Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ2958

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
414259 FA RK 12-1574
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art.1:253a BW, Vervangende toestemming tot verhuizing. De moeder verzoekt vervangende toestemming om met de minderjarige vanuit plaats 1 naar plaats 2 te verhuizen in verband met een aanstelling bij het ziekenhuis. De moeder heeft een evident belang bij het genereren van een inkomen, vanwege haar onderhoudsverplichting jegens de minderjarige en de omstandigheid dat de vader geen substantieel inkomen geniet. De vervulling van een andere functie wordt door de rechtbank niet als reele mogelijkheid beschouwd, zodat de noodzaak tot verhuizing voldoende aannemelijk wordt geacht. In de huidige omstandigheden waarin partijen verkeren oordeelt de rechtbank, in aanmerking genomen dat de moeder kostwinner is en gegeven haar belang bij en de noodzaak tot verhuizing, dat er zonder de verhuizing zoals door de moeder verzocht geen zekerheid is dat de toekomst van de minderjarige in financieel opzicht gewaarborgd is. Voorts constateert de rechtbank dat de communicatie tussen partijen zeer slecht is, zodanig dat de uitvoering van de co-ouderschapsregeling tot ernstige problemen leidt. Dit leidt tot de conclusie dat de minderjarige niet een zodanig belang heeft bij voortzetting van de co-ouderschapsregeling dat dit belang op zichzelf een belemmering dient te vormen voor toewijzing van het verzoek. In deze specifieke omstandigheden weegt het financiele belang van de minderjarige bij verhuizing naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de minderjarige bij behoud van zijn vertrouwde omgeving en bij fysieke beschikbaarheid van de vader voor de dagelijkse zorg. Hier komt nog bij dat de vader economisch niet aan plaats 1 verbonden is en er zijn bovendien onvoldoende aanknopingspunten die nopen tot de conclusie dat een eventuele verhuizing een te grote belasting voor de minderjarige zou zijn en hij niet of onvldoende in staat zou zijn zich in een nieuwe omgeving te wortelen. Naar het oordeel van de rechtbank prevaleren de belangen van de minderjarige en de moeder bij verhuizing naar plaats 2 boven een eventuele keuze van de vader om in plaats 1 te blijven wonen. Het verzoek van de moeder wordt - onder de opschortende voorwaarde van totstandkoming van de aanstelling van de moeder bij het ziekenhuis - toegewezen. De rechtbank ziet aanleiding partijen in de gelegenheid te stellen zich in het kader van een ouderschapsonderzoek nader uit te laten over de zorgregeling en - voor het geval partijen niet tot overeenstemming komen - om een deskundige de rechtbank over dit punt te doen informeren en adviseren. De beslissingen omtrent de vervangende toestemming tot verhuizing, hoofdverblijfplaats en zorgregeling worden aangehouden in afwachting van de resultaten van het ouderschapsonderzoek.

Tweede tussenbeschikking: LJN: BZ 2968

Eindbeschikking: LJN: BZ 2972

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 12-1574

Zaaknummer: 414259

Datum beschikking: 18 september 2012

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 29 februari 2012 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. P.J. Montanus te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 23 maart 2012 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de brief d.d. 26 maart 2012 van de zijde van de man, met bijlagen;

Op 27 maart 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Hierbij zijn verschenen: beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. De behandeling van de zaak is ter terechtzitting aangehouden in afwachting van de beslissing van het gerechtshof 's-Gravenhage inzake zowel de hoofdverblijfplaats van de minderjarige als het verzoek van de vrouw tot verhuizing op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek.

Na de behandeling ter terechtzitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 4 juli 2012 van de zijde van de vrouw;

- de brief d.d. 14 augustus 2012 van de zijde van de vrouw, houdende een wijziging van het verzoek, met bijlagen;

- de brief d.d. 15 augustus 2012 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 17 augustus 2012;

- de brief d.d. 20 augustus 2012 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;

- de brief d.d. 21 augustus 2012 van de zijde van de man, met bijlagen.

Op 21 augustus 2012 is de mondelinge behandeling bij deze rechtbank, na verwijzing in de meervoudige kamer, voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht - de rechtbank begrijpt: onder wijziging van de beschikking d.d.

6 juni 2012 van het gerechtshof 's-Gravenhage - op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW):

1. het co-ouderschap te beëindigen onder de ontbindende voorwaarde als in het lichaam van het verzoekschrift gesteld;

2. primair vervangende toestemming te verlenen met de minderjarige te verhuizen naar [plaats 2];

3. de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders vast te stellen, in die zin dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

- eens in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond 19.00 uur alsmede,

- in de oneven jaren, de eerste helft van de vakanties en de even jaren in de tweede helft daarvan, behalve wanneer een korte vakantie van twee weken wordt gesplitst in twee aparte weken in welk geval de minderjarige steeds een volle week bij de ene of de andere ouder verblijft,

- voorts te bepalen dat de minderjarige de weekeinden voor en na de eerste week van de vakantie met de ouder doorbrengt bij wie hij die week verblijft;

- te bepalen dat in de zomervakantie de dag voor uitwisseling de zondag is aan het eind van de derde week, dat de minderjarige het laatste weekend van de zomervakantie met die ouder doorbrengt bij wie hij dan verblijft; met Kerstmis de minderjarige het eerste weekeinde met de ouder doorbrengt bij wie hij de eerste periode van die vakantie verblijft en het laatste weekend bij de ouder bij wie de minderjarige de laatste periode van de vakantie verblijft; in geval de school vrijdag eerder sluit dan 15.00 uur, kan de minderjarige worden afgehaald vanaf het vroegere tijdstip;

4. subsidiair vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing zodra de vrouw een betrekking vindt gelegen buiten een cirkel met een straal van 25 km met het [plaats 1] stadhuis als middelpunt, met een zorgregeling als voormeld;

5. meer subsidiair: ingeval van handhaving van de vigerende regeling: met de weekeinden voor en na de vakanties als hiervoor vermeld; ingeval de school vrijdags eerder sluit dan 15.00 uur, de vrouw de minderjarige afhaalt vanaf dat eerdere tijdstip;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:

- de door partijen onderling overeengekomen co-ouderschapsregeling te wijzigen in die zin dat, indien de vrouw naar [plaats 2] zal verhuizen, de rechtbank leest: met de minderjarige, de minderjarige drie van de vier weekenden bij de vrouw zal zijn van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man haalt en brengt en de reiskosten tussen partijen zullen worden gedeeld;

- indien de rechtbank de tussen partijen geldende co-ouderschapsregeling wijzigt in een weekendregeling, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man te bepalen,

- de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] 2005 tot [datum echtscheiding] 2011.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder heeft de Spaanse nationaliteit.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 24 september 2009 is bij wege van voorlopige voorzieningen de minderjarige toevertrouwd aan de vader en een zorgregeling tussen de moeder en de minderjarige bepaald, waarbij de minderjarige kort gezegd ieder weekend bij de moeder verbleef.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 mei 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts is - voor zover thans van belang - bepaald dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben en is met ingang van de dag waarop de moeder zal zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats 1] een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de minderjarige, vastgesteld, kort gezegd inhoudende een co-ouderschapsregeling (een verdeling waarbij de minderjarige ongeveer de helft van de tijd bij de vader verblijft). Voorts is onder meer een kinder- en partneralimentatie ten laste van de moeder vastgesteld en is iedere beslissing ten aanzien van de verdeling en de proceskosten aangehouden.

- De moeder heeft bij op 16 november 2011 bij de rechtbank ingekomen verzoekschrift verzocht om wijziging van voormelde beschikking d.d. 18 mei 2011, waarbij zij onder meer heeft verzocht om vervangende toestemming om per 1 januari 2012 met de minderjarige naar [plaats] te verhuizen en wijziging van de bestaande zorgregeling. De vader heeft zelfstandig verzocht, kort gezegd om wijziging van de bestaande zorgregeling en bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 16 december 2012 zijn de verzoeken van de moeder en die van de vader afgewezen.

- Partijen zijn in beroep gekomen van voormelde beschikkingen van de rechtbank d.d. 18 mei 2011 en 16 december 2011. De beroepszaken zijn door het gerechtshof 's-Gravenhage gezamenlijk behandeld. Bij beschikking d.d. 6 juni 2012 van dit hof zijn de beschikkingen van de rechtbank d.d. 18 mei 2011 en 16 december 2011 bekrachtigd, met dien verstande dat het hof met betrekking tot de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het aanvangstijdstip van het wisselmoment op vrijdag heeft gewijzigd (van 15.00 uur naar 19.00 uur).

Beoordeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Krachtens jurisprudentie dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, hetgeen er in voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige, hoezeer ook het belang een overweging van de eerste orde is bij de te verrichten afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414 m.nt. SW, LJN: BC5901). Anders dan de vader heeft bepleit, heeft naar het oordeel van de rechtbank deze maatstaf ook te gelden in situaties als de onderhavige, waarin sprake is van een co-ouderschapsregeling.

De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen de ouders beproefd, hetgeen niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

Toestemming tot verhuizing

De rechtbank stelt voorop dat blijkens de door de moeder overgelegde brief d.d. 9 augustus 2012 het [naam ziekenhuis] te [plaats 2] de moeder een aanbod heeft gedaan om haar aan te stellen tot Academisch Medisch Specialist/Hematoloog. Blijkens deze brief zijn de arbeidsvoorwaarden conform de [documentnummer]. Het betreft een tijdelijke aanstelling met uitzicht op vast dienstverband. Verder is blijkens deze brief verhuizen noodzakelijk in verband met functievervulling. De verhuisplicht is van toepassing. In de brief is tevens vermeld dat het [naam ziekenhuis] een partnerprogramma kent bij vacatures die lastig te vervullen zijn en dat het partnerprogramma erop gericht is om de partners van degenen die hier komen werken bij het vinden van ander passend werk te faciliteren. Naar het oordeel van de rechtbank is gezien het aanbod van het [naam ziekenhuis] sprake van een wijziging van omstandigheden sinds de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 6 juni 2012. De rechtbank zal het verzoek van de moeder beoordelen in het licht van huidige - gewijzigde - omstandigheden.

Bij deze beoordeling neemt de rechtbank, in aanvulling op hetgeen hiervoor onder het kopje "feiten" is vermeld, de volgende feiten en omstandigheden op basis van de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting als tussen partijen in confesso in aanmerking.

- Partijen hebben elkaar in 2002 te Canada ontmoet. De moeder was destijds woonachtig in Seattle, Verenigde Staten en werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker bij het [bedrijfsnaam]. De vader was destijds woonachtig in [plaats], Nederland en werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker bij het [bedrijfsnaam]

- De moeder is na haar promotie in 2003 als specialist hematologie in Barcelona, Spanje gaan werken. In 2005 is haar dienstbetrekking aldaar geëindigd en zijn partijen in [plaats] gaan wonen. De vader was werkzaam bij [bedrijfsnaam] te [plaats]. De moeder had toen geen dienstbetrekking.

- In oktober 2006 is de moeder, na de geboorte van de minderjarige, in dienst getreden van het [naam ziekenhuis] te [plaats] als internist in opleiding. Deze opleiding heeft zij niet afgerond.

- De arbeidsovereenkomst tussen de vader en [bedrijfsnaam] is krachtens rechterlijke uitspraak met ingang van 1 februari 2007 geëindigd.

- In verband met het verkrijgen van een dienstbetrekking van de moeder bij het [naam ziekenhuis] te [plaats 1] als internist in opleiding zijn partijen in 2007 verhuisd naar [plaats 1].

- In maart 2008 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan.

- De moeder is per 1 september 2009 in dienst getreden van het [naam ziekenhuis] te [plaats] als internist-hematoloog. Dit dienstverband is op 31 augustus 2012 geëindigd.

- Op aanvraag van partijen is op 14 juli 2011 door Bureau Jeugdzorg [plaats] een indicatiebesluit ten behoeve van de minderjarige genomen. Bij brief d.d. 18 juni 2012 heeft Bureau Jeugdzorg partijen bericht dat het dossier van de minderjarige wordt gesloten. Daarnaast adviseert Bureau Jeugdzorg partijen dringend om mediation nogmaals te proberen en een serieuze kans te geven.

- De vader heeft na beëindiging van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] aanvankelijk een WW-uitkering ontvangen, vervolgens een ziektewetuitkering en hij ontvangt thans een bijstandsuitkering. De vader is voor 58,3 % arbeidsongeschikt verklaard op psychische gronden. Sinds 23 augustus 2012 is de vader werkzaam voor gemiddeld 3 uur in de week als postbezorger bij [bedrijfsnaam].

Ter terechtzitting is partijen gevraagd naar het verloop van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Partijen hebben verklaard dat hun onderlinge communicatie slecht verloopt (de vader kent daaraan het cijfer 3 toe, de moeder het cijfer 0). Blijkens hun verklaringen verloopt de zorg volgens partijen verder, los van de communicatie, op zichzelf redelijk (de vader beoordeelt deze met een 7, de moeder met een 6). Voorts hebben partijen verklaard dat zij sterk hechten aan onverminderd contact met de minderjarige en dat zij, ongeacht de uitkomst van deze procedure, uiteindelijk bij de minderjarige willen blijven.

De rechtbank komt tot de volgende belangenafweging. Vaststaat dat het dienstverband van de moeder bij het [naam ziekenhuis] met ingang van 1 september 2012 is geëindigd. De moeder heeft naar het oordeel van de rechtbank een evident financieel belang bij het genereren van een inkomen. Dit alleen al vanwege haar onderhoudsverplichting ten opzichte van de minderjarige en gezien de omstandigheid dat de vader geen substantieel inkomen genereert en thans niet kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gelet hierop heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank een voldoende belang bij verhuizing naar [plaats 2]. De rechtbank overweegt voorts dat de moeder blijkens de door haar overgelegde stukken na de beschikking van deze rechtbank d.d. 16 december 2011 meerdere sollicitaties heeft doen uitgaan die niet tot een nieuwe dienstbetrekking hebben geleid. De moeder heeft breder gesolliciteerd dan alleen op de functie van hematoloog. De specialisatie van de moeder tot hematoloog is mede redengevend geweest voor een afwijzende reactie op een sollicitatie als algemeen internist. In dit licht acht de rechtbank thans aannemelijk dat ook de vervulling van een andere functie door de moeder, zoals die van algemeen onderzoeker, gegeven haar opleiding en voorervaring niet kan worden beschouwd als een reële mogelijkheid. Aanvaarding van een functie die wezenlijk onder het niveau ligt waarop de moeder een opleiding heeft genoten kan naar het oordeel van de rechtbank ten slotte, mede in het licht van het concrete aanbod van het [naam ziekenhuis] dat thans voorligt, in redelijkheid niet van de moeder worden verwacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een gezamenlijke keuze van partijen gedurende hun huwelijkse relatie is geweest dat de moeder ook in Nederland tot internist zou worden opgeleid met als specialisatie hematologie. De rechtbank passeert het verweer van de vader dat het aanbod van het [naam ziekenhuis] een tijdelijke aanstelling betreft. Het gaat hier blijkens de door de rechtbank ambtshalve geraadpleegde [documentnummer] om een aanstelling van minimaal een jaar, zoals door de moeder ter terechtzitting ook is gesteld. Daargelaten dat sprake is van een uitzicht op een vast dienstverband, rechtvaardigt de duur van de aanstelling, in samenhang bezien met de omstandigheid dat partijen in een impasse zijn geraakt sinds het contract van de moeder bij het [naam ziekenhuis] is geëindigd en gezien de sollicitaties die de moeder heeft doen uitgaan, naar het oordeel van de rechtbank verhuizing. De rechtbank acht in het licht van het vorenstaande de noodzaak van de moeder tot verhuizing naar [plaats 2] voldoende aannemelijk. Verder heeft de moeder belang bij voortzetting van een onverminderd contact met de minderjarige en de ontwikkeling van een band met hem als moeder en, in aanmerking genomen dat de minderjarige zijn hoofdverblijf bij haar heeft, ook daarom belang bij verlening van de toestemming tot verhuizing.

De vraag rijst vervolgens of de belangen van de minderjarige en die van de vader in de gegeven omstandigheden in de weg staan aan het verlenen van toestemming tot verhuizing. In dit verband acht de rechtbank zwaarwegend dat thans sprake is van een co-ouderschapsregeling. Aan deze omstandigheid, hoe zwaarwegend ook, kent de rechtbank in het onderhavige geval evenwel geen doorslaggevende betekenis toe. Geconstateerd moet worden dat de communicatie tussen partijen zeer slecht is. Zodanig dat de uitvoering van de co-ouderschapsregeling tot ernstige problemen leidt. De rechtbank wijst in dit verband op de omstandigheid dat partijen bij aanvang van de zomervakantie 2012 niet in staat zijn gebleken op enigerlei wijze overleg te voeren over het aanvangstijdstip van het verblijf van de minderjarige bij de moeder, hetgeen tot een ernstige escalatie van gebeurtenissen heeft geleid. Voorts wijst de rechtbank op het indicatiebesluit d.d. 14 juli 2011 van Bureau Jeugdzorg [plaats], waaruit blijkt dat de ouders zich lijken te hebben ingegraven in de juridische strijd en elkaar geen duimbreed lijken te willen toegeven, alsmede dat de situatie tussen ouders is verslechterd en dat de minderjarige tijdens de overgangsmomenten van de ene naar de andere ouder last heeft van de spanningen. Ter terechtzitting is verder gebleken dat geen der partijen thans heil ziet in gebruikmaking van een aanbod van de rechtbank tot hetgeen bekend is onder de term 'mediation naast rechtspraak'. Deze situatie, temeer nu de co-ouderschapsregeling pas betrekkelijk kort (sinds 2011) geldt, acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarige wenselijk. Niet ter zake doet aan wie van de ouders de ontstane situatie te wijten is. Wel leidt die situatie de rechtbank in het onderhavige geval tot de conclusie dat de minderjarige niet een zodanig belang heeft bij voortzetting van de co-ouderschapsregeling dat dit belang op zichzelf een belemmering dient te vormen voor toewijzing van het verzoek. De rechtbank onderkent dat de vader een zelfstandig te respecteren belang heeft bij een onverminderd contact met de minderjarige en daarmee bij voorzetting van het co-ouderschap. Dit belang is naar het oordeel van de rechtbank evenwel ondergeschikt aan dat van de minderjarige. De stelling van de vader dat het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen vanwege de bestaande co-ouderschapsregeling passeert de rechtbank dan ook.

Dit zo zijnde, overweegt de rechtbank als volgt. De minderjarige is thans zes jaar oud. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minderjarige belang bij behoud van zijn woon- leer en sociale omgeving, mede in aanmerking genomen dat de vader gedurende meer dan drie jaar na het feitelijk uiteengaan van partijen in [plaats 1] de hoofdverzorger van de minderjarige is geweest en de vader ook thans fysiek beschikbaar is de dagelijkse zorg van de minderjarige op zich te nemen. De minderjarige heeft echter ook belang bij financiële zekerheid. Die zekerheid biedt hem onder meer de mogelijkheid om, naast school, sociale- muzikale en sportactiviteiten te ontplooien en overigens te leven op het welstandniveau waarvan thans sprake is. Gelet op de verklaringen van de moeder ter terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder niet zonder de minderjarige zal verhuizen naar [plaats 2]. De rechtbank acht dit ook aannemelijk nu de moeder de Spaanse nationaliteit heeft, zij eerst sinds 2005 in Nederland woont en zij behoudens de minderjarige hier te lande geen familie heeft. In de huidige omstandigheden waarin partijen verkeren betekent dit, in aanmerking genomen dat de moeder kostwinner is en gegeven haar belang bij en de noodzaak tot verhuizing zoals hiervoor is overwogen, dat er zonder de verhuizing naar [plaats 2] zoals door de moeder verzocht geen zekerheid is dat de toekomst van de minderjarige in financieel opzicht gewaarborgd is. In deze specifieke omstandigheden weegt het financiële belang van de minderjarige bij verhuizing naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de minderjarige bij behoud van zijn vertrouwde omgeving en bij fysieke beschikbaarheid van de vader voor de dagelijkse zorg. Hier komt bij dat de vader economisch niet aan [plaats 1] gebonden is. De vader zou op zichzelf, desgewenst, mee naar [plaats 2] kunnen verhuizen. Weliswaar heeft de vader betoogd dat hij psychische hulp in [plaats 1] geniet, dat hij na een moeilijke periode sinds kort bij [bedrijfsnaam] werkzaam is en hij belang heeft bij behoud van dit evenwicht, naar het oordeel van de rechtbank leggen deze - op zichzelf invoelbare - argumenten onvoldoende gewicht in de schaal voor een andersluidende conclusie. Hoewel de omstandigheid dat de moeder 80% of mogelijk full time zal werken met zich brengt dat zij voor de verzorging en opvang van de minderjarige deels een beroep zal moeten doen op een oppas of een au pair, prevaleren naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de vader heeft bepleit - de belangen van de minderjarige en de moeder bij verhuizing naar [plaats 2] boven een eventuele keuze van de vader om in [plaats 1] te blijven wonen.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat de school blijkens eerdergenoemd indicatiebesluit d.d. 14 juli 2011 geen zorgen over hem heeft. In de brief d.d. 18 juni 2012 vermeldt Bureau Jeugdzorg dat de school aangeeft dat de minderjarige goed functioneert op school. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting blijken naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende aanknopingspunten die nopen tot de conclusie dat een eventuele verhuizing een te grote belasting voor de minderjarige zou zijn en hij niet of onvoldoende in staat zou zijn zich in een nieuwe omgeving te wortelen. De minderjarige is verder nog niet zo oud dat bestaande vriendschaps- of andere banden naar het oordeel van de rechtbank geacht moeten worden een serieuze contra-indicatie te vormen.

De stelling van de vader dat de moeder de verhuizing in onvoldoende mate heeft voorbereid gaat evenmin op. Uit niets blijkt dat het vinden van geschikte woonruimte en een school voor de minderjarige tot zodanige problemen zou kunnen leiden, dat om die reden toestemming tot verhuizing aan de moeder zou moeten worden onthouden.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het verzoek van de moeder - onder de opschortende voorwaarde van totstandkoming van de in de brief d.d. 9 augustus 2012 genoemde aanstelling van de moeder bij het [naam ziekenhuis] - dient te worden toegewezen. Uitsluitend in verband met hetgeen hierna in het kader van de zorgregeling wordt overwogen, zal de rechtbank haar beslissing aanhouden als na te melden in het dictum.

Hoofdverblijfplaats

De vader beoogt blijkens zijn stellingen dat, indien de moeder toestemming wordt verleend om met de minderjarige naar [plaats 2] te verhuizen, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem wordt bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de vader aldus voorbij aan de redenen die ten grondslag liggen aan de te verlenen toestemming tot verhuizing. Uitgangspunt voor die beslissing is de omstandigheid dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot de conclusie leiden dat niettegenstaande dit uitgangspunt en de te verlenen toestemming, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader moet worden bepaald. Op dezelfde gronden als hiervoor genoemd ten aanzien van de te verlenen toestemming tot verhuizing, zal de rechtbank haar beslissing op dit punt aanhouden als na te melden in het dictum.

Zorgregeling

Bij verhuizing van de moeder naar [plaats 2] en de minderjarige en uitgaande van de situatie waarin de vader in [plaats 1] woont, acht de rechtbank de door de moeder verzochte zorgregeling in beginsel in het belang van de minderjarige wenselijk. Hieruit vloeit logisch voort dat dit niet geldt voor de door de vader verzochte zorgregeling, gebaseerd op het uitgangspunt dat de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader.

Niettemin ziet de rechtbank aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen zich in het kader van een ouderschapsonderzoek nader uit te laten over de zorgregeling en - voor het geval partijen niet tot overeenstemming komen - om een deskundige de rechtbank over dit punt te doen informeren en adviseren. Van belang in dit verband acht de rechtbank het dringend beroep van Bureau Jeugdzorg op partijen om een mediator in te schakelen, hetgeen partijen nog niet hebben gedaan en zij daartoe gezien hun onderlinge verhoudingen en hetgeen zij ter terechtzitting hebben verklaard naar het oordeel van de rechtbank ook niet eigener beweging zullen overgaan. Tevens acht de rechtbank van belang dat partijen in de gelegenheid worden gesteld om zich te beraden over de zorg op basis van de huidige situatie, na deze beschikking van de rechtbank en bekend zijnde met de beslissingen van de rechtbank op hun verzoeken tot toestemming aan de moeder tot verhuizing met de minderjarige, respectievelijk bepaling van het hoofdverblijf bij de vader.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen de ouders in het belang van de minderjarige onder begeleiding van een deskundige te komen tot een heroriëntatie op hun ouderschap.

De deskundige krijgt - kort gezegd - de opdracht een onderzoek te verrichten en daarbinnen, met toepassing van mediationtechnieken, te bemiddelen tussen partijen met als doel enerzijds een heroriëntatie van partijen op hun ouderschap en het zodanig vormgeven van dat ouderschap dat de minderjarige - gegeven de omstandigheden - zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent de zorgregeling. De rechtbank wijst ieder der partijen op het belang om zich ten volle in te zetten. In dit verband wijst de rechtbank op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigenonderzoek dat zich aldus onderscheidt van 'mediation naast rechtspraak'. De rechtbank wijst tot slot op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv met toepassing waarvan het de rechtbank vrij staat om aan de houding die een partij tijdens een ouderschapsonderzoek onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die de rechtbank geraden voorkomt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de deskundige bij het uit te voeren onderzoek (in ieder geval) de volgende vragen te betrekken:

- Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

- Hoe is de relatie van de minderjarige met enerzijds de man, respectievelijk de vrouw individueel en anderzijds met beide ouders samen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

- Hoe beleeft de minderjarige de relatie met en de opvoedingssituatie bij de man, respectievelijk de vrouw?

- Zijn er bijzonderheden in de opvoedingssituatie van de minderjarige waaraan aandacht moet worden besteed? En wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de man, respectievelijk de vrouw?

- In hoeverre is ieder van de ouders in staat om de andere ouder ruimte te bieden voor contact/een relatie met de minderjarige en bij de uitvoering van de zorgregeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarige?

- Komen er in het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarige door de ouders?

Uitgangspunt voor het ouderschapsonderzoek is dat de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarige naar [plaats 2] zal toewijzen onder de hiervoor genoemde opschortende voorwaarde en dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de moeder blijft.

Beoogd is dat partijen komen tot een alomvattend ouderschapsplan betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige na verhuizing naar [plaats 2]. Bij gebreke van overeenstemming dient het ouderschapsonderzoek antwoord te geven op de vraag welke zorgregeling, met inachtneming van voormeld uitgangspunt, het meest in het belang van de minderjarige wenselijk is. Daarbij dient ook te worden betrokken de nieuwe schoolsituatie van de minderjarige en of de vader in [plaats 1] blijft wonen.

Tevens dient te worden geadviseerd over de vraag wanneer de zorgregeling dient in te gaan.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld de rechtbank binnen twee weken na heden, derhalve uiterlijk op 1 oktober 2012, gezamenlijk een voorstel te doen over de persoon van de te benoemen deskundige, welke deskundige naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval een mediator dient te zijn die ervaring heeft met het verrichten van een ouderschapsonderzoek in opdracht van een rechtbank of gerechtshof en een opgave van de met het onderzoek gemoeide kosten en het voorschot dat dient te worden voldaan.

De rechtbank stelt mevrouw drs. B. A. de Vries, kantoorhoudende te (2596 BA) 's-Gravenhage Benoordenhoutseweg 23, telefoonnummer 070-3245626, voor te benoemen tot deskundige. Zij heeft zich daartoe bereid verklaard. Mevrouw de Vries is in de gelegenheid om op 4 en 5 oktober 2012 met partijen in gesprek te gaan gedurende een zogenoemde "marathonsessie" van 6,5 uur per dag en zo nodig nadere gesprekken te voeren.

Bij gebreke aan een (tijdig ingediend) gezamenlijk voorstel van partijen, wordt in beginsel mevrouw De Vries benoemd tot deskundige.

De rechtbank verzoekt partijen tevens zich binnen twee weken na heden uit te laten over aanvullende vragen die zij, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, aan de deskundige wensen voor te leggen.

Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures zijn deze bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de kosten van het ouderschapsonderzoek gelet op de aard van de onderhavige procedure door partijen bij helfte te worden gedeeld.

De rechtbank merkt op dat het uurtarief van mevrouw B.A. de Vries € 160,-- exclusief BTW bedraagt. De kosten gemoeid met een eventuele "marathonsessie" zoals hiervoor vermeld, belopen alsdan 6,5 x € 160 x 2 dagen = € 2080+21%BTW = € 2.516,80 incl.BTW. De rechtbank verzoekt partijen, indien zij niet met een gezamenlijk voorstel betreffende de te benoemen deskundige komen, zich uit te laten over de vraag of zij zich kunnen verenigen met de hoogte van het alsdan door hen te betalen voorschot, zijnde in beginsel ieder de helft van voormeld bedrag.

Beslissing

De rechtbank:

* stelt partijen in de gelegenheid zich zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 1 oktober 2012 een gezamenlijk voorstel te doen over de persoon van de te benoemen deskundige, en bij een dergelijk gezamenlijk voorstel opgave te doen van de met het onderzoek gemoeide kosten en het voorschot dat dient te worden voldaan;

* bepaalt dat bij gebreke aan een (tijdig ingediend) gezamenlijk voorstel in beginsel mevrouw B.A. de Vries wordt benoemd tot deskundige;

* verzoekt partijen zich voor het geval mevrouw B.A. de Vries tot deskundige wordt benoemd, uit te laten over het door partijen te betalen voorschot ten bedrage van in totaal € 2.516,80 incl.BTW, dat in beginsel ieder voor de helft door partijen dient te worden gedragen;

* stelt partijen voorts in de gelegenheid zich uit te laten over de eventuele aanvullende vragen die zij de deskundige, met inachtneming van deze beschikking, wensen te stellen;

*houdt iedere verdere beslissing aan tot 2 oktober 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, S.M. Westerhuis-Evers en C.G. Meeder, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2012.