Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ2046

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
426222 - HA RK 12-500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Deelgeschil. Wel ontvankelijk, ondanks strijd met artikel 7:954 lid 6 BW. Verzoek afgewezen op grond van artikel 1019z Rv. Nog diverse andere fundamentele geschilpunten. Begroting van en veroordeling in kosten deelgeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2013/58

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 426222 / HA RK 12-500

Beschikking van 19 december 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. A.M. Vogelzang te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

verweerster,

advocaat: mr. A.H.M. van Noort te ’s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Aegon worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 29 augustus 2012, met producties;

- het op 5 november 2012 ingekomen verweerschrift, met producties.

1.2. Op 7 november 2012 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon, vergezeld van een toehoorder en bijgestaan door mr. Vogelzang, alsmede mevrouw mr. E.C. Kleverlaan (advocaat in dienstbetrekking bij Aegon), bijgestaan door mr. Van Noort.

1.3. Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 4 oktober 1996 is [verzoeker] omstreeks 23.30 uur op een parkeerplaats te Zwanenburg aan zijn rechteroog getroffen door een paintball. Deze paintball was afkomstig uit een paintballgeweer dat werd afgevuurd door [A] (hierna: [A]). Als gevolg hiervan heeft [verzoeker], die zelf niet deelnam aan het paintballen, blijvend letsel aan zijn rechteroog opgelopen.

2.2. Aegon, de AVP-verzekeraar van [A], heeft aansprakelijkheid jegens [verzoeker] erkend, waarna met het regelen van de schade een aanvang is genomen. Aegon heeft gedurende de schaderegeling diverse bedragen aan [verzoeker] uitgekeerd. Partijen verschillen thans nog van mening over de schadepost verlies van arbeidsvermogen.

2.3. Nadat de heer drs. P.A.W. Lindenburg (hierna: Lindenburg), oogarts, op 31 augustus 1999 een medisch rapport heeft uitgebracht, hebben partijen gezamenlijk de heer J.A.J. Wouters (hierna: Wouters), arbeidsdeskundige, gevraagd om een expertise te verrichten. Op 10 februari 2006 heeft Wouters zijn rapport uitgebracht. In de laatste alinea van pagina 14 heeft Wouters het volgende opgenomen:

“Mijnerzijds is er een behoefte om met de oogarts Lindenburg te praten over de huidige situatie van betrokkene en meer in het bijzonder de hoge oogboldruk en de vraag of dit consequenties zou kunnen hebben voor de door hem beschreven belastbaarheid. Ik stuurde de reacties van partijen naar de heer Lindenburg, waarin toestemming verwoord is om dit overleg in te gaan, en kreeg later in een telefonisch onderhoud te horen dat de heer Lindenburg onverwachts is overleden. Het is daarom aan de medisch adviseurs van beide partijen om te kijken naar de huidige medische gegevens versus de mogelijke consequenties voor de belastbaarheid.”

2.4. Op 24 maart 2006 en 5 april 2006 is [verzoeker] in verband met de destijds bestaande verhoogde oogdruk geopereerd.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv:

I. primair: te bepalen dat de door [verzoeker] onder punt 40 opgesomde oogheelkundige beperkingen/restgevolgen als bindend uitgangspunt dienen te gelden voor de verdere schaderegeling respectievelijk voor de regeling van zijn verlies van arbeidsvermogen;

II. subsidiair: te bepalen dat het rapport van Wouters als bindend uitgangspunt voor de verdere schaderegeling respectievelijk voor de regeling van zijn verlies van arbeidsvermogen heeft te gelden;

III. Aegon te veroordelen in de kosten van deze deelgeschilprocedure en deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2. [verzoeker] legt aan zijn primaire verzoek ten grondslag dat hij veel meer beperkingen heeft dan de medisch adviseur van Aegon stelt en dat hij niet louter als eenogig beschouwd kan worden. Hij voelt zich hierbij gesteund door het rapport van Lindenburg en het rapport van prof. dr. J.S. Stilma van 14 maart 2011. Deze deskundigen, die hem zelf hebben onderzocht en die de oogheelkunde als specialisme beoefen(d)en, geven immers aan dat, naast de vermeende eenogigheid, sprake is van de onder punt 40 van het verzoekschrift opgesomde oogheelkundige beperkingen/restgevolgen. Deze opsomming dient dan ook als bindend uitgangspunt te gelden voor de verdere schaderegeling respectievelijk voor de regeling van zijn verlies van arbeidsvermogen. Subsidiair is [verzoeker] van mening dat het rapport van Wouters als bindend uitgangspunt dient te worden gehanteerd.

3.3. Aegon voert gemotiveerd verweer. Primair is Aegon van mening dat [verzoeker] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek. Subsidiair stelt Aegon dat de onder I en II verzochte beslissingen zowel op formele gronden als op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing vatbaar zijn.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. Aegon stelt dat [verzoeker] niet in zijn verzoek kan worden ontvangen, nu hij de verzekerde van Aegon, [A], in strijd met het bepaalde in artikel 7:954 lid 6 BW niet in het geding heeft geroepen.

4.2. Ingevolge artikel 1019w lid 3 Rv, voor zover hier van belang, kan een verzoek om een deelgeschilbeslissing ook worden gedaan in het geval dat een benadeelde ingevolge artikel 7:954 BW betaling van een verzekeraar verlangt. Uit de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade blijkt dat een benadeelde, indien hij ingevolge artikel 7:954 BW rechtstreeks betaling verlangt, op grond van het zesde lid van die bepaling ook in een deelgeschilprocedure ervoor dient te zorgen dat de verzekerde tijdig in de procedure wordt geroepen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 15).

4.3. Vast staat dat [verzoeker] heeft nagelaten [A] in het geding te roepen, hoewel op hem blijkens het voorgaande wel die verplichting rust. Nu gesteld noch gebleken is dat [A] op de hoogte is van deze procedure, kan het beroep van [verzoeker] op de uitspraak van 30 juni 2010 van de rechtbank Rotterdam (LJN: BN4218) niet slagen. In die zaak had de verzekerde immers verklaard volledig op de hoogte te zijn van de procedure en geen behoefte te hebben zijn eventuele belangen in die procedure te behartigen. Aegon heeft dan ook terecht gesteld dat aan het vereiste van artikel 7:954 lid 6 BW niet is voldaan.

4.4. De Parlementaire Geschiedenis bij artikel 7:954 lid 6 BW luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Indien de benadeelde geen schikking met de verzekeraar weet te treffen, kan hij in rechte de verzekeraar tot betaling aanspreken. Ook bij de uitkomst van deze procedure kan de verzekerde belang hebben, wederom in verband met zijn no claim-korting, eigen risico of omdat de schade een verzekerde som overtreft. In beginsel zou ook hier gelden dat de verzekerde niet gebonden is aan de uitspraak van de rechter (art 67 Rv.), tenzij de verzekeraar ingevolge een hierboven genoemd beding de verzekerde vertegenwoordigt. Dat evenwel de verzekerde in beginsel niet gebonden is, is onpraktisch, bijvoorbeeld indien de vordering van de benadeelde is afgewezen en deze alsdan kan trachten in rechte de verzekerde aan te spreken. Of indien de benadeelde krachtens de verzekering slechts gedeeltelijk schadeloos wordt gesteld, en voor het overige mogelijk de verzekerde in rechte tot betaling moet dwingen. Om deze complicaties te voorkomen is de benadeelde die een rechtsvordering instelt tegen de verzekeraar ingevolge het zesde lid verplicht er voor zorg te dragen dat de verzekerde in het geding wordt geroepen (vgl. ook art. 3:218 BW). (…) De uitspraak van de rechter heeft daarmee gezag van gewijsde in de onderlinge verhoudingen tussen de verzekeraar, de verzekerde en de benadeelde. Dit heeft tevens als voordeel dat de verzekerde in de procedure voor zijn belangen kan waken. Omdat de verzekerde in het geding moet worden geroepen, wordt tevens de lastige vraag vermeden of in een procedure tussen de verzekeraar en de benadeelde wel kan worden beslist of en tot welk bedrag de verzekerde aansprakelijk is, danwel of dit alleen kan in een procedure tussen de benadeelde en de verzekerde. Vergelijk Rb. Rotterdam 6 december 1985, NJ 1988, 14 (CJHB).”

(NvW I, Kamsterstukken II 1999/2000, 19529, nr. 5, p. 38.)

4.5. De rechtbank stelt voorop dat Aegon reeds aansprakelijkheid heeft erkend, terwijl in casu geen beslissing dient te worden genomen over de verschuldigdheid en/of de hoogte van het bedrag waarvoor de verzekerde en/of de verzekeraar aansprakelijk is, zodat de door de wetgever geschetste onpraktische situaties in verband waarmee artikel 7:954 lid 6 BW in het leven is geroepen zich niet voordoen. Het verzoek is ingediend in het kader van een buitengerechtelijke afwikkeling van de schade tussen [verzoeker] en Aegon, waar [A] zelf niet bij betrokken is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat er polisgeschillen spelen tussen Aegon en [A], die meebrengen dat [A] in zijn belangen zal worden geschaad omdat hij in deze procedure niet is opgeroepen. De rechtbank gaat om voornoemde redenen aan het beroep van Aegon op niet-ontvankelijkheid voorbij.

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.6. Vervolgens dient, gezien de betwisting van Aegon op dit punt, te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Rv.

Beoordeling primaire verzoek

4.7. De rechtbank stelt voorop dat [verzoeker] met het primaire verzoek heeft beoogd dat de door Lindenburg en Stilma geconstateerde klachten aan het oog ten gevolge van het ongeval (en dus niet de ten gevolge van de klachten bestaande beperkingen) door de rechtbank worden vastgesteld.

4.8. Aegon heeft aangevoerd dat het verzoek niet toewijsbaar is omdat het niet zal leiden tot een vaststellingsovereenkomst.

4.9. Ter zitting is gebleken dat ook wanneer het geschil omtrent de omvang van de klachten is opgelost, nog diverse fundamentele geschilpunten tussen partijen blijven bestaan. Zo verschillen partijen van mening over de ten gevolge van de klachten bestaande medische beperkingen, dienen de functionele mogelijkheden van [verzoeker] nog in kaart te worden gebracht en moet ook de discussie over de schadeomvang c.q. de hoogte van de uitkering nog worden gevoerd.

4.10. Gelet hierop is de rechtbank – anders dan [verzoeker] – van oordeel dat de primair verzochte beslissing niet, althans onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het onder I genoemde verzoek zal derhalve op grond van artikel 1019z Rv worden afgewezen.

Beoordeling subsidiaire verzoek

4.11. Het subsidiaire verzoek houdt in dat de rechtbank bepaalt dat het rapport van Wouters als bindend uitgangspunt voor de verdere schaderegeling respectievelijk voor de regeling van het verlies van arbeidsvermogen van [verzoeker] heeft te gelden. Nu de hiervoor in rechtsoverweging 4.9. weergegeven geschilpunten ook na deze verzochte beslissing nog zullen bestaan, geldt ook hier dat toewijzing van dit verzoek niet, althans onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ook het onder II genoemde subsidiaire verzoek dient derhalve op grond van 1019z Rv te worden afgewezen.

4.12. Los daarvan geldt dat het subsidiare verzoek naar het oordeel van de rechtbank ook op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing vatbaar is. Wouters heeft in zijn rapport immers te kennen gegeven dat hij overleg met Lindenburg wenste te plegen over de situatie van [verzoeker] en meer in het bijzonder over de hoge oogboldruk en de vraag of dit consequenties zou kunnen hebben voor de door hem beschreven belastbaarheid. Dit overleg heeft echter nimmer kunnen plaatsvinden wegens het overlijden van Lindenburg. Daar komt bij dat de destijds door Wouters aangehaalde verhoogde oogdruk inmiddels door de operatieve ingrepen in 2006 is verminderd. Het rapport van Wouters is derhalve onvolledig en door latere ontwikkelingen achterhaald. Gelet hierop is de rechtbank met Aegon van oordeel dat aan de bevindingen van Wouters geen beslissende waarde kan worden toegekend. Nieuw of aanvullend onderzoek door een arbeidsdeskundige ter vaststelling van het verlies van arbeidsvermogen van [verzoeker] is derhalve noodzakelijk.

Kosten deelgeschil

4.13. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt, in de beschikking begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Dit geldt in beginsel ook als het verzoek wordt afgewezen. Dat is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.

Anders dan Aegon zonder concrete onderbouwing betoogt, is de rechtbank van oordeel dat van deze situatie geen sprake is. De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat het op zichzelf redelijk is dat aan de zijde van [verzoeker] kosten in verband met het onderhavige deelgeschil zijn gemaakt. Gelet hierop zal de rechtbank overgaan tot begroting van de kosten.

4.14. Mr. Vogelzang heeft als productie 7 bij het verzoekschrift een kostenbegroting overgelegd. Hieruit leidt de rechtbank af dat volgens mr. Vogelzang bij de begroting van de kosten rekening dient te worden gehouden met 28 uur in totaal, een uurtarief van € 297,-- (op basis van de ASP-staffel) dan wel € 230,-- (op basis van het Aegon-beleid), 6% kantoorkosten en 21% BTW.

4.15. Aegon maakt bezwaar tegen het aantal opgevoerde uren en tegen het opgevoerde uurtarief. In dit verband stelt zij dat aangenomen moet worden dat een (groot) deel van de opgevoerde tijd ziet op buitengerechtelijke kosten, dat de kosten door het overleggen van slechts een opgave van uren en tarief onvoldoende zijn gespecificeerd en dat het een niet zeer complexe zaak betreft.

4.16. De rechtbank is met Aegon van oordeel dat de door mr. Vogelzang in rekening gebrachte tijd, gezien de omvang en de mate van complexiteit van het onderhavige deelgeschil, bovenmatig is. De rechtbank acht het redelijk om het aantal aan de zaak bestede uren te matigen tot 10 uur in totaal (4 uur in verband met het opstellen van het verzoekschrift en 6 uur in verband met het bestuderen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de zitting). Voorts acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een uurtarief van € 230,--.

4.17. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van

€ 2.949,98 (10 uur x € 230,--, vermeerderd met kantooropslag van 6% en BTW). Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht ad € 267,--, zodat het totaal uitkomt op een bedrag van € 3.216,98.

4.18. Nu de aansprakelijkheid van Aegon voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval vast staat, zal zij conform het onder III opgenomen verzoek uitvoerbaar bij voorraad in de hiervoor genoemde kosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 3.216,98 en veroordeelt Aegon tot betaling van deze kosten;

5.2. verklaart de onder 5.1 opgenomen kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op

19 december 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.?