Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ5114

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
21-03-2013
Zaaknummer
424987 / KG ZA 12-854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, strafrecht, executie vervangende hechtenis na schadevergoedingsmaatregel. De voorzieningenrechter bepaalt dat het CJIB gebruik dient te maken van de uitzonderingsmogelijkheid in de Aanwijzing executie en dat eiser de openstaande vorderingen zal voldoen door middel van een betalingsregeling. De tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt opgeschort totdat eiser verzuimt aan de betalingsregeling te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 424987 / KG ZA 12-854

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting], te [plaatsnaam],

eiser,

advocaat mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1. Procesverloop

Eiser heeft de Staat op 9 augustus 2012 doen dagvaarden om op 16 augustus 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en vervolgens pro forma aangehouden tot 25 augustus 2012 om eiser in de gelegenheid te stellen door middel van overlegging van stukken aan de Staat zijn inkomenspositie inzichtelijk te maken. Bij brief met bijlagen van 20 augustus 2012 heeft de Staat aan de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen. Hierop heeft eiser gereageerd bij fax van 21 augustus 2012. Er is op 24 augustus 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 augustus 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiser is door de rechtbank Haarlem bij onherroepelijk vonnis van 31 december 2009 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk. In dit vonnis is voorts de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel aan eiser opgelegd van € 2.000,--, subsidiair 30 dagen hechtenis (hierna: de Haarlemse zaak).

2.2. Eiser is door de politierechter van de rechtbank Amsterdam bij onherroepelijk vonnis van 5 april 2011 veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 5.518,97, subsidiair 62 dagen hechtenis (hierna: de Amsterdamse zaak).

2.3. Op grond van een vonnis van de politierechter van de rechtbank Leeuwarden van 8 april 2011 is eiser tot 20 augustus 2012 gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].

2.4. Zowel in de Haarlemse als de Amsterdamse zaak is eiser herhaaldelijk door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) bij brief aangemaand om tot betaling van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen over te gaan.

2.5. De incasso van de schadevergoedingsmaatregel die aan eiser is opgelegd in de Haarlemse zaak is door het CJIB in maart 2011 aan de deurwaarder ter hand gesteld. In maart 2012 heeft de deurwaarder de zaak aan het CJIB teruggestuurd, omdat het de deurwaarder niet mogelijk was gebleken om het bedrag te incasseren.

2.6. Het CJIB heeft de incasso van de in de Amsterdamse zaak opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet aan de deurwaarder in handen gesteld gelet op de ervaringen van de deurwaarder in de Haarlemse zaak. In de Amsterdamse zaak is op 15 december 2011 een waarschuwing arrestatiebevel aan eiser gezonden en op 6 januari 2012 is een arrestatiebevel uitgevaardigd.

2.7. Per brief van 23 maart 2012 is in de Haarlemse zaak een waarschuwing arrestatiebevel aan eiser toegezonden waarin staat opgenomen dat als hij niet tot betaling van de schadevergoedingsmaatregel die aan hem is opgelegd in de Haarlemse zaak overgaat de daaraan gekoppelde gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd.

2.8. Eiser is op of omstreeks maart 2012 in het opsporingsregister opgenomen, omdat in de gemeentelijke basisadministratie was vermeld dat hij naar het Spaanse Alicante was verhuisd.

2.9. Op 22 april 2012 is eiser door de politie aangehouden.

2.10. Eiser heeft bij brief van 10 mei 2012 middels zijn advocaat aan het CJIB een voorstel voor het treffen van een betalingsregeling gedaan. Dit voorstel hield in dat eiser met ingang van 1 juli 2012 de openstaande vorderingen uit hoofde van de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen zou voldoen in 36 maandelijkse termijnen van € 304,79.

2.11. Bij brief van 29 mei 2012 heeft het CJIB aan (de advocaat van) eiser laten weten dat zijn betalingsvoorstel niet wordt geaccepteerd, omdat de Haarlemse en Amsterdamse zaak al aan de penitentiaire inrichting waar eiser verblijft zijn overgedragen voor de tenuitvoerlegging van de hechtenis die aan de schadevergoedingsmaatregelen is gekoppeld.

2.12. In een e-mailbericht van 26 juli 2012 van Olympia Uitzendbureau Arnhem is aan eiser bericht dat hij per 21 augustus 2012 als uitzendkracht geplaatst wordt in het distributiecentrum van het Kruidvat te Heteren.

2.13. In een e-mailbericht van 17 augustus 2012 van Olympia Uitzendbureau Arnhem is aan eiser bericht dat de functie bij het Kruidvat te Heteren een functie is waarvoor hij fulltime beschikbaar moet zijn maar waarbij de planning op dagbasis plaatsvindt. Daardoor kan het zijn dat eiser de ene week vijf dagen en de week daarop drie dagen moet werken. Er is geen uurgarantie. Dat hangt onder andere af van de prestaties en het functioneren van eiser. Ten slotte is in dit bericht vermeld dat voor het werken in ploegendiensten een toeslag wordt uitbetaald en er mogelijkheden zijn op contracten, meestal na 26 weken, maar dat het ook kan zijn dat eiser langer via het uitzendbureau zal werken, maar dat het ook kan zijn dat het werk stopt.

2.14. De door eiser nog betalen schadevergoedingsmaatregelen bedragen thans € 2.418,-- en € 8.554,59.

3. Het geschil

3.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – dat hij de vorderingen van de Staat met de nummers 2052542600137846 (de Haarlemse zaak) en 8052542600145261 (de Amsterdamse zaak) zal aflossen door betaling van een bedrag van € 304,79 per maand waarbij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen opgeschort wordt totdat eiser verzuimt aan voornoemde betalingsregeling te voldoen.

3.2. Daartoe stelt eiser het volgende. Eiser heeft een heel redelijk voorstel gedaan door aan te bieden in 36 maandelijkse termijnen van € 304,79 de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen te voldoen. Als eiser op 20 augustus 2012 vrijkomt kan hij vanaf 21 augustus 2012 bij het Kruidvat te Heteren gaan werken, zodat hij over een inkomen zal beschikken waaruit hij de voorgestelde betalingen kan verrichten. Als de tenuitvoerlegging niet wordt opgeschort en hij in vervangende hechtenis moet blijven zal hij niet met zijn nieuwe baan kunnen beginnen. In dat geval zal hij geen inkomsten kunnen genereren, zodat hij de schadevergoedingsmaatregelen niet kan betalen. De duur van de opgelegde vervangende hechtenis is in totaal 92 dagen. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat na ommekomst van die termijn eiser nog steeds aan de slag zal kunnen bij het Kruidvat. Eiser is met de bank een betalingsregeling overeengekomen voor de door hem te betalen hypothecaire lasten voor zijn woning. Als hij niet aan het werk kan zal hij deze betalingsregeling niet kunnen voldoen. Dan zal het risico bestaan dat deze woning door de bank wordt verkocht en zullen eiser, zijn hoogzwangere vrouw en hun twee andere kinderen op straat komen te staan.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven.

4.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedings¬maatregelen.

4.3. Artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat een strafvonnis zo spoedig mogelijk wordt geëxecuteerd. Dat uitgangspunt geldt ook voor de tenuitvoerlegging van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In artikel 561 lid 3 Sv is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van onder meer schadevergoedingsmaatregelen.

4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, (thans) is neergelegd in de ‘Aanwijzing executie’ (Staatscourant 21 december 2010, 20473, met rectificatie op 11 januari 2011). Daarin is, net als in de voordien geldende ‘Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke invrijheidstelling’, ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen afbetalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel binnen een redelijke termijn die is gesteld op 12 of maximaal 36 maanden. Verder bepaalt de Aanwijzing executie dat een arrestatiebevel wordt uitgevaardigd indien de inning en/of het verhaal met/zonder dwangbevel niet succesvol kan worden afgesloten. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de bedoelde beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen. Verder is in de Aanwijzing executie nog bepaald dat het CJIB in beginsel (onder meer) geen betalingsregelingen meer treft indien een arrestatiebevel is uitgevaardigd.

4.5. De Staat heeft ter zitting met uitdrukkelijke verwijzing naar het onder rechtsoverweging 4.4 weergegeven beleid verklaard dat met eiser geen betalingsregeling meer zal worden getroffen omdat reeds een arrestatiebevel is uitgevaardigd en deze zaken al zijn overgedragen aan de penitentiaire inrichting waar eiser verblijft. Verder is volgens de Staat onvoldoende zeker dat eiser de aangeboden regeling zal kunnen nakomen. De voorzieningenrechter overweegt dat het CJIB in dit geval weliswaar handelt conform de Aanwijzing executie maar in de gegeven omstandigheden wordt deze strikte toepassing van voornoemde Aanwijzing jegens eiser onrechtmatig bevonden. Daartoe is het volgende redengevend.

4.6. Niet in geschil is dat de totale hoogte van de openstaande vorderingen thans € 10.972,59 bedraagt. Verder staat vast dat dit bedrag door betaling van 36 maandelijkse termijnen van € 304,79 kan worden afgelost. Als eiser de namens hem bij brief van 10 mei 2012 aangeboden betalingsregeling kan nakomen zal hij derhalve in voornoemde – en door de Aanwijzing executie als maximum termijn voorgeschreven – tijdsperiode de aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregelen kunnen voldoen (zie onder 2.10). Volgens de Staat is echter onzeker of eiser de betalingsregeling kan nakomen door het werk dat hij via het uitzendbureau heeft gevonden. De Staat heeft in dat verband betoogd dat de omvang van de in de e-mails van 26 juli 2012 en 17 augustus 2012 bedoelde werkzaamheden (zie onder 2.12 en 2.13) en daardoor de omvang van het salaris niet vaststaat. Bovendien is volgens de Staat geen sprake van een vaste baan. Naar voorlopig oordeel doet het verweer van de Staat er niet aan af, dat eiser een betrekking heeft gevonden en pas nadat hij aan deze werkzaamheden is begonnen en zijn eerste salaris uitbetaald heeft gekregen kan worden bekeken hoeveel hij exact zal verdienen. Uit de overgelegde correspondentie blijkt in ieder geval dat eiser via de ploegendiensten extra betaald zal krijgen, zodat het door hem beoogde salaris mogelijk ook bereikt wordt als hij niet fulltime werkt, maar wel met regelmaat in deze ploegendiensten meedraait. Ter zitting heeft eiser (onweersproken) verklaard dat hij al een rondleiding bij zijn nieuwe werkgever heeft gehad, zodat naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk is geworden dat eiser per direct aan het werk zal kunnen. Dat eiser geen vast contract heeft, maakt een en ander wel onzeker maar niet verwacht kan worden dat eiser vanuit een detentiepositie in de huidige economische situatie direct een vaste baan zal bemachtigen. Als eiser de hem aangeboden betalingsregeling echter kan nakomen, dan zullen de schadevergoedingsmaatregelen tijdig en volledig kunnen worden voldaan en worden de door hem gedupeerde personen schadeloos gesteld.

4.7. Vervolgens heeft de Staat aangevoerd dat onduidelijk is of de partner van eiser na 2013 inkomsten zal hebben. Overwogen wordt dat dit niet per definitie inhoudt dat thans vaststaat dat de betalingsregeling niet door eiser zal worden nagekomen. In ieder geval zal de partner van eiser (voorlopig) kunnen meedragen in de vaste lasten van de huishouding. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij de achterstand in de hypotheek kan betalen via een teruggaaf van de Belastingdienst. Vervolgens zou hij de maandelijkse hypothecaire lasten kunnen voldoen vanuit de inkomsten die hij en zijn partner genereren. Ten slotte heeft de Staat terecht opgemerkt dat eiser de indertijd opgegeven schuld en de door eiser gestelde algehele aflossing daarvan ter hoogte van € 100.000,-- niet heeft toegelicht. De voorzieningenrechter overweegt dat alle (financiële) omstandigheden in dit geval onzeker zijn doordat eiser vanuit een detentiesituatie een en ander heeft moet regelen. Ter zitting heeft eiser echter uitdrukkelijk en gemotiveerd betoogd dat hij van de aan hem aangeboden baan een succes wil maken en zijn schulden, waaronder de schadevergoedingsmaatregelen, volledig wil voldoen. Eiser heeft aangevoerd dat hij, althans zijn partner, in dat verband ook al een eerste termijn heeft voldaan aan het CJIB.

4.8. Gelet op vorenstaande omstandigheden ligt het naar voorlopig oordeel in de rede dat de Staat in dit geval van de uitzonderingsmogelijkheid die de Aanwijzing executie geeft gebruik maakt en hoewel er arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd, de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis schorst en de door eiser aangeboden betalingsregeling accepteert. Door dat vooralsnog niet te doen handelt de Staat jegens eiser onrechtmatig, zodat de door eiser ingestelde vordering kan worden toegewezen.

4.9. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat het voor eiser duidelijk is wat de consequenties zullen zijn als hij de door hem aangeboden regeling niet nakomt. De vervangende hechtenis van 92 dagen zal dan op de kortst mogelijke termijn alsnog door het CJIB ten uitvoer kunnen worden gelegd.

4.10. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- bepaalt dat eiser de vorderingen van de Staat met de nummer 2052542600137846 en 8052542600145261 zal aflossen door betaling van een bedrag van € 304,79 per maand waarbij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen opgeschort wordt totdat eiser verzuimt aan voornoemde betalingsregeling te voldoen;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op € 1.159,17, waarvan:

a. € 1.083,-- te voldoen aan eiser (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 267,-- aan griffierecht);

b. € 76,17, exclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.580 ten name van MvVenJ. Arrondissement Den Haag 537, onder vermelding van "proceskostenveroordeling'' en het zaak- en rolnummer;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2012.

evdt