Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSHE:1997:ZF0416

Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-1997
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
Awb 97/2284 Abw VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De uitkering van verzoeker is voortgezet naar de norm voor gehuwden onder de voorwaarde dat verzoekers echtgenote de beroepsopleiding tolk/vertaler binnen vijf dagen na dagtekening van dat besluit beëindigt.

In geval van ondubbelzinnige, schriftelijke, toezegging dat uitkering onder voorwaarde wordt voortgezet, ondanks strijd met art. 9.2 Abw, mag uitkering niet zonder meer worden beëindigd.

Voorlopige voorziening tot contra-legem voortzetting bijstand naar gehuwdennorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

Uitspraak

Awb 97/2284 Abw VV

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen

A te B, verzoeker, gemachtigde: mr. P.P. Cornelissen, juridisch medewerker van het Buro voor Rechtshulp te Helmond.

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, verweerder, gemachtigde: F.T.H.K. Lammers.

I. PROCESVERLOOP

Sedert 28 september 1995 ontving verzoeker een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 14 februari 1996 is deze uitkering omgezet naar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 12 december 1996 van de toenmalige gemeente AarleRixtel is de uitkering van verzoeker voortgezet naar de norm voor gehuwden onder de voorwaarde dat verzoekers echtgenote de beroepsopleiding tolk/vertaler binnen vijf dagen na dagtekening van dat besluit beëindigt.

Tegen dit besluit is namens verzoeker op 16 januari 1997 bezwaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, dat in verband met de gemeentelijke herindeling thans als verwerende partij geldt.

Bij schrijven van 20 februari 1997 is namens verzoeker aan de president verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 11 maart 1997 behandeld ter zitting, waar verzoeker in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde.

Tevens is ter zitting verschenen de gemachtigde van verweerder.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien tegen het besluit van 12 december 1996 tijdig bezwaar is gemaakt en ook overigens geen belemmeringen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

Ten aanzien van de vraag of in dit geval een voorlopige voorziening moet worden getroffen, overweegt de president het volgende.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Verzoeker is op 14 februari 1996 gehuwd met mevrouw X, geboren op […] 1971 te Cuba. Verzoeksters echtgenote is niet in het bezit van een vergunning tot verblijf. Aangezien ten behoeve van haar een verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Abw is afgegeven, kan haar op grond van artikel 12, eerste lid, van de Abw in beginsel bijstand worden verleend.

Verzoekers echtgenote volgt sedert 5 september 1996 een hogere beroepsopleiding tolk/vertaler aan de Hogeschool te Y. Bij schrijven van 31 oktober 1996 heeft de toenmalige gemeente Aarle-Rixtel verzoeker onder meer het navolgende laten weten:

"(...) Tijdens de hercontrole is daarnaast gebleken dat uw echtgenote een dagopleiding volgt aan de Hogeschool te Y. De aard en de duur van deze opleiding brengt met zich mee, dat hiervoor een noodzakelijkheidsverklaring afgegeven dient te worden door arbeidsvoorziening. (Art. 114, Abw) Wij willen u in de gelegenheid stellen bedoelde verklaring binnen twee weken ná dagtekening van deze beschikking aan te leveren. Voldoet u niet aan dit verzoek, dan zien wij ons, conform de Abw, genoodzaakt uw periodieke Abw-uitkering aan te passen.(...)".

Bij schrijven van 14 november 1996 heeft Individuele Traject Begeleiding Peelland (ITB, zijnde het samenwerkingsverband individuele trajectbegeleiding tussen het Regionaal Bestuur Arbeidsvoorziening Zuidoost-Brabant en onder meer destijds de toenmalige gemeente Aarle-Rixtel en thans de gemeente Laarbeek) als volgt geadviseerd:

"(...) Wil zij echter een kans maken op een baan op dit niveau, dan dient zij te beschikken over een diploma als tolk/vertaler. Ik acht betrokkene aangewezen op dit soort banen. Derhalve vind ik scholing in deze richting noodzakelijk. Gezien echter het meerjarige karakter van dit soort scholing, is ITB niet in staat om opleiding in deze richting financieel te ondersteunen. Ik adviseer X om ondersteuning bij de instantie aan te vragen op grond van de aanwezige noodzaak voor deze studie. Zolang X met deze studie bezig is (ongeveer 4 jaar) adviseer ik de uitkerende instantie om haar voor 2 jaar vrij te stellen van de sollicitatieplicht. Daarna kan aan de hand van haar studieresultaten de situatie opnieuw worden bezien. Overwegingen hierbij zijn dat haar man in staat moet worden geacht om binnen een jaar betaald werk te vinden op minstens MBO-niveau. Betaling van de studie van X acht ik dan tot de verantwoordelijkheid van X en haar echtgenoot.". Dit advies is aan de gemeente Aarle-Rixtel overgelegd.

Bij schrijven van 12 december 1996 heeft de gemeente Aarle-Rixtel verzoeker onder meer laten weten dat weliswaar de gevraagde noodzakelijkheidsverklaring was afgegeven maar dat het volgen van de betreffende opleiding met behoud van uitkering in strijd blijft met artikel 9, tweede lid, onder b, van de Abw. Op grond hiervan diende verzoekers echtgenote binnen vijf dagen na dagtekening van gemeld schrijven te stoppen met haar studie. Indien zij geen gehoor zou geven aan deze aanzegging dan zou verzoekers uitkering onmiddellijk worden omgezet naar de norm voor een alleenstaande.

Gebleken is dat verzoekers echtgenote niet is gestopt met haar studie en dat verweerder op 12 december 1996 is overgegaan tot omzetting van de uitkering naar de norm voor een alleenstaande.

De president overweegt als volgt.

Buiten geschil is dat de opleiding die verzoekers echtgenote volgt betreft een opleiding als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering. Vast staat dat ingevolge artikel 9, tweede lid van de Abw, geen recht heeft op algemene bijstand degene die onderwijs volgt als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering. Indien echter desondanks sprake is van een ondubbelzinnige, schriftelijke toezegging door een bestuursorgaan dat onder bepaalde voorwaarden de toegekende uitkering zal worden voortgezet, dan zal het vertrouwensbeginsel zich verzetten tegen het zonder meer beëindigen van de uitkering.

Gezien het schrijven van 31 oktober 1996 van burgemeester en wethouders van de gemeente Aarle-Rixtel, is de president van oordeel dat sprake is van een ondubbelzinnige toezegging dat verzoekers echtgenote haar studie zou mogen vervolgen met behoud van uitkering indien een noodzakelijkheidsverklaring zou worden overgelegd. Overigens acht de president op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet op voorhand ongeloofwaardig verzoekers stelling dat zijn echtgenote bij aanvang van de studie van de gemeente Aarle-Rixtel reeds toestemming heeft verkregen de opleiding te volgen.

Met betrekking tot de noodzakelijkheidsverklaring zelf overweegt de president dat niet is gebleken dat de persoon die de verklaring destijds heeft opgesteld onbevoegd heeft gehandeld zoals door verweerder wordt gesteld. De president is dan ook van oordeel dat sprake is van een noodzakelijkheidsverklaring als bedoeld in de brief van 31 oktober 1996 van de gemeente Aarle-Rixtel. Daarbij kan in het midden blijven of, achteraf bezien, die verklaring een "formele status" had.

Naar voorlopig oordeel van de president heeft verzoeker, nu aan de in de brief van 31 oktober 1996 gestelde voorwaarde is voldaan, erop mogen vertrouwen dat zijn echtgenote haar studie met behoud van uitkering mocht vervolgen.

Verweerder heeft onder de gegeven omstandigheden ondanks het bestaan van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Abw niet zonder meer tot omzetting van de uitkering naar de norm voor een alleenstaande kunnen overgaan.

Derhalve zal het bestreden besluit naar voorlopig oordeel van de president in bezwaar geen stand kunnen houden.

De president ziet in het voorgaande voldoende aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als na te melden.

De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door de verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op fl. 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt fl. 710,--, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Tevens wordt met toepassing van artikel 8:82, vierde lid van de Awb bepaald dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffiegeld zal vergoeden.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De president,

I. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toe in dier voege dat verzoeker in aanmerking wordt gebracht voor bijstand naar de norm voor gehuwden met ingang van 21 februari 1997 (zijnde de datum waarop het verzoek ter griffie van deze rechtbank is binnengekomen) totdat op het bezwaarschrift is beslist;

II. veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op een bedrag van fl. 1.420,-- te betalen door de gemeente Laarbeek, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

III. gelast verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad fl. 50,-- aan verzoeker te vergoeden.

Aldus gewezen en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 1997 door

mr. A.W. Govers, in aanwezigheid van de griffier.

Afschrift verzonden: AK