Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1999:AA3486

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-03-1999
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
AWB 98/3500 ABP AWB 98/171 ABP
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak

AWB 98/3500 ABP AWB 98/171 ABP

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de geschillen tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde drs. A.M.A. van Esch,

en

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

De Stichting USZO, verweerder, gemachtigde mr. J.H.J. van Gastel.

I. PROCESVERLOOP

Aan eiser is met ingang van 1 augustus 1992 door verweerder een wachtgelduitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO) toegekend.

Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft verweerder op eisers uitkering een sanctie in de vorm van een korting van 10% gedurende een periode van 13 weken, van 7 januari 1997 tot 8 april 1997, toegepast omdat eiser ten onrechte niet op een passende betrekking heeft gesolliciteerd.

Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 29 november 1997 ongegrond verklaard.

Op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden is namens eiser tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Dit beroep staat bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 98/171 ABP.

Bij besluit van 5 december 1997 heeft verweerder op eisers uitkering een maatregel in de vorm van vermindering van het uitkeringspercentage met 30% over 16 weken, van 15 september 1997 tot 5 januari 1998, toegepast omdat eiser ten onrechte niet heeft gesolliciteerd naar een passende vacature.

Het namens eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 23 maart 1998 gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de maatregel. De korting op de uitkering wordt verlaagd naar 20%. De periode gedurende welke de maatregel wordt toegepast, wordt niet gewijzigd.

Tegen het besluit van 23 maart 1998 is namens eiser op de daartoe in het beroepschrift uiteengezette gronden beroep ingesteld en is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen. Dit beroep staat bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 98/3500 ABP.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 februari 1999, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

In geding is de vraag of de besluiten van 29 november 1997 en 23 maart 1997 in rechte stand kunnen houden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 10, aanhef en onder b, van het Besluit Werkloosheid Onderwijs- en Onderzoekspersoneel (BWOO) dient een betrokkene te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij of in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen (onder ten eerste), dan wel nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt (onder ten tweede), door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt (onder ten derde) of in verband met door hem te verrichten arbeid eisen stelt die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren (onder ten vierde). Als passende arbeid wordt beschouwd (artikel 10 lid 3 BWOO) alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Indien een verplichting als hiervoor omschreven niet wordt nagekomen, dan is het uitkeringsorgaan op grond van artikel 13, eerste lid van het BWOO bevoegd de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.

De rechtbank overweegt dat allereerst beoordeeld dient te worden of het verrichten van werkzaamheden als docent Nederlands voor eiser als passende arbeid in de zin van artikel 10, derde lid van het BWOO kan worden aangemerkt.

Blijkens de gedingstukken ligt aan beide besluiten het standpunt van verweerder ten grondslag dat eiser bekwaam is om het vak Nederlands te geven zodat van hem wordt verwacht dat hij op vacatures voor docent Nederlands solliciteert. Verweerder heeft daarbij ter zitting gesteld dat het bevoegd gezag, dat wil zeggen de betreffende onderwijsinstelling, bepaalt of betrokkene bekwaam is om een bepaald vak te doceren. Indien een onderwijsinstelling bereid is betrokkene als docent in een bepaald vak aan te stellen is daarmee voor verweerder de bekwaamheid van betrokkene gegeven, aldus verweerder.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij weliswaar bevoegd is om het vak Nederlands te onderwijzen, maar dat hij daartoe, gelet op het feit dat hij deze bevoegdheid dertig jaar geleden heeft behaald en sindsdien jarenlang alleen als docent handvaardigheid werkzaam is geweest, alsmede gelet op zijn leeftijd, absoluut niet bekwaam kan worden geacht. De enkele omstandigheid dat het schoolbestuur eiser de betreffende functie heeft aangeboden wil nog niet zeggen dat eiser daartoe bekwaam is. Eiser heeft immers niet gesolliciteerd zodat het schoolbestuur zich geen mening hierover heeft kunnen vormen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet bekwaam is om werkzaamheden als docent Nederlands te gaan verrichten. De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende overwegingen.

Eiser is reeds meer dan dertig jaar als docent werkzaam, zodat aangenomen moet worden dat eiser bekwaam is om les te geven. Daarmee is eiser echter nog niet bekwaam om in elk willekeurig vak les te geven. Enkel van een dertig jaar geleden behaald diploma of behaalde bevoegdheid, kan op zich niet de bekwaamheid, welke blijkens dat diploma of die bevoegdheid, dertig jaar geleden aanwezig was, worden afgeleid. In die dertig jaar zal de voor de bevoegdheid opgedane kennis en kunde immers voor een (groot) deel vergeten zijn, nog afgezien van de ontwikkelingen in het betreffende vakgebied welke niet zijn bijgehouden. Wellicht is het mogelijk door bijscholing de verloren gegane bekwaamheid weer op te halen, maar dat is in casu niet aan de orde aangezien eiser niet verweten wordt niet te hebben meegewerkt aan voor hem passend geachte scholing.

De stelling van verweerder dat het aan de onderwijsinstellingen is om te bepalen of betrokkene bekwaam is een bepaalde functie uit te oefenen berust niet op de wet. Als uitvoeringsorgaan van het BWOO dient verweerder de bekwaamheid van betrokkene te toetsen. Daarbij kan verweerder de bereidheid van een potentiële werkgever om betrokkene aan te stellen laten meewegen. Indien echter door betrokkene gemotiveerd wordt aangevoerd dat hij niet bekwaam is, kan niet worden volstaan met verwijzing naar genoemde bereidheid van de potentiële werkgever. Deze kan immers hem moverende redenen hebben om betrokkene de functie aan te bieden. Zo heeft het, ingevolge de wet op het voortgezet onderwijs, voor scholen financiële gevolgen indien zij wachtgelders die bij hen gewerkt hebben niet benoemen in bij hen bestaande vacatures. Bovendien is het een gegeven van algemene bekendheid dat ten gevolge van de krapte op de arbeidsmarkt onderwijsinstellingen (noodgedwongen) ook niet bevoegde personen zoals studenten onderwijs laten geven.

De rechtbank acht tevens van belang dat de Projectbemiddeling Arbeidsvoorziening van Zuidoost Brabant, zoals verweerder zelf vaststelt, eiser niet capabel acht voor het lesgeven in het vak Nederlands.

Verweerders stelling dat de status van de conclusie van genoemde projectbemiddeling niet duidelijk is, kan niet leiden tot een andersluidend oordeel te aanzien van eisers bekwaamheid. Het lag op verweerders weg om nader onderzoek hiernaar te (doen) verrichten. Dat verweerder die heeft nagelaten kan niet voor rekening en risico van eiser komen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, nu er geen sprake is van passende arbeid, eiser de verplichtingen neergelegd in artikel 10 van het BWOO niet heeft overtreden, zodat verweerder ten onrechte is overgegaan tot het toepassen van een sanctie c.q. maatregel en de bestreden besluiten in rechte geen stand kunnen houden.

De rechtbank zal het beroep tegen het besluit van 29 november 1997 alsmede het beroep tegen het besluit van 23 maart 1998 gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen.

Verweerder zal gezien het voorgaande bij het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar niet anders kunnen dan de primaire besluiten intrekken. Uit proceseconomische redenen zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72 lid 4 van de Awb door ook de primaire besluiten te vernietigen.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

? 2 punten voor het indienen van (aanvullende) beroepschriften;

? waarde per punt f 710,--;

? wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats wordt gesteld van voornoemde vernietigde besluiten en vernietigt dusdoende de primaire besluiten van 6 oktober 1997 en 5 december 1997;

- gelast de Staat der Nederlanden aan eiser te vergoeden het door hem gestorte griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op f 1.420,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gedaan door mr. P.A.M. Penders als rechter

in tegenwoordigheid van mr. Y.A.M. Michielsen als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 1999

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden: MvB

AWB 98/3500 ABP AWB 98/171 ABP