Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3718

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-1999
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
Awb 98/4180 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-06-21
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 1999-06-21
Werkloosheidswet 27, geldigheid: 1999-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

490

AWB 98/4180 WW

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet

bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde W.N.C.P. Verlegh,

en

het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen te

Amsterdam, verweerder,

in dezen vertegenwoordigd door GAK Nederland BV,

gemachtigde mr. E. van der Palen.

I. PROCESVERLOOP

Eiser is vanaf 15 augustus 1997 op oproepbasis werkzaam geweest bij

"X" (hierna X) te B. Vanaf 17

december 1997 heeft eiser niet meer gewerkt vanwege een teruglopend

werkaanbod. Eiser heeft zich op 18 december 1997 tot verweerder

gewend met het verzoek om toekenning van een uitkering ingevolge de

Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 23 januari 1998 heeft verweerder vervolgens geweigerd

eiser met ingang van 17 december 1997 in aanmerking te brengen voor

een WW-uitkering, omdat hij verwijtbaar werkloos geworden is.

Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar is bij besluit van 15 april

1998 ongegrond verklaard.

Op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden is namens eiser

tegen dit besluit beroep ingesteld. Gevorderd is het bestreden besluit te

vernietigen en te bepalen dat aan eiser een WW-uitkering wordt

toegekend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 mei 1999, waar eiser is

verschenen in persoon. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen

door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank stelt voorop dat het onderhavige geschil zal worden

beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals deze luidden

ten tijde hier van belang.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden

besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Blijkens de gedingstukken ligt aan het bestreden besluit het standpunt ten

grondslag dat eiser ontslag heeft genomen uit een vaste dienstbetrekking

om te gaan werken als oproepkracht. Naar het oordeel van verweerder

heeft eiser hiermee een voorzienbaar werkloosheidsrisico genomen,

waardoor hij verwijtbaar werkloos wordt geacht.

Van de zijde van eiser is hiertegen aangevoerd dat zijn werksituatie bij

X niet verschilde van de werksituatie bij zijn vorige werkgever,

omdat hij bij beide werkgevers als fulltime stratenmaker heeft gewerkt.

Als gevolg van een teruglopend werkaanbod is het gebruikelijk in de

bouwwereld werknemers te ontslaan in de maanden december tot en met

februari als gevolg van niet werkbare weersomstandigheden. Voorts zou

het oproepcontract een vergissing zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a van de WW, voorkomt

de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b van artikel 24 van de WW is

de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking

eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige

bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van

hem zou kunnen worden gevergd.

Ingevolge artikel 27, eerste lid van de WW weigert de bedrijfsvereniging

de uitkering blijvend geheel, indien de werknemer de verplichting om te

voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet nakomt, tenzij het niet

nakomen van die verplichting de werknemer niet in overwegende mate

kan worden verweten. In dat geval weigert de bedrijfsvereniging de

uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het

uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van het recht op

uitkering, de ontslagname uit de voorlaatste dienstbetrekking in

beschouwing mag worden genomen, omdat eiser uit hoofde van zijn

laatste dienstbetrekking vanaf 25 augustus 1997 geen zelfstandig recht

op uitkering heeft opgebouwd, nu hij daar circa 16 weken arbeid heeft

verricht. De rechtbank verwijst in dit verband naar onder meer de

uitspraak van de CRvB gepubliceerd in RSV

1993, 245.

De rechtbank moet vervolgens vaststellen dat de door eiser ondertekende

overeenkomst met X, waarvan zich een afschrift onder

gedingstukken bevindt, gelet op de tekst en inhoud als een overeenkomst

op oproepbasis moet worden aangemerkt.

De rechtbank is echter van oordeel dat de vraag of eiser verwijtbaar

werkloos is geworden, omdat hij een voorzienbaar werkloosheidsrisico

heeft genomen door van baan te wisselen, ontkennend moet worden

beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat,

blijkens de gedingstukken, eiser bij zijn voorlaatste werkgever ook in de

voorgaande jaren gedurende de wintermaanden werkloos was als gevolg

van een verminderd werkaanbod. Alle stratenmakers worden bij deze

werkgever ontslagen en kunnen in maart weer terugkeren. Eiser zou in

december 1997 ook werkloos zijn geworden, indien hij geen ontslag had

genomen. Daarbij komt dat eiser jaaropgaven heeft ingebracht, waaruit

blijkt dat hij in de winterperiode WW-uitkering heeft genoten in de jaren

1993, 1994, 1995 en 1996.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat bij de

voorlaatste werkgever en bij X sprake was van een vergelijkbare

situatie.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in de stelling dat bij de

voorlaatste werkgever sprake zou zijn van een andere situatie, als gevolg

waarvan WW-uitkering is verstrekt.

De rechtbank wil hieraan nog toevoegen dat het vanuit een oogpunt van

toepassing van de WW ook alleszins toelaatbaar is te achten, dat eiser

(na ruim negen jaar) bij X is gaan werken, omdat hij daar f 75,-

netto per week meer kon gaan verdienen.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit geen stand kan

houden.

Het beroep van eiser zal gegrond worden verklaard.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van 31

januari 1998 dienen te nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van

artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte

proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit

proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in

totaal f 10,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende

rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* waarde per punt f 10,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door het Landelijk instituut sociale

verzekeringen aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te

worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe besluit dient te nemen naar

aanleiding eisers bezwaar gericht tegen het besluit van 23 januari 1998

met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- gelast het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiser te

vergoeden het door hem gestorte griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten

vastgesteld op f 10,--, te vergoeden door het Landelijk instituut sociale

verzekeringen.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als rechter in

tegenwoordigheid van R.C. de Cuba als griffier en uitgesproken in het

openbaar op

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na

de datum van toezending hoger beroep instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht

Afschrift verzonden:

HS