Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3967

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/6588 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 97/6588 WW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiseres,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder, in deze vertegenwoordigd door Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.

. I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) 1997 in werking getreden. Op grond van de Invoeringswet Osv 1997 is het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen met ingang van 1 maart 1997 in de plaats getreden van - voor zover hier van belang - het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In het navolgende zullen beiden worden aangeduid als verweerder.

Eiseres heeft verweerder bij aanvraag van 2 augustus 1996 verzocht om met ingang van 1 augustus 1996 in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 19 september 1996 heeft verweerder geweigerd aan eiseres met ingang van 1 augustus 1996 een uitkering ingevolge de WW toe te kennen.

Eiseres heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 5 mei 1997 heeft verweerder dat bezwaar gegrond verklaard, onder de overweging dat het bestreden besluit van 1 augustus 1996 ondeugdelijk was gemotiveerd. Verweerder heeft bij dit besluit van 5 mei 1997 echter tevens besloten de rechtsgevolgen van het besluit van 1 augustus 1996 in stand te laten, onder de overweging dat terecht, zij het op onjuiste gronden, was geweigerd om ingaande 1 augustus 1996 een WW-uitkering toe te kennen aan eiseres.

Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiseres vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Op de daartoe aangevoerde gronden is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat eiseres alsnog met ingang van 1 augustus 1996 in aanmerking moet worden gebracht voor een WW-uitkering.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, en nadien nog schriftelijk gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 1999, waar namens eiseres haar echtgenoot is verschenen. Verweerder heeft zich, zoals aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het bestreden besluit is gebleven bij de weigering om aan eiseres een WW-uitkering toe te kennen, zij het dat verweerder de motivering van die weigering iets heeft aangepast. Voor het gegrond verklaren van het bezwaar onder het in stand laten van de rechtsgevolgen van het primaire besluit, zoals door verweerder gedaan, biedt de Awb echter geen grondslag. Zulks is uitsluitend mogelijk in beroep op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb. Aangezien verweerder de weigering om aan eiseres een WW-uitkering toe te kennen heeft gehandhaafd had verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond moeten verklaren. Artikel 7:11 van de Awb staat daaraan niet in de weg, aldus ook de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij uitspraak van 7 juli 1998, gepubliceerd in Administratiefrechtelijke Beslissingen 1998/305. De rechtbank zal het bestreden besluit op bezwaar dienovereenkomstig verbeterd lezen.

Bij de verdere beoordeling van dat besluit moet worden uitgegaan van de volgende feiten. Eiseres is met ingang van 10 augustus 1990 werkzaam geweest als zogeheten ANW- medewerkster bij Stichting Kruiswerk Peelland (hierna: SKP). Daarnaast is eiseres vanaf eind 1995 als oproepkracht werkzaamheden gaan verrichten voor Stichting Verpleeghuizen Helmond (hierna: SVH). Met ingang van 1 augustus 1996 is het dienstverband van eiseres bij SKP in het kader van een collectief ontslag beëindigd. In verband daarmee heeft eiseres bij verweerder met ingang van 1 augustus 1996 een WW-uitkering aangevraagd.

Bij het primaire besluit van 19 september 1996 heeft verweerder geweigerd om eiseres met ingang van 1 augustus 1996 een uitkering ingevolge de WW toe te kennen. In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder bij het bestreden besluit van 5 mei 1997 terecht en op goede gronden heeft besloten deze weigering te handhaven.

Blijkens de gedingstukken ligt aan dat besluit kort gezegd het standpunt ten grondslag dat eiseres feitelijk met ingang van 1 juni 1996 haar werkzaamheden voor SKP heeft beëindigd, maar nog tot 1 augustus 1996 haar aanspraak op loon heeft behouden, zodat zij in de periode van 1 juni 1996 tot 1 augustus 1996 niet als werkloos in de zin van de WW kon worden beschouwd. Ook met ingang van 1 augustus 1996 was naar het oordeel van verweerder geen sprake van werkloosheid, en wel omdat eiseres inmiddels meer uren per week was gaan werken voor SVH. Verweerder heeft in dit verband de uren welke eiseres vanaf 1 augustus 1996 werkte voor SVH, vergeleken met de uren welke zij gemiddeld per week werkte in de vóór 1 juni 1996 gelegen referteperiode van 26 weken. Uit deze vergelijking resulteert naar het oordeel van verweerder geen arbeidsurenverlies van meer dan vijf uren.

Namens eiseres is aangevoerd dat verweerder uitsluitend had moeten kijken naar het urenverlies dat eiseres leed door het verlies van haar werk bij SKP, en dat verweerder de werkzaamheden voor SVH buiten beschouwing had moeten laten. Voorts heeft eiseres gesteld dat haar is toegezegd dat zij een WW-uitkering zou krijgen, indien zij gebruik zou maken van de vetrekregeling van SKP, inhoudende het beëindigen van de werkzaamheden per 1 juni 1996, ontvangst van een vertrekbonus over de maanden juni en juli 1996, en beëindiging van het dienstverband met ingang van 1 augustus 1996.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge het eerste lid van artikel 16 van de WW kan pas van werkloosheid worden gesproken indien een werknemer ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van loon over die uren.

Artikel 16, tweede lid, van de WW bepaalt - voor zover hier van belang - dat onder de in het eerste lid van dat artikel bedoelde aantal arbeidsuren per kalenderweek verstaan wordt het aantal uren waarin de werknemer in de 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het arbeidsurenverlies gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Uit het stelsel van de WW vloeit voort dat bij de bepaling of van een relevant arbeidsurenverlies sprake is, moet worden gekeken naar het totale aantal uren dat de werknemer per week arbeid verricht, ongeacht de vraag of die arbeid verricht wordt in één of meer dienstverbanden. De stelling van eiseres dat haar werkzaamheden voor SVH buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten is dus onjuist. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, ingevolge welk artikelonderdeel het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer (bijvoorbeeld door aanvaarding of uitbreiding van andere werkzaamheden) niet langer werkloos is.

Ingevolge artikel 16, zevende lid, aanhef en onder b, van de WW kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de berekening van het arbeidsurenverlies bij wisselende arbeidspatronen. Dergelijke nadere regels zijn gesteld in artikel 4b van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986 (nr. 86/8052, Staatscourant 1986, 248). Deze regeling komt er kort gezegd op neer dat bij arbeidspatronen welke een cyclus vertonen, de kalenderweken waarover de cyclus zich uitstrekt in aanmerking worden genomen. Indien geen vaste cyclus is aan te wijzen dient een aantal kalenderweken te worden genomen dat daarvoor gelet op het arbeidspatroon in aanmerking komt.

Voorts is nog van belang dat ingevolge vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 augustus 1991, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1992/93 en van 28 april 1992, RSV 1992/299) voor de vaststelling van het aantal arbeidsuren van een betrokkene dient te worden uitgegaan van de feitelijke situatie. Dienaangaande blijkt uit de gedingstukken het navolgende.

Situatie per 1 juni 1996

In de 26 kalenderweken vóór 1 juni 1996 heeft eiseres gemiddeld per week in totaal gedurende 22 uur en 4 minuten arbeid verricht, te weten gemiddeld 14 uur en 49 minuten voor SKP en gemiddeld 7 uur en 15 minuten voor SVH.

Indien dit urenaantal wordt vergeleken met het urenaantal dat eiseres vanaf 1 juni 1996 gemiddeld per kalenderweek heeft verricht voor SVH resteert geen relevant arbeidsurenverlies. Het maakt hierbij geen verschil of bij de berekening van het gemiddelde arbeidsurenverlies per week na 1 juni 1996 een periode van één maand wordt gehanteerd, zoals in het primaire besluit van 19 juni 1996 is genoemd, een periode van twee maanden, zoals in het bestreden besluit van 5 mei 1997 is genoemd, of een periode van 26 weken, zoals eveneens in dat besluit van 5 mei 1997 is genoemd. Uit de gedingstukken is immers gebleken dat eiseres vanaf 1 juni 1996 op vrij grote schaal is gaan werken voor SVH (152,25 uur in juni, 130,75 uur in juli, 152,25 uur in augustus, 71,25 uur in september, 93,75 uur in oktober, 135,25 uur in november en 86,25 uur in december).

Uit het voorgaande volgt dat op 1 juni 1996 van een relevant arbeidsurenverlies (van tenminste vijf uren per kalenderweek) geen sprake was.

Situatie per 1 augustus 1996

Bij beantwoording van de vraag of op 1 augustus 1996 sprake was van een relevant arbeidsurenverlies dient allereerst te worden vastgesteld wat het gemiddelde aantal arbeidsuren was van eiseres in de 26 weken voorafgaande aan 1 augustus 1996. In dat kader is van belang of de bedragen welke eiseres over de maanden juni en juli 1996 van SKP heeft ontvangen zonder daarvoor werkzaamheden te verrichten nog van invloed zijn op de omvang van het in aanmerking te nemen aantal arbeidsuren. Uit de zich bij de gedingstukken bevindende werkgeversverklaring van SKP d.d. 16 augustus 1996 blijkt dat het hier gaat om loon over 99,78 uren in de maand juni 1996 en over 157,25 uren in de maand juli 1996.

Artikel 16, zevende lid, aanhef en onder a, van de WW bepaalt dienaangaande - voor zover hier van belang - dat nadere regels kunnen worden gesteld op grond waarvan uren waarin geen arbeid is verricht kunnen worden gelijk gesteld met voor de berekening van het aantal arbeidsuren in aanmerking te nemen uren.

Dergelijke nadere regels zijn gesteld in het reeds genoemde SVR-besluit van 18 december 1986. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van dat besluit dienen voor de berekening van het aantal arbeidsuren met arbeidsuren te worden gelijkgesteld - voor zover hier van belang -:

a. uren, waarover de werknemer zonder te werken loon heeft ontvangen;

(...) uren, waarin de werknemer niet heeft gewerkt en waarvoor hij schadeloosstelling of schadevergoeding wegens het beëindigen van de dienstbetrekking heeft ontvangen;

(...)".

Met deze bepaling heeft de SVR het oog gehad op situaties waarin niet is gewerkt zonder dat dit niet werken van invloed is geweest op het arbeidspatroon als zodanig. De SVR heeft willen voorkomen dat dergelijke niet-gewerkte uren ten onrechte het gemiddelde arbeidspatroon, en daarmee de werkloosheidsomvang, drukken. Uit deze achtergrond van het SVR-besluit is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het SVR-besluit uitsluitend ziet op uren welke zijn voorafgegaan aan het feitelijk arbeidsurenverlies bij de betreffende werkgever. In vergelijkbare zin is door de CRvB geoordeeld bij uitspraak van 28 april 1992 (RSV 1992/299). Van niet-gewerkte uren waarover loon is doorbetaald en welke zijn gelegen ná het feitelijke arbeidsurenverlies bij de betreffende werkgever (in casu 1 juni 1996) kan niet worden gezegd dat deze ten onrechte het gemiddelde arbeidspatroon zouden drukken, indien zij niet met gewerkte uren zouden worden gelijk gesteld. Door het intreden van het betreffende feitelijke arbeidsurenverlies bij SKP op 1 juni 1996 is eiseres immers in staat geweest om vanaf die datum in ruimere mate voor SVH te gaan werken. Door die uitbreiding van werkzaamheden bij SVH heeft eiseres haar feitelijk verlies aan arbeidsuren bij SKP kunnen compenseren.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de in juni en juli 1996 niet gewerkte uren waarover door SKP loon is doorbetaald, door verweerder bij de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren van eiseres per 1 augustus 1996 terecht buiten beschouwing zijn gelaten.

Het vervolgens door verweerder berekende gemiddelde aantal arbeidsuren per kalenderweek van eiseres in de 26 weken voor 1 augustus 1996 is van de zijde van eiseres niet cijfermatig bestreden. Wanneer dat urenaantal wordt vergeleken met het aantal arbeidsuren dat eiseres na 1 augustus 1996 per kalenderweek werkzaam is geweest, resteert geen relevant arbeidsurenverlies. Dat geldt zowel indien bij de berekening van het gemiddelde arbeidsurenverlies per week na 1 augustus 1996 een periode van één maand wordt gehanteerd, zoals in het primaire besluit van 19 juni 1996 is genoemd, of een periode van 26 weken, zoals genoemd in het besluit op bezwaar van 5 mei 1997.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om te oordelen dat verweerder met toepassing van artikel 4b van voormeld SVR-besluit nog een langere periode, bijvoorbeeld van 52 weken, in ogenschouw had moeten nemen.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres op 1 augustus 1996 niet werkloos in de zin van de WW kon worden geacht.

Op grond van de thans beschikbare gegevens valt overigens niet uit te sluiten dat eiseres eind 1996 of begin 1997 werkloos is geworden, doordat toen haar werkzaamheden voor SVH verminderden. Zulks staat echter in de onderhavige procedure niet ter beoordeling.

De rechtbank overweegt tot slot nog dat eiseres niet kan worden gevolgd in het beroep dat zij heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel. Uit de gedingstukken is dienaangaande gebleken dat verweerder uitsluitend na aandringen van de zijde van SKP en steeds met een uitdrukkelijk voorbehoud ten aanzien van de nog te verrichten individuele beoordelingen heeft meegedeeld dat ANW-medewerksters die zich niet zouden verweren tegen het kennelijk onontkoombare ontslag vermoedelijk niet verwijtbaar werkloos zouden worden geacht en dat derhalve ten aanzien van hen geen sanctie zou worden opgelegd. Op geen enkele wijze heeft verweerder toegezegd dat aan eiseres een WW-uitkering zou worden toegekend.

Ook in de brieven van SKP is een dergelijke individuele toezegging niet gedaan en zijn slechts algemene bewoordingen gebezigd, nog daargelaten dat verweerder niet gebonden kan worden geacht aan mededelingen die door SKP zijn gedaan. Eiseres had naar het oordeel van de rechtbank ook redelijkerwijs kunnen begrijpen dat aan dergelijke algemene mededelingen geen rechten zijn te ontlenen in haar specifieke individuele situatie, welke zich kenmerkt door de bijzondere omstandigheid dat zij haar werkzaamheden voor SVH heeft uitgebreid.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. I.B.N. Keizer als rechter in tegenwoordigheid van mr. Y.A.M. Michielsen als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 8 maart 1999

de griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: JvdS