Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3733

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-1999
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
Awb 99/1878 VV, Awb 99/2696 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Bouwbesluit 45
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

435 / Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Sector Bestuursrecht

Uitspraak

Awb 99/1878 VV

Awb 99/2696 VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel

8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil

tussen

A, wonende te B, verzoeker sub I,

gemachtigde mr. W.H.E. Parlevliet, medewerker van de DAS-

rechtsbijstand te Amsterdam,

en

C, wonende te B, verzoeker sub II,

gemachtigde mr. E.T.W.M. van Leeuwen, medewerker van de SRK

te Zoetermeer,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente

Veldhoven, verweerder.

I. PROCESVERLOOP.

Bij besluit van 3 maart 1999 heeft verweerder aan D een

bouwvergunning verleend voor het veranderen van een woning op

het perceel kadastraal bekend gemeente B, sectie [...],

nummer [...], plaatselijk bekend [...], te B.

Bij schrijven van 22 maart 1999 heeft verzoeker sub I een

bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 maart 1999 bij

verweerder ingediend.

Bij schrijven van 9 april 1999 heeft verzoeker sub II een

bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 3 maart 1999 bij

verweerder ingediend.

Tevens hebben verzoekers zich bij schrijven van respectievelijk 22

maart 1999 en 12 april 1999 tot de president gewend met

verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening als

bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De verzoeken zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van 15 april

1999, waar verzoeker sub I in persoon is verschenen, bijgestaan

door zijn gemachtigde. Verzoeker sub II heeft zich laten

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich

laten vertegenwoordigen door mr. S. Brand-Borghaerts, ambtenaar

der gemeente. Voorts is vergunninghouder de heer D

verschenen, alsmede zijn echtgenote mevrouw E.

II. OVERWEGINGEN.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien

voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is

gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan

worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening

treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen,

dat vereist.

Voorzover toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium met

zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de

bodemprocedure wordt gegeven, heeft het oordeel van de

president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend

in die procedure.

In geschil is de aan D verleende bouwvergunning voor het

veranderen van zijn woning. De verandering bestaat uit een

uitbreiding van de zolderetage, waardoor een extra verdieping zal

ontstaan. Het bouwplan voorziet in een verdraaiing van het dak met

een kwartslag. De nokhoogte wordt verhoogd en het dak zal

worden voorzien van twee dakkapellen.

Ingevolge artikel 44 van de Woningwet, mag alleen en moet een

bouwvergunning worden geweigerd indien:

a. het bouwplan in strijd is met het bouwbesluit;

b. het bouwplan in strijd is met de bouwverordening;

c. het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van

welstand;

d. het bouwplan in strijd is met het vigerende

bestemmingsplan;

e. voor de realisering van het bouwplan

monumentenvergunning is vereist en deze niet is afgegeven.

Uit het dwingend bepaalde in dit artikel volgt dat een

bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich één of meer

van de in het artikel omschreven weigeringsgronden voordoen,

doch dat de vergunning moet worden verleend indien zulk een

weigeringsgrond ontbreekt. Bij de toepassing van dit stelsel, dat

veelal als imperatief-limitatief wordt aangeduid, komt men aan

onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken

belangen niet toe.

Ingevolge de plankaart van het vigerende bestemmingsplan

"Hoogepatse Akkers" rust op het onderhavige perceel de

bestemming eensgezinshuizen in 2 bouwlagen in de klasse E2 G.

In artikel 4.A.1.b. onder 2 van de planvoorschriften is ten aanzien

van de bebouwingsklasse E2 G onder meer bepaald dat twee

woonlagen gerealiseerd mogen worden; dat de maximale

goothoogte van de voorgevel in de naar de weg gekeerde

bebouwingszone 6 meter is en de maximale bebouwingshoogte 10

meter. De inhoud van de woning bedraagt maximaal 550 m3.

In artikel 1 onder i van de begripsbepalingen van het

bestemmingsplan is het begrip bouwlaag als volgt gedefinieerd:

een begane grond en/of een hoger gelegen verdieping. Het begrip

woonlaag is niet gedefinieerd.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het vergunde

bouwplan voorziet in een derde woonlaag. Verzoekers zijn dan ook

van mening dat de bouwvergunning niet overeenstemt met de

genoemde voorwaarden in het bestemmingsplan.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ruimtes op

de zolderverdieping vanwege de afmetingen geen verblijfsruimtes

kunnen zijn zodat de zolderverdieping niet als een extra woonlaag

kan worden beschouwd.

De president ziet zich geplaatst voor de vraag of er in het

onderhavige bouwplan sprake is van het realiseren van een derde

woonlaag.

Verweerder heeft ter invulling van het in de planvoorschriften niet

gedefinieerde begrip "woonlaag" aansluiting gezocht bij het wel

gedefinieerde begrip "bouwlaag". Ter nadere invulling van

laatstgenoemd begrip is vervolgens aansluiting gezocht bij de eisen

die het Bouwbesluit bevat ten aanzien van verblijfsruimtes.

Verweerder verwijst ter ondersteuning van zijn opvatting naar een

uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van

State van 8 augustus 1996 (H01.95.0548) waarin is overwogen dat

pas gesproken kan worden van een bouwlaag indien de verdieping

zodanige afmetingen en vorm heeft dat de daardoor ontstane

ruimte zonder ingrijpende voorzieningen geschikt kan worden

gemaakt voor woonfuncties en daarmee gelijke

gebruiksmogelijkheden biedt als de daaronder gelegen bouwlagen.

Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van 'zodanige

afmetingen en vorm' heeft de Afdeling een koppeling gelegd met

het begrip 'verblijfsruimte' in het Bouwbesluit.

De Afdeling acht tevens van belang of er al dan niet bouwkundige

voorzieningen worden getroffen die de verdieping geschikt maken

voor woonfuncties.

In artikel 45, tweede lid, van het Bouwbesluit is bepaald dat een

verblijfsruimte een vloeroppervlakte moet hebben van tenminste 5

m2, waarvan de breedte tenminste 1,8 meter moet bedragen en de

bouwhoogte 2,4 meter.

Blijkens de bouwtekening behorend bij het onderhavige bouwplan

bedraagt de bouwhoogte van de zolderetage 2,4 meter over een

breedte van 1,53 meter. Voorts is de etage voorzien van twee

dakkapellen, waarin de bouwhoogte 2,3 meter bedraagt. De ruimte

wordt verdeeld in afzonderlijke ruimtes. Vergunninghouder heeft ter

zitting verklaard dat deze ruimtes, evenals op de bouwtekening is

aangegeven, zullen worden gebruikt als berging en hobbyruimte.

Overwogen wordt als volgt.

De president acht het op zichzelf niet onjuist dat verweerder ter

invulling van het begrip "woonlaag" aanknoopt bij het in het

bestemmingsplan gedefinieerde begrip "bouwlaag" en vervolgens

aansluiting zoekt bij artikel 45 van het Bouwbesluit. Naar het

voorlopig oordeel van de president betekent dit echter niet dat elke

afwijking van de maatvoering die het bouwbesluit vereist moet

leiden tot de vaststelling dat geen sprake is van een bouwlaag in de

zin van het bestemmingsplan.

Vast staat dat in casu niet geheel wordt voldaan aan de afmetingen

die het Bouwbesluit vereist om te kunnen spreken van een

'verblijfsruimte'. De president is vooralsnog van oordeel dat dit in

het onderhavige geval niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt

dat geen sprake is van een bouwlaag in de zin van het

bestemmingsplan. Bij de beoordeling van de vraag of er een

bouwlaag zal ontstaan kan naar het oordeel van de president niet

voorbij worden gezien aan de aard en de functionaliteit van de op

de zolderverdieping te realiseren ruimtes en de uiterlijke

verschijningsvorm van de zolder. In aanmerking genomen dat de

zolderruimte door middel van vaste tussenmuren zal worden

verdeeld in afzonderlijke kamers, er twee dakkapellen zullen

worden aangebracht en één van de kamers zal worden gebruikt als

hobbyruimte, kan naar het oordeel van de president niet worden

volgehouden dat de verdieping niet geschikt zou zijn voor

woonfuncties. Daarbij heeft de president tevens in aanmerking

genomen dat de in het Bouwbesluit vereiste hoogtemaat van 2,4

meter weliswaar niet over een breedte van 1,8 meter gehaald

wordt, maar dat deze, gelet op de aansluitende bouwhoogte in de

dakkapellen, over een breedte van meer dan 1,8 meter de hoogte

2,3 meter bedraagt, hetgeen slechts in beperkte mate lager is dan

de vereiste 2,4 meter.

Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de

president gerede twijfel omtrent de vraag of het onderhavige

bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Indien er op basis van de redenering van verweerder evenwel van

zou worden uitgegaan dat er geen strijd met het bestemmingsplan

is omdat er geen sprake is van een derde woonlaag aangezien er

gelet op de afmetingen geen sprake is van een verblijfsruimte, dan

wordt het volgende overwogen. De president constateert dat het

onderhavige bouwplan voorziet in realisering van een hobbyruimte.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat deze ruimte niet als

verblijfsruimte aangemerkt kan worden. Dit zou anders zijn indien

deze ruimte als slaapkamer gebruikt zou worden, aldus verweerder.

De president vermag echter niet in te zien waarom (een

slaapkamer wel en) een hobbyruimte niet als verblijfsruimte kan

worden aangemerkt, aangezien ook in een hobbyruimte mensen

gedurende langere tijd kunnen verblijven en de ruimte derhalve een

woonfunctie niet ontzegd kan worden. Vast staat dat niet geheel

wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de

maatvoering, die ten aanzien van een verblijfsruimte in het

Bouwbesluit wordt gesteld, zodat er alsdan reden is om te twijfelen

of het onderhavige bouwplan in overeenstemming is met het

Bouwbesluit.

Nu er op grond van het bovenstaande een redelijke kans bestaat

dat het bestreden besluit bij de beslissing op het bezwaarschrift niet

in stand zal blijven, zal de voorlopige voorziening worden

toegewezen en zal het bestreden besluit worden geschorst tot zes

weken na de beslissing op het bezwaarschrift.

Verweerder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden

veroordeeld in de proceskosten.

Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage per verzoeker

begroot op in totaal ? 1.420,-- voor kosten van door een derde

beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt ? 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de president bepalen dat door verweerder aan

verzoekers het door hen gestorte griffierecht dient te worden

vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De president.

I. Wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige

voorziening toe;

II. Schorst het bestreden besluit tot zes weken

nadat op de bezwaarschriften is beslist;

III. Veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte

proceskosten vastgesteld op ? 1.420,-- per verzoeker, te betalen

door de gemeente Veldhoven;

IV. Gelast dat het door verzoekers ieder

afzonderlijk betaalde griffierecht ad f 225,-- door de gemeente

Veldhoven aan verzoekers wordt vergoed;

Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden als fungerend

president in tegenwoordigheid van mr. V.N. Sluiter als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 29 april 1999.