Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1328

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
429525 KG ZA 12-1159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering betreft een bevel om geen uitvoering te geven aan een verzoek om rechtshulp van de VAE (Verenigde Arabische Emiraten).

Voor het verzoek geldt het VN-verdrag tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Garantie voor het niet ten uitvoerleggen van de doodstraf is gegeven en zal nog nader worden gevraagd.

Geen flagrante schending van de mensenrechten.

Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 429525 / KG ZA 12-1159

Vonnis in kort geding van 18 december 2012

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in de [naam instelling] in [plaats] in de Verenigde Arabische Emiraten,

eiser,

advocaat mr. G.G.J. Knoops te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (meer in het bijzonder het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

1.Het verloop van de procedure

Kort voor de aanvang van de zitting van 4 december 2012 heeft de advocaat van eiser nadere producties in het geding gebracht. De advocaat van gedaagde heeft daartegen bezwaar geuit. Ingevolge artikel 6 lid 2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie worden stukken die binnen 24 uur vóór de terechtzitting worden ingediend, in beginsel buiten beschouwing gelaten. Nu gesteld noch gebleken is dat de betreffende producties in deze zaak niet tijdig in het geding gebracht hadden kunnen worden, mede gelet op het bezwaar van gedaagde, wordt geoordeeld dat deze producties in dit geding buiten beschouwing dienen te blijven. Een en ander laat onverlet dat het de voorzieningenrechter vrijstaat om kennis te nemen van onderdelen van deze producties zoals een open brief van Amnesty International van 19 oktober 2012 alsmede een resolutie van het Europees Parlement van 26 oktober 2012 die in het openbaar gepubliceerd zijn.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 december 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiser heeft de Britse nationaliteit. Op 21 maart 2007 is hij door de Abu Dhabi First Instance Court veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf (25 jaar) en deportatie na het uitzitten van zijn gevangenisstraf. Nadat tegen deze uitspraak hoger beroep was ingesteld, is in 2009 de veroordeling in eerste aanleg bevestigd. Vervolgens heeft eiser cassatie ingesteld.

2.2. De Supreme Court van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heeft op 4 januari 2010 geoordeeld dat de zaak diende te worden terugverwezen naar de Court of Appeal, zulks wegens het ontbreken van bewijsmiddelen dat de in beslaggenomen goederen daadwerkelijk drugs zouden zijn,

2.3. Begin 2011 hebben de VAE een rechtshulpverzoek gedaan aan de Nederlandse autoriteiten met het oog op de vervolging van onder andere eiser -die in Nederland niet als verdachte is aangemerkt- voor drugsdelicten. De betreffende drugs waren in 2007 in België in beslag genomen in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek. In het rechtshulpverzoek van de VAE wordt informatie gevraagd over aard en omvang van de destijds in België in beslag genomen drugs alsmede informatie over de vraag of de VAE-verdachten ook voorkomen in een Nederlands onderzoek.

2.4. Het rechtshulpverzoek van de VAE is op 31 maart 2011 ingewilligd. In de overwegingen daartoe is betrokken dat de VAE in het rechtshulpverzoek stelden te voldoen aan de door Nederland gewoonlijk te stellen voorwaarde dat de doodstraf niet zou worden opgelegd of ten uitvoer gelegd.

2.5. Op 11 januari 2012 hebben de VAE een aanvullend rechtshulpverzoek ingediend. Dit verzoek is erop gericht dat een rapport wordt verstrekt met de onderzoeksresultaten naar de samenstelling van de drugs. In het verzoek staat vermeld dat de doodstraf niet zal worden opgelegd of ten uitvoer gelegd omdat dat gewoonlijk -kort gezegd- niet past in het stelsel van strafwetgeving van de VAE.

2.6. Op 31 mei 2012 heeft de Court of Appeal in de VAE een uitspraak gewezen waarbij eiser is vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Hiertegen heeft het Openbaar Ministerie van de VAE op 27 juni 2012 appel ingesteld.

2.7. Naar aanleiding van een zestal brieven van de advocaat van eiser in maart tot en met augustus 2012 aan gedaagde om niet tot uitvoering van het rechtshulpverzoek over te gaan omdat dit zou leiden tot schending van mensenrechten van eiser, is namens de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister) bij brief van 28 september 2012 geantwoord dat hij zich gebonden acht aan het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Daarbij is erop gewezen dat de VAE in het rechtshulpverzoek aangeeft dat de doodstraf in casu niet zal worden opgelegd alsmede dat de Minister er bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek op zal wijzen dat hij hetgeen is vermeld in het rechtshulpverzoek opvat als een anti-doodstrafgarantie. De Minister is dan ook voornemens tot uitvoering van het rechtshulpverzoek over te gaan.

3.Het geschil

3.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te bevelen:

primair: geen uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek van 11 januari 2012;

subsidiair: niet over te gaan tot uitvoering van het rechtshulpverzoek van 11 januari 2012 nu de VAE geen separaat rechtshulpverzoek heeft gedaan ten behoeve van de nieuwe appelprocedure van de openbaar aanklager;

meer subsidiair: geen uitvoering te geven aan het rechtshulpverzoek zolang er geen nieuwe garanties zijn verstrekt voor de nieuwe procedure inhoudend dat de doodstraf niet zal worden opgelegd inzake deze nieuwe procedure.

3.2. Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan.

Met uitvoering van het rechtshulpverzoek wordt eiser blootgesteld aan een (voortgezette) flagrante schending van het EVRM en het Verdrag inzake Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling en bestraffing (het CAT Verdrag). Ook komt medewerking verlenen aan het rechtshulpverzoek neer op strijd met de artikelen 552 k lid 2 en 552 l van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Omdat er geen verdrag aan het rechtshulpverzoek vanuit de VAE ten grondslag ligt is de beoordelingsruimte van de rechter ten aanzien van de stellingen van eiser met betrekking tot schending van de mensenrechten groter. Dit betekent dat er een hogere bewijslast geldt dat aan de vereisten van het EVRM moet zijn voldaan eer er gevolg kan worden gegeven aan het rechtshulpverzoek. Ook is er sprake van het ontbreken van een feitelijk juiste grondslag nu de procedure waarop het rechtshulpverzoek ziet, reeds is afgedaan. Daarom zou medewerking door Nederland aan de rechtshulp neerkomen op het meewerken aan rechtshulp waarvoor geen feitelijke basis meer bestaat. In deze zaak dreigt een reëel gevaar voor de doodstraf of levenslange gevangenisstraf. Uit verklaringen van eiser, zijn medeverdachten en de ouders van één van de medeverdachten blijkt dat de detentieomstandigheden in de VAE erbarmelijk zijn en dat er sprake is van zware mishandeling. Ook zijn er in de gevangenis waar eiser zich bevindt geen human rights organen aanwezig. Daarnaast blijkt uit een open brief van Amnesty International van 19 oktober 2012 en uit een door het Europees Parlement op 26 oktober 2012 aangenomen resolutie over de mensenrechten in de VAE dat sprake is van ernstige schending van mensenrechten.

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde heeft allereerst als verweer aangevoerd dat voor het rechtshulpverzoek van de VAE een verdragsbasis is, te weten het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Op dit punt heeft eiser gesteld dat in deze zaak dit verdrag niet relevant is nu de VAE hun rechtshulpverzoek baseren op wederkerigheid en niet (expliciet) op dit VN-verdrag. Geoordeeld wordt dat, nu vaststaat dat dit verdrag door de VAE is geratificeerd en op 11 november 1990 voor de VAE in werking is getreden, het onderhavige rechtshulpverzoek ook beoordeeld dient te worden in het kader van dit verdrag. Daarvoor is niet nodig dat een bij het verdrag aangesloten staat bij een rechtshulpverzoek zich expliciet baseert op het verdrag.

4.2. Artikel 2 van voormeld verdrag bepaalt dat het doel van het verdrag is om de samenwerking tussen de partijen te bevorderen om doeltreffender tegen verdovende middelen op te treden. Artikel 3 lid 1 vermeldt onder meer de betreffende drugsgerelateerde strafbare handelingen. Ingevolge artikel 7 van het verdrag verlenen partijen elkaar "de ruimste mate van wederzijdse rechtshulp in onderzoeken, vervolgingen en gerechtelijke procedures met betrekking tot feiten die in overeenstemming met artikel 3 eerste lid, strafbaar zijn gesteld". In artikel 7 lid 15 worden de gevallen vermeld waarin rechtshulp kan worden geweigerd. In artikel 552 k lid 1 Sv is bepaald dat aan een verzoek dat gegrond is op een verdrag zoveel mogelijk het verlangde gevolg wordt gegeven. Rechtshulp mag dan alleen worden geweigerd als zich belemmeringen van wezenlijke aard voordoen, die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag dan wel de wet, in het bijzonder artikel 552 l Sv of indien wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

4.3. Gedaagde heeft betwist dat voor medewerking aan het rechtshulpverzoek thans geen feitelijke basis meer bestaat omdat een destijds lopend appel nu niet meer loopt. Geoordeeld wordt dat gedaagde op dit punt terecht onweersproken heeft aangevoerd dat zolang de vervolging en berechting betrekking hebben op dezelfde materiële feiten, niet relevant is in welke processuele stand het onderzoek of de berechting zich bevindt. Deze stelling van eiser treft daarom geen doel.

4.4. In deze zaak gaat het met name over de vraag of verplichtingen uit hoofde van mensenrechtenverdragen ertoe nopen dat het rechtshulpverzoek moet worden geweigerd. Gedaagde heeft op dit vlak aangevoerd dat niet wordt meegewerkt aan een rechtshulpverzoek dat wordt gedaan in verband met een strafzaak waarin mede door de verleende rechtshulp de doodstraf wordt opgelegd. Ter zitting heeft gedaagde in dit verband betoogd dat zeer recent de VAE expliciet is verzocht om de al eerder gegeven garantie dat de doodstraf in deze zaak niet zal worden opgelegd, te vernieuwen. Volgens gedaagde wordt aan uitvoering van het rechtshulpverzoek pas gevolg gegeven als die garantie ontvangen is. Geoordeeld wordt dat te betreuren valt dat dit verzoek niet is ingediend voordat de dagvaarding in deze zaak is uitgebracht. Dat had wellicht voor eiser aanleiding kunnen zijn om niet over te gaan tot het aanhangig maken van de onderhavige procedure. Evenwel, gelet op het verzoek om de garantie te vernieuwen en de toezegging dat pas na verkrijging van die garantie uitvoering zal worden gegeven aan het rechtshulpverzoek, wordt ervan uitgegaan dat vrees voor het opleggen van de doodstraf, althans voor het uitvoeren daarvan, geen beletsel kan vormen om het betreffende rechtshulpverzoek te honoreren. In ieder geval heeft gedaagde zodanig gehandeld dat voor de meer subsidiaire vordering van eiser in dit geding vooralsnog onvoldoende (spoedeisend) belang is. Dit deel van de vordering kan daarom in het hiernavolgende buiten beschouwing blijven.

4.5. Voorts dient beoordeeld te worden of in deze zaak een flagrante schending van het EVRM en het CAT verdrag, zoals eiser heeft gesteld, in de weg staat aan inwilliging van het rechtshulpverzoek. Eiser heeft wat dit betreft allereerst gewezen op verklaringen van eiser, een medeverdachte en diens (stief)ouders. In de visie van gedaagde betreffen dit subjectieve en onvoldoende geconcretiseerde verklaringen. Daarbij heeft gedaagde aangevoerd dat hij met het oog op de beslissing op het rechtshulpverzoek contact heeft gelegd met de Britse ambassade en bronnenonderzoek heeft gedaan. Volgens gedaagde is uit het contact met een Britse consulair medewerker in Dubai naar voren gekomen dat in de afgelopen jaren niet is gebleken van stelselmatige mishandeling of fysiek geweld in een penitentiaire inrichting en zijn er in de afgelopen jaren ook geen meldingen binnengekomen bij de Britse ambassade over mishandeling in de gevangenis van [plaats instelling]. Bovendien heeft gedaagde aangevoerd dat een gesprek van een medewerker van de Nederlandse ambassade ter plaatse met een advocaat over de situatie van gedetineerde in de VAE leert dat deze advocaat geen verhalen ter ore zijn gekomen van een onacceptabele behandeling van (buitenlandse) gedetineerden in gevangenissen in de VAE. In dit verband wordt geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat eiser, dan wel zijn medeverdachte of diens (stief)ouders kennelijk een klacht over onmenselijke behandeling bij de Britse consul in de VAE heeft ingediend.

4.6. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er in deze zaak substantial grounds zijn om te vrezen dat inwilliging van het rechtshulpverzoek zal leiden tot schending van het EVRM of het CAT verdrag. Het feit dat eiser de Britse nationaliteit bezit speelt in de gegeven omstandigheden waarschijnlijk een positieve rol. Daarbij is mede van belang dat de stelling van eiser niet slaagt dat ook uit een open brief van Amnesty International van 19 oktober 2012 en een resolutie van de Europese Unie van 26 oktober 2012 zou blijken dat in deze zaak schending van fundamentele mensenrechten dreigt in geval van inwilliging van het rechtshulpverzoek. De resolutie en de open brief waarschuwen beide voor schending van mensenrechten in met name gevallen die zien op (politieke) activisten die strijden voor betere mensenrechten in de VAE, op het gebrek aan sociale rechten voor contractwerkers en op huiselijk geweld waarbij met name vrouwen slachtoffer zijn. Voorshands blijkt uit deze documenten niet dat in situaties als waarin eiser verkeert, vrees voor schending van mensenrechten in de zin van het EVRM en het CAT verdrag gegrond is.

4.7. Het bovenoverwogene leidt tot de conclusie dat de vorderingen van eiser niet voor toewijzing vatbaar zijn. In de omstandigheid dat gedaagde pas na het uitbrengen van de dagvaarding is overgegaan tot het indienen van een verzoek bij de VAE om expliciet een al eerder gegeven garantie dat de doodstraf in deze zaak niet zal worden opgelegd, te vernieuwen, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.