januari 1998 van eiser heeft mogen ontvangen. Vervolgens heeft verweerder de gemachtigde van eiser bij brief van 8 juli 1998 een laatste uitstel verleend van 14 dagen. Bij brief van 23 juli 1998 heeft de gemachtigde van eiser vervolgens uitsluitend een overzicht van door eiser over de periode van januari tot en met juni 1998 ontvangen uitkering ingevolge de ABW overgelegd zonder bijvoeging van de verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Bdr.

Verweerder heeft hierna bij het thans bestreden besluit d.d. 24 september 1998 de weigering van de toevoeging gehandhaafd onder de overweging dat het door de gemachtigde van eiser overgelegde overzicht van door eiser over de periode van januari tot en met juni 1998 ontvangen uitkering ingevolge de ABW slechts een gedeeltelijk beeld geeft van de financiële positie van eiser.

De rechtbank kan zich met die beslissing verenigen. Ingevolge het hierboven reeds genoemde artikel 15 van het Bdr kan, indien de rechtzoekende uitsluitend een uitkering ingevolge de ABW ontvangt, bij de indiening van het verzoek om toevoeging worden volstaan met het overleggen van een verklaring van de rechtzoekende hieromtrent en van een desbetreffend bewijsstuk. Geoordeeld moet worden dat het door de gemachtigde van eiser overgelegde overzicht van door eiser over de periode van januari tot en met juni 1998 ontvangen uitkering ingevolge de ABW niet voldoet aan de vereisten van dit artikel. Bij het uitkeringsoverzicht bevindt zich immers geen verklaring van de rechtzoekende omtrent het feit dat hij een uitkering ingevolge de ABW ontvangt en geen andere inkomsten heeft. Nu verweerder en het bureau reeds meermalen aan eisers gemachtigde hadden verzocht om volledig inzicht in eisers financiële situatie, hetzij middels een geldige en recente VIV, hetzij middels een bewijsstuk van door eiser ten tijde van de toevoegingsaanvraag ontvangen uitkering ingevolge de ABW tezamen met een verklaring van eiser als bedoeld in artikel 15 van het Bdr, behoefde verweerder niet nogmaals in de fase van het administratief beroep aan eisers gemachtigde een nadere herstelmogelijkheid te bieden.

Hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft eisers gemachtigde vervolgens bij het aanvullend beroepschrift een verklaring van eiser als bedoeld in artikel 15 van het Bdr overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring te laat in het geding is gebracht. Aangezien deze verklaring ten tijde van het totstandkomen van het bestreden besluit nog niet was overgelegd, kan deze verklaring niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 7 april 1999 - derhalve nadat hij de verklaring ex artikel 15 van het Bdr had overgelegd - te kennen gegeven doende te zijn een VIV betreffende januari 1998 te verkrijgen. Daaruit meent de rechtbank te kunnen afleiden dat eisers gemachtigde op dat moment kennelijk niet op de hoogte was van de inhoud van artikel 15 van het Bdr. Die omstandigheid dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te blijven. Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit d.d. 24 september 1998 ongegrond moet worden verklaard. Verweerder heeft bij dat besluit terecht en op goede gronden het administratief beroep van eiser tegen de weigering van diens toevoeging ongegrond verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als rechter in tegenwoordigheid van mr. M.G.P.A. Burghoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 1999

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dagtekening van deze brief een brief (beroepschrift) en een kopie van bijgaande uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

MvB