Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ5020

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
21-03-2013
Zaaknummer
AWB 12/4429
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afgifte rijbewijs; leeftijdsdiscriminatie; artikel 21 en 51 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Richtlijn 91/439/EEG; Richtlijn 2006/126/EG

De rechtbank stelt vast dat de Derde Rijbewijsrichtlijn - anders dan de Tweede Rijbewijsrichtlijn, op grond waarvan de lidstaten het recht behielden om de geldigheidsduur van de door hem afgegeven rijbewijzen vast te stellen volgens nationale criteria - regels stelt aangaande de geldigheidsduur van rijbewijzen. Voorts stelt de rechtbank vast dat lidstaten ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Derde Rijbewijsrichtlijn uiterlijk 19 januari 2011 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dienen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan artikel 7, tweede en derde lid, van de richtlijn te voldoen. Zij dienen op grond van het tweede lid van dat artikel die bepalingen toe te passen vanaf 19 januari 2013. Dat betekent dat verweerder met de afgifte op 6 juni 2011 aan eiser - na toetsing aan de ter zake geldende nationale regelgeving - van een rijbewijs voor de duur van vijf jaar, niet het recht van de Europese Unie ten uitvoer heeft gebracht. De zaak valt derhalve niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4429

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 (primaire besluit) heeft verweerder een rijbewijs categorie B afgegeven aan eiser voor de duur van vijf jaar.

Op eveneens 6 juni 2011 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van 14 mei 2012 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 28 mei 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De zaak is op 22 november 2012 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is (met bericht) niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1943.

2.1. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (het VEU) erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen. De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht worden genomen.

2.2. Op grond van artikel 21, eerste lid, van het Handvest is elke discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van het Handvest, voor zover thans van belang, zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

Op grond van het tweede lid van dat artikel breidt het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.

2.3. Op grond van artikel 7, tweede lid, van Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (Tweede Rijbewijsrichtlijn) behoudt elke Lid-Staat, onverminderd de ter zake door de Raad aan te nemen bepalingen, het recht om de geldigheidsduur van de door hem afgegeven rijbewijzen vast te stellen volgens nationale criteria.

2.4. Op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (Derde Rijbewijsrichtlijn) hebben de door de lidstaten voor de categorieën AM, A1, A2, A, B, B1 en BE afgegeven rijbewijzen vanaf 19 januari 2013 een administratieve geldigheidsduur van tien jaar. Een lidstaat kan ervoor kiezen deze rijbewijzen af te geven met een administratieve geldigheid tot 15 jaar.

Op grond van artikel 7, derde lid, onder b, van de Derde Rijbewijsrichtlijn mogen de lidstaten de in het tweede lid omschreven administratieve geldigheidsduur van rijbewijzen van op hun grondgebied verblijvende houders die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt, beperken om vaker medische controles te houden of andere specifieke maatregelen toe te passen, bijvoorbeeld het organiseren van opfriscursussen. De beperkte administratieve geldigheidsduur kan pas ingaan bij verlenging van het rijbewijs.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Derde Rijbewijsrichtlijn dienen de lidstaten uiterlijk 19 januari 2011 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan artikel 1, lid 1, artikel 3, artikel 4, leden 1, 2 en 3, en lid 4, onder b) tot en met k), artikel 6, lid 1 en lid 2, onder a), c), d) en e), artikel 7, lid 1, onder b), c) en d), en leden 2, 3 en 5, artikelen 8, 10, 13, 14, en 15, alsmede bijlage I, punt 2, bijlage II, punt 5.2 betreffende de categorieën A1, A2 en A, en bijlage IV, V en VI te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Op grond van het tweede lid van dat artikel passen de lidstaten die bepalingen toe vanaf 19 januari 2013.

2.5. Op grond van artikel 122, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) is, behoudens artikel 123 of 123b, een rijbewijs, afgegeven aan een aanvrager die de leeftijd van

a. 60 jaren nog niet heeft bereikt, geldig voor de duur van tien achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte;

b. 60 jaren doch nog niet die van 65 jaren heeft bereikt, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop hij de leeftijd van 70 jaren bereikt;

c. 65 jaren heeft bereikt, geldig voor de duur van vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte.

Op grond van het tweede lid van dat artikel is, in afwijking van het eerste lid, een rijbewijs, afgegeven aan degene die naar verwachting op grond van zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor een beperkte termijn geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, geldig vanaf de in het rijbewijs vermelde datum van afgifte tot de dag waarop de termijn waarvoor de houder naar verwachting geschikt zal zijn voor het besturen van motorrijtuigen, verstrijkt.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser ten tijde van het primaire besluit 68 jaar was en verweerder hem om die reden op grond van artikel 122, eerste lid, onder c, van de Wvw een rijbewijs voor de duur van 5 jaar dient af te geven. Artikel 122 van de Wvw laat geen ruimte voor een afweging van belangen, aldus verweerder.

4. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat met het bepaalde in artikel 122 van de Wvw onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt, hetgeen strijdig is met het Handvest.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1. Het Handvest is juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Gelet op artikel 51, eerste en tweede lid, van het Handvest, is het Handvest gericht tot lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, en breidt het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan tot waar de bevoegdheden van de Unie reiken, schept het geen verdere bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 juli 2012, LJN: BX0579).

5.2. De rechtbank stelt vast dat de Derde Rijbewijsrichtlijn - anders dan de Tweede Rijbewijsrichtlijn, op grond waarvan de lidstaten het recht behielden om de geldigheidsduur van de door hem afgegeven rijbewijzen vast te stellen volgens nationale criteria - regels stelt aangaande de geldigheidsduur van rijbewijzen. Voorts stelt de rechtbank vast dat lidstaten ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Derde Rijbewijsrichtlijn uiterlijk 19 januari 2011 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dienen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan artikel 7, tweede en derde lid, van de richtlijn te voldoen. Zij dienen op grond van het tweede lid van dat artikel die bepalingen toe te passen vanaf 19 januari 2013.

Dat betekent dat verweerder met de afgifte op 6 juni 2011 aan eiser - na toetsing aan de ter zake geldende nationale regelgeving - van een rijbewijs voor de duur van vijf jaar, niet het recht van de Europese Unie ten uitvoer heeft gebracht. De zaak valt derhalve niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest. Dat, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, de Derde Rijbewijsrichtlijn dateert van 2006 doet aan het voorgaande niet af. Voor toetsing aan het Handvest is dan ook geen plaats. Hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd behoeft om die reden geen verdere bespreking.

6. Het beroep is ongegrond.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

8. Ter zitting heeft eiser mondeling verzocht om schadevergoeding wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op het door hem ingediende bezwaarschrift. Eiser zou kort na 1 mei 2012 van verweerder telefonisch hebben vernomen dat hij recht heeft op een bedrag van € 1.200,- wegens een vertraagde rechtsgang. Voor zover eiser zich in dit verband op het standpunt stelt dat verweerder wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar, een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te verbeuren, overweegt de rechtbank dat - nog daargelaten dat eiser het voorgaande eerst ter zitting heeft aangevoerd - niet is gebleken dat eiser verweerder heeft verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:18, van de Awb. Onderhavig beroep kan om die reden niet worden aangemerkt als tevens betrekking hebbend op (het uitblijven van) een besluit van verweerder tot vaststelling van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar. Voor zover het verzoek ziet op schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de rechtbank dat van een overschrijding in de zin van dat artikel niet is gebleken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011 (LJN: BP3701).

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.