Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1144

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
09-900056-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van de agenten die ter plaatse waren om de rust en orde te bewaren. De agenten waren niet langer in staat om hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat dit gedrag van verdachte onacceptabel is, te meer daar de personen waar tegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. > Een werkstraf van 150 uren met aftrek, een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten zijn woning zal begeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900056-12

Datum uitspraak: 20 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1991 te [plaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 en 6 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. C.J.M. van den Brûle, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer politieambtena(a)r(en) genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] heeft gegooid/gericht, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Olieslagerslaan en/of de Hopmanstraat en/of de Bleriotlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een of meer poltieambten(a)r(en), te weten,) [aangever 1] en/of [aangever 2], welk geweld bestond uit het: gebaren dat anderen mee moeten komen en/of het meelopen in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] te gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen;

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan twee politieagenten door zwaar, illegaal vuurwerk op hen af te schieten, waarbij het vuurwerk vlakbij die agenten tot ontploffing is gekomen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, kort weergegeven, betoogd dat de aanwezigheid van de verdachte bij het ten laste gelegde enkel wordt gebaseerd op herkenningen van de verdachte op de camerabeelden door diverse verbalisanten en op een proces-verbaal van bevindingen waarin een gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] wordt gerelateerd. Verdachte ontkent in de nieuwjaarsnacht aanwezig te zijn geweest op de kruising Hopmanstraat/ Olieslagerslaan te Ypenburg. De herkenningen van de verdachte door diverse verbalisanten zijn onbetrouwbaar en bovendien is onbekend op welke wijze de verbalisanten tot de herkenning van de verdachte zijn gekomen. De verdachte ontkent dat hij te zien is op de camerabeelden in het dossier. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat de verbalisant die een gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] heeft opgevangen, niet goed heeft verstaan wat de verdachte en [medeverdachte 5] met elkaar bespraken. De verdachte ontkent uitdrukkelijk de inhoud van het in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerde gesprek.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Verbalisant [aangever 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 1 januari 2012, vanaf omstreeks 00.15 uur, als wijkagent bij de politie Haaglanden werkzaam was te 's-Gravenhage, op de Olieslagerslaan en Hopmanstraat. Hij was met zijn collega [aangever 2].2 Hij heeft verklaard dat een groep personen vuurwerk afstak in de richting waar hij en [aangever 2] zich bevonden. [aangever 1] heeft gezien dat er constant met vuurwerk richting hen werd gewezen, gegooid en geschoten en dat het om hen heen neerkwam op afstanden van minder dan 2 à 3 meter. Het kwam boven, voor, naast en achter hen tot ontploffing. [aangever 1] voelde dat er vuurwerk tegen zijn rug aankwam.3 [aangever 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat er een groep jongens op hen af kwam rennen vanaf de kruising. Ook tijdens dat moment werden hij en [aangever 2] beschoten met allerlei soorten vuurwerk. [aangever 1] heeft verklaard dat hij en [aangever 2] de confrontatie met de jongeren zijn aangegaan en dat zij tijdens die confrontatie bestookt werden met vuurwerk.4

Verbalisant [aangever 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat zich rond 24.00 uur een groep verzamelde op de kruising Hopmanstraat/Olieslagerslaan.5 Hij heeft verklaard dat al vrij snel vuurwerk werd gegooid en geschoten in de richting van hem en [aangever 1]. [aangever 2] zag dat een man een stuk vuurwerk in de richting van hem en [aangever 1] richtte en vuurballen in hun richting schoot, die ongeveer 10 meter voor hun voeten op de grond kwamen. Eén persoon in de groep viel hem bijzonder op. Gedurende een aantal uren vanaf 00.00 uur heeft deze man hen diverse malen met vuurwerk bestookt en de groep ertoe bewogen om mee te doen. [aangever 2] herkende hierin de medeverdachte [medeverdachte 1] en hij zag dat [medeverdachte 1] in hun richting lichtballen afschoot die op enkele meters van hen vandaan terechtkwamen.6 Er werd veel zwaar vuurwerk in hun richting afgestoken. [aangever 2] zag diverse lichtflitsen uit een stuk vuurwerk komen, die links en rechts langs hem en zijn collega schoten. Even later zag hij dat er nog steeds verschillende soorten vuurwerk in hun richting werden geschoten. [aangever 2] heeft verklaard dat hij zag dat op een gegeven moment een groep mensen los kwam uit de groep en dat deze groep op hen af kwam lopen.7 Vanuit de groep werd iets gegooid dat vlak voor hen op de grond kwam, waaruit een hevige witte rookwolk ontstond. [aangever 2] heeft verklaard dat hij, nog voordat hij weg kon lopen, een harde knal hoorde en een drukgolf voelde en dat hij een heldere witte lichtflits zag.8

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij zagen dat er op de kruising Hopmanstraat en Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 man. Zij hebben gezien dat vanuit de groep vuurwerk werd afgestoken. Het vuurwerk werd niet in de hoogte afgestoken maar een paar meter boven de grond, in horizontale richting. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij zagen dat politieagenten [aangever 1] en [aangever 2] zich in de Hopmanstraat bevonden en dat zij door de groep met vuurwerk bestookt werden. Zij hebben verklaard dat zij zagen en hoorden over het portofoonkanaal dat beide agenten zich terugtrokken ten behoeve van hun eigen veiligheid. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat op de kruising Hopmanstraat met de Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 personen. De groep begon zich te bewegen richting [aangever 1] en [aangever 2]. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat er diverse malen zwaar vuurwerk in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] werd afgestoken.9 Het vuurwerk ging vaak laag over de grond. Zij hebben verklaard dat [aangever 1] en [aangever 2] wegrenden en dat zij zagen dat vuurwerk op 2 à 3 meter van [aangever 2] met een zeer harde knal en veel rookontwikkeling tot ontploffing kwam.10

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 00.10 uur op de kruising Olieslagerslaan-Hopmanstraat was. Hij heeft verklaard dat er veel jongeren buiten waren en dat de groep steeds groter werd. Hij zag dat diverse personen vuurwerk afstaken en dat ze dit niet op de gebruikelijke wijze deden. Personen hielden het vuurwerk in hun handen en schoten of gooiden het voornamelijk af in de richting van de Bleriotlaan. [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat het vuurwerk voornamelijk terechtkwam in de nabijheid van twee politieagenten. Deze agenten waren in hun uniform gekleed en waren duidelijk herkenbaar als politieagenten. [getuige 1] heeft verklaard dat de agenten daar heel duidelijk aanwezig waren en dat het zicht in de straat goed was.11 [getuige 1] heeft verklaard dat het vuurwerk steeds in hun nabijheid ontplofte en dat de twee agenten, naarmate de tijd vorderde, steeds verschillende posities in de straat kozen. Volgens [getuige 1] deden zij dit enerzijds om de straat goed in de gaten te kunnen houden, maar ook omdat zij steeds bestookt werden met vuurwerk. [getuige 1] heeft verklaard dat, op welke positie de agenten ook stonden, er steeds vuurwerk in hun nabijheid tot ontploffing kwam. Hij kan zich niet indenken dat het per ongeluk is gegaan. [getuige 1] heeft verklaard dat vuurwerk werd afgeschoten in de richting waar op dat moment de agenten stonden en dat hij meerdere personen vuurwerk heeft zien gooien en schieten.12

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij toen hij op de Olieslagerslaan aankwam twee agenten zag staan13, dat er vuurwerk werd gegooid in de richting van deze agenten14 en dat die agenten achteruit liepen. Hij had niet het idee dat het om normaal vuurwerk ging omdat de knal heel erg hard was. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij twee politieagenten op een hoek heeft zien staan15 en dat mensen uit de groep vuurwerk gooiden naar de politie16. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat er een vuurpijl in de richting van de agenten werd afgestoken en dat sommig vuurwerk echt dichtbij kwam. Hij heeft ook gezien dat er een vuurpijl in de richting van die agenten werd afgestoken en dat die agenten opzij moesten springen.17

Ten aanzien van primair:

De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten. Daartoe moet de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de politieagenten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen doordat er (zwaar) vuurwerk naar en in hun richting werd afgestoken.

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of deze aanmerkelijke kans zich inderdaad heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in het dossier onvoldoende duidelijkheid bieden zo'n aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel te kunnen vaststellen. Weliswaar staat vast dat er vuurwerk is gegooid naar de agenten en hebben de agenten verklaard dat dit zwaar vuurwerk betrof. Echter de aard en specifieke kenmerken van dit vuurwerk kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld of, en zo ja welk vuurwerk, zodanig in de onmiddellijke nabijheid van de agenten terecht is gekomen dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. Alleen al om deze reden dient vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit te volgen en hoeven de overige verweren die betrekking hebben op dit feit niet te worden besproken.

Ten aanzien van subsidiair:

De rechtbank stelt ten eerste, op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen, vast dat de agenten [aangever 1] en [aangever 2] in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2012 door een groep van personen met vuurwerk zijn bestookt. Degenen die daaraan hebben deelgenomen hebben zich daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Vervolgens moet vastgesteld worden of verdachte deel uitmaakte van deze groep en of hij aan het bestoken van de agenten met vuurwerk een significante bijdrage heeft geleverd.

De verdachte heeft ontkend dat hij in de nieuwjaarsnacht aanwezig is geweest op de kruising Hopmanstraat/ Olieslagerslaan te Ypenburg. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht bij familie is geweest buiten Ypenburg. De verdachte is echter door meerdere verbalisanten herkend op de camerabeelden van de jaarwisseling op en rond voornoemde kruising. De persoon op de beelden, in wie de verbalisanten de verdachte herkennen, wordt aangeduid met NN 13.18 Verbalisant [verbalisant 3] heeft de verdachte op de bewegende beelden herkend en heeft verklaard dat hij de verdachte al vijf jaar kent.19 Ook verbalisant [verbalisant 4] heeft de verdachte op de bewegende beelden herkend.20 Voorts hebben verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 4] de verdachte op een fotoshot van de camerabeelden herkend. [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 4] hebben daarbij verklaard dat zij in hun functie veel in contact zijn geweest met de verdachte.21 Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de herkenningen van de verdachte door de diverse verbalisanten betrouwbaar zijn. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat deze herkenningen met enige voorzichtigheid moeten worden beschouwd, omdat deze op basis van dezelfde foto en camerabeelden tot stand zijn gekomen. Voorts is summier is gerelateerd op welke wijze de herkenningen tot stand zijn gekomen. De rechtbank weegt in dit verband echter mee dat de herkenning van de verdachte niet uitsluitend heeft plaatsgevonden op grond van een foto van de camerabeelden maar dat twee verbalisanten de verdachte hebben herkend op de bewegende beelden. Voorts wordt de herkenning van de verdachte op de beelden ondersteund door het gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] op 11 januari 2012, terwijl de verdachte en [medeverdachte 5] na hun aanhouding in de cellengang op het politiebureau verbleven. Volgens de verbalisant die het gesprek heeft gehoord, heeft [medeverdachte 5] tegen de verdachte gezegd: "Ik heb je gezien op de video", waarop de verdachte heeft gezegd: "Met capuchon?" Daarop heeft [medeverdachte 5] geantwoord: "Ja, met capuchon" en "Ik heb alleen maar een vuurpijl afgestoken." Daarop heeft de verdachte geantwoord: "Ik heb wel meer gedaan."22 De raadsvrouw heeft betoogd dat de verbalisant het gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5] verkeerd moet hebben verstaan. De rechtbank acht dit niet aannemelijk.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de herkenning door verbalisanten van de verdachte op de camerabeelden als NN13.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte in de groep, die bij de jaarwisseling de betrokken agenten heeft bestookt met vuurwerk, aanwezig is geweest.

Met betrekking tot de vraag of verdachte ook een significante bijdrage heeft geleverd aan het tegen de agenten gepleegde geweld, overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevindt zich een beschrijving van de door verdachte verrichtte handelingen, zoals op de camerabeelden te zien. Beschreven wordt dat de verdachte om 00.13.43 uur op de Olieslagerslaan staat en dat hij een brandend voorwerp naar de Hopmanstraat, richting Bleriotlaan, gooit. Beschreven wordt dat de verdachte om 00.35.40 uur tussen andere personen staat op de hoek van de Olieslagerslaan en de Hopmanstraat en dat hij een krachtige werpbeweging maakt richting Hopmanstraat en Bleriotlaan.23

Verdachte bevond zich dus niet alleen in de groep van waaruit vuurwerk werd afgeschoten op de betrokken agenten maar hij heeft ook zelf vuurwerk in de richting van de agenten afgeschoten. De rechtbank is van oordeel dat hij daarmee een significante bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen voornoemde politieagenten.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat illegaal vuurwerk naar de politie is gegooid. Het enige dat het dossier daartoe bevat is de verklaring van de medeverdachte Eerhard, dat hij ook met nitraatbommen heeft gegooid, maar dat acht de rechtbank niet voldoende.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Olieslagerslaan en de Hopmanstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, te weten [aangever 1] en [aangever 2], welk geweld bestond uit het vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en die [aangever 2] gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als die inhouden dat de verdachte zal deelnemen aan de Cognitieve Vaardigheids-training en de Arbeidsvaardighedentraining;

- dat ten aanzien van de verdachte huisarrest zal gelden in de periode van 31 december 2012 te 12.00 uur tot 1 januari 2013 te 12.00 uur;

- dat ten aanzien van de verdachte een verbod zal gelden om vuurwerk voorhanden te hebben en/of af te steken in de periode van 1 december 2012 tot 1 februari 2013.

Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard ex artikel 14e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in zaken waarin geweld tegen de politie of hulpverleners wordt uitgeoefend, zeker als het geweld plaatsvindt tijdens de feestdagen, zware straffen worden geëist. De gevraagde bijzondere voorwaarden zijn tevens nodig om een duidelijk signaal af te geven aan de verdachte dat dergelijk gedrag onacceptabel is. Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat het afsteken van vuurwerk buiten de toegestane periode in het Vuurwerkbesluit slechts wordt gekwalificeerd als overtreding, zodat het van belang is dat de verdachte dit verbod tevens in de vorm van een bijzondere voorwaarde krijgt opgelegd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, zodat geen strafoplegging dient te volgen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende:

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van die agenten, die in de nieuwjaarsnacht ter plaatse waren om de rust en orde in Ypenburg te bewaren. De groep waarin de verdachte zich bevond, vertoonde gewelddadig en intimiderend gedrag en verdachte heeft daaraan bijgedragen. De agenten hebben zich hierdoor zeer bedreigd en angstig gevoeld en zij waren niet langer in staat om hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de verdachte onacceptabel is, te meer daar de personen waartegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de politie. Politieagenten behoren hun werk ongestoord te kunnen doen zonder hierin gehinderd te worden. Het feit dat de agenten niet gewond zijn geraakt is een gelukkige omstandigheid die niet aan voorzichtigheid van de verdachte te danken is. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de agenten en voor de door hen, in het belang van ons allen, uitgeoefende werkzaamheden.

Voorts blijkt uit een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van 29 maart 2012, opgesteld door M. van der Weerd, alsmede op het 'voortgangsverslag opdrachtgever' van 3 april 2012, opgesteld door M.S. Tjalkens. Hieruit blijkt dat de verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis niet open heeft opgesteld voor de reclassering. Voorts ontbreekt het de verdachte aan de intrinsieke motivatie om zich meewerkend op te stellen richting de reclassering.

Desondanks wordt reclasseringstoezicht geadviseerd, ook als dit inhoudt deelname aan de Cognitieve Vaardigheids-training en de Arbeidsvaardighedentraining.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde, acht zij een lagere straf dan de door de officier van justitie geëiste straf passend. De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Niettemin benadrukt ook de rechtbank de ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en het belang van de publieke taakuitoefening, welk belang verdachte heeft geschaad. Zij is dan ook van oordeel dat oplegging van een werkstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank aan de verdachte daarnaast wel een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Ook verbindt de rechtbank daaraan de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de eerstvolgende jaarwisseling thuis zal verblijven, ten einde te voorkomen dat de verdachte opnieuw, in het bijzonder bij de eerstvolgende jaarwisseling, een dergelijk feit zal plegen. De rechtbank ziet ook aanleiding om deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren, om veilig te stellen dat deze ook het beoogde effect heeft.

De rechtbank ziet in het daarnaast nog opleggen van de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde inzake bezit van vuurwerk, onvoldoende meerwaarde. Voor zover verdachte buiten de toegestane periode vuurwerk voor handen zou hebben is hij reeds strafbaar op grond van het Vuurwerkbesluit.

Gelet op de negatieve houding van de verdachte zal de rechtbank geen reclasseringstoezicht gelasten.

Ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de op te leggen bijzondere voorwaarde, zoals gevorderd door de officier van justitie:

Nu door de wetgever geen andersluidende overgangsregeling is bepaald, kan de voor verdachte ongunstigere regeling dat de bijzondere voorwaarden direct uitvoerbaar zijn, op hem van toepassing zijn. Er is geen sprake van strijd met artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht, nu krachtens vaste rechtspraak deze bepaling niet reeds geschonden is als door een nieuwe wet nadelige gevolgen worden verbonden ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een straf die voor een eerder begaan strafbaar feit is opgelegd.

De directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank niet strijdig met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM. De dadelijke uitvoerbaarheid van het huisarrest vloeit immers voort uit de veroordeling door een onafhankelijke rechter binnen een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM lid 1 en is naar vaste rechtspraak daarmee een valide basis voor een vrijheidsbeneming na een niet-onherroepelijke veroordeling.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] tot het gevraagde bedrag van € 500,-. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] tot het gevraagde bedrag van € 500,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen nu zij vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde heeft bepleit.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. Beide benadeelde partijen hebben weliswaar opgeschreven wat zij hebben meegemaakt maar een omschrijving van welke schade zij precies hebben geleden en een onderbouwing daarvan, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14e, 22c, 22d, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (honderdvijftig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (vijfenzeventig) dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten de woning zal begeven alwaar hij bij de Gemeentelijke Basisadministratie staat ingeschreven;

beveelt dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is;

verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Soffers, voorzitter,

mrs. H.M. Boone en A.M.G. van de Kragt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt bedoeld bundels ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, van de politie Haaglanden, dossiernummer PL1535-201200146, doorgenummerd als blz. 1 tot en met 550

2 Proces-verbaal, pag. 29 en 30

3 Proces-verbaal, pag. 30

4 Proces-verbaal, pag. 31

5 proces-verbaal, pag. 33 en 34

6 Proces-verbaal, pag. 34 en 35

7 Proces-verbaal, pag. 35

8 Proces-verbaal, pag. 36

9 Proces-verbaal, pag. 48

10 Proces-verbaal, pag. 49

11 Proces-verbaal, pag. 424

12 Proces-verbaal, pag. 425

13 Proces-verbaal pag. 163

14 Proces-verbaal pag. 165

15 Proces-verbaal pag. 176

16 Proces-verbaal pag. 178-179

17 Proces-verbaal pag. 382

18 Proces-verbaal, pag. 114

19 Proces-verbaal, pag. 107

20 Proces-verbaal, pag. 417

21 Proces-verbaal, pag. 120, 126, 418

22 Proces-verbaal, pag. 397

23 Proces-verbaal, pag. 447