Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1137

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
09/900055-12 & 09/758971-11 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van de agenten die ter plaatse waren om de rust en orde te bewaren. De agenten waren niet langer in staat om hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat dit gedrag van verdachte onacceptabel is, te meer daar de personen waar tegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. > een werkstraf van 150 uren met aftrek, een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten zijn woning zal begeven. Gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 09/758971-11, te weten een gevangenisstraf van 1 week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/900055-12

TUL 09/758971-11

Datum uitspraak: 20 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1990 te [plaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 april 2012 en 6 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.T.E. Vis, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meer politieambtena(a)r(en) genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] heeft gegooid/gericht, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Olieslagerslaan en/of de Hopmanstraat en/of de Bleriotlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een of meer poltieambten(a)r(en), te weten,) [aangever 1] en/of [aangever 2], welk geweld bestond uit het: gebaren dat anderen mee moeten komen en/of het meelopen in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] te gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen;

3. Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft gesteld dat de tenlastelegging niet voldoet aan de vereisten die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de tenlastelegging stelt, nu niet voldoende is gespecificeerd naar plaats en tijd. Dit dient te leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging de frase 'althans een of meer stuks illegaal vuurwerk' bevat en uit de dagvaarding niet volgt waar de illegale aard van het vuurwerk uit bestaat.

De rechtbank verwerpt deze verweren. De dagvaarding vermeldt de datum waarop en de stad waarin het omschreven feit zou hebben plaatsgevonden en is daarmee voldoende gespecificeerd. Ter terechtzitting is ook niet gebleken dat het de verdediging niet duidelijk was waartegen zij zich had te verdedigen. Voorts hoeft uit de dagvaarding niet te volgen waaruit de illegale aard van het betrokken vuurwerk blijkt. Dat is een bewijskwestie en raakt niet de geldigheid van de dagvaarding.

4. Bewijsoverwegingen

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan twee politieagenten door zwaar, illegaal vuurwerk op hen af te schieten, waarbij het vuurwerk vlakbij die agenten tot ontploffing is gekomen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, kort weergegeven, betoogd dat geen sprake is geweest van een nauwe, bewuste en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de verbalisanten. Voorts bestond er geen aanmerkelijke kans op zwaar letsel. De verdachte heeft volgens de raadsman geen uitvoeringshandelingen verricht. Hij heeft slechts één vuurpijl afgeschoten. Het afsteken van die vuurpijl is niets anders geweest dan het op normale wijze afsteken van vuurwerk. Niet kan worden gesteld dat de verdachte met het afsteken van die vuurpijl bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verbalisanten gewond zouden raken.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden gezegd dat de verdachte een significante, wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tegen de verbalisanten gepleegde geweld. Uit het dossier blijkt niet dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking zodat niet wordt voldaan aan het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel 'in vereniging'.

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Verbalisant [aangever 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 1 januari 2012, vanaf omstreeks 00.15 uur, als wijkagent bij de politie Haaglanden werkzaam was te 's-Gravenhage, op de Olieslagerslaan en Hopmanstraat. Hij was met zijn collega [aangever 2].2 Hij heeft verklaard dat een groep personen vuurwerk afstak in de richting waar hij en [aangever 2] zich bevonden. [aangever 1] heeft gezien dat er constant met vuurwerk richting hen werd gewezen, gegooid en geschoten en dat het om hen heen neerkwam op afstanden van minder dan 2 à 3 meter. Het kwam boven, voor, naast en achter hen tot ontploffing. [aangever 1] voelde dat er vuurwerk tegen zijn rug aankwam.3 [aangever 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat er een groep jongens op hen af kwam rennen vanaf de kruising. Ook tijdens dat moment werden hij en [aangever 2] beschoten met allerlei soorten vuurwerk. [aangever 1] heeft verklaard dat hij en [aangever 2] de confrontatie met de jongeren zijn aangegaan en dat zij tijdens die confrontatie bestookt werden met vuurwerk.4

Verbalisant [aangever 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat zich rond 24.00 uur een groep verzamelde op de kruising Hopmanstraat/Olieslagerslaan.5 Hij heeft verklaard dat al vrij snel vuurwerk werd gegooid en geschoten in de richting van hem en [aangever 1]. [aangever 2] zag dat een man een stuk vuurwerk in de richting van hem en [aangever 1] richtte en vuurballen in hun richting schoot, die ongeveer 10 meter voor hun voeten op de grond kwamen. Eén persoon in de groep viel hem bijzonder op. Gedurende een aantal uren vanaf 00.00 uur heeft deze man hen diverse malen met vuurwerk bestookt en de groep ertoe bewogen om mee te doen. [aangever 2] herkende hierin de medeverdachte [medeverdachte 1] en hij zag dat [medeverdachte 1] in hun richting lichtballen afschoot die op enkele meters van hen vandaan terechtkwamen.6 Er werd veel zwaar vuurwerk in hun richting afgestoken. [aangever 2] zag diverse lichtflitsen uit een stuk vuurwerk komen, die links en rechts langs hem en zijn collega schoten. Even later zag hij dat er nog steeds verschillende soorten vuurwerk in hun richting werden geschoten. [aangever 2] heeft verklaard dat hij zag dat op een gegeven moment een groep mensen los kwam uit de groep en dat deze groep op hen af kwam lopen.7 Vanuit de groep werd iets gegooid dat vlak voor hen op de grond kwam, waaruit een hevige witte rookwolk ontstond. [aangever 2] heeft verklaard dat hij, nog voordat hij weg kon lopen, een harde knal hoorde en een drukgolf voelde en dat hij een heldere witte lichtflits zag.8

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij zagen dat er op de kruising Hopmanstraat en Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 man. Zij hebben gezien dat vanuit de groep vuurwerk werd afgestoken. Het vuurwerk werd niet in de hoogte afgestoken maar een paar meter boven de grond, in horizontale richting. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat zij zagen dat politieagenten [aangever 1] en [aangever 2] zich in de Hopmanstraat bevonden en dat zij door de groep met vuurwerk bestookt werden. Zij hebben verklaard dat zij zagen en hoorden over het portofoonkanaal dat beide agenten zich terugtrokken ten behoeve van hun eigen veiligheid. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat op de kruising Hopmanstraat met de Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 personen. De groep begon zich te bewegen richting [aangever 1] en [aangever 2]. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben verklaard dat er diverse malen zwaar vuurwerk in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] werd afgestoken.9 Het vuurwerk ging vaak laag over de grond. Zij hebben verklaard dat [aangever 1] en [aangever 2] wegrenden en dat zij zagen dat vuurwerk op 2 à 3 meter van [aangever 2] met een zeer harde knal en veel rookontwikkeling tot ontploffing kwam.10

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij omstreeks 00.10 uur op de kruising Olieslagerslaan-Hopmanstraat was. Hij heeft verklaard dat er veel jongeren buiten waren en dat de groep steeds groter werd. Hij zag dat diverse personen vuurwerk afstaken en dat ze dit niet op de gebruikelijke wijze deden. Personen hielden het vuurwerk in hun handen en schoten of gooiden het voornamelijk af in de richting van de Bleriotlaan. [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat het vuurwerk voornamelijk terechtkwam in de nabijheid van twee politieagenten. Deze agenten waren in hun uniform gekleed en waren duidelijk herkenbaar als politieagenten. [getuige 1] heeft verklaard dat de agenten daar heel duidelijk aanwezig waren en dat het zicht in de straat goed was.11 [getuige 1] heeft verklaard dat het vuurwerk steeds in hun nabijheid ontplofte en dat de twee agenten, naarmate de tijd vorderde, steeds verschillende posities in de straat kozen. Volgens [getuige 1] deden zij dit enerzijds om de straat goed in de gaten te kunnen houden, maar ook omdat zij steeds bestookt werden met vuurwerk. [getuige 1] heeft verklaard dat, op welke positie de agenten ook stonden, er steeds vuurwerk in hun nabijheid tot ontploffing kwam. Hij kan zich niet indenken dat het per ongeluk is gegaan. [getuige 1] heeft verklaard dat vuurwerk werd afgeschoten in de richting waar op dat moment de agenten stonden en dat hij meerdere personen vuurwerk heeft zien gooien en schieten.12

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij toen hij op de Olieslagerslaan aankwam twee agenten zag staan13, dat er vuurwerk werd gegooid in de richting van deze agenten14 en dat die agenten achteruit liepen. Hij had niet het idee dat het om normaal vuurwerk ging omdat de knal heel erg hard was. Ook medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij twee politieagenten op een hoek heeft zien staan15 en dat mensen uit de groep vuurwerk gooiden naar de politie16. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat er een vuurpijl in de richting van de agenten werd afgestoken en dat sommig vuurwerk echt dichtbij kwam. Hij heeft ook gezien dat er een vuurpijl in de richting van die agenten werd afgestoken en dat die agenten opzij moesten springen.17

Ten aanzien van primair:

De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieagenten. Daartoe moet de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de politieagenten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen doordat er (zwaar) vuurwerk naar en in hun richting werd afgestoken.

Allereerst dient de vraag beantwoord te worden of deze aanmerkelijke kans zich inderdaad heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in het dossier onvoldoende duidelijkheid bieden zo'n aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel te kunnen vaststellen. Weliswaar staat vast dat er vuurwerk is gegooid naar de agenten en hebben de agenten verklaard dat dit zwaar vuurwerk betrof. Echter de aard en specifieke kenmerken van dit vuurwerk kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld of, en zo ja welk vuurwerk, zodanig in de onmiddellijke nabijheid van de agenten terecht is gekomen dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen. Alleen al om deze reden dient vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit te volgen en hoeven de overige verweren die betrekking hebben op dit feit niet te worden besproken.

Ten aanzien van subsidiair:

De rechtbank stelt ten eerste, op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen, vast dat de agenten [aangever 1] en [aangever 2] in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2012 door een groep van personen met vuurwerk zijn bestookt. Degenen die daaraan hebben deelgenomen hebben zich daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Vervolgens moet vastgesteld worden of verdachte deel uitmaakte van deze groep en of hij aan het bestoken van de agenten met vuurwerk een significante bijdrage heeft geleverd.

De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens nieuwjaarsnacht op de hoek van de Olieslagerslaan en de Hopmanstraat is geweest. Hij heeft verklaard dat hij een vuurpijl heeft afgestoken, die hij op de grond heeft gelegd, maar die wel de lucht in is gegaan. De verdachte heeft wel politie gezien, maar ontkent dat hij de vuurpijl op de agenten heeft gericht. De verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat er vast wel iets bij 'de collega's' (politieagenten) is afgegaan, maar dat dit niet door hem is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij één van de personen was die in een groep vuurwerk afschoten, maar dat hij niet met opzet op de agenten heeft geschoten.18

Op de beschikbare camerabeelden van het incident, hebben meerdere verbalisanten de verdachte herkend. De verdachte wordt op de beelden aangeduid met NN 9.19 De verdachte heeft verklaard dat hij 'naar hij aanneemt' inderdaad de persoon is die met NN 9 wordt aangeduid.20

Door verbalisant Brons zijn de camerabeelden beschreven. Beschreven is dat de verdachte om 00.35.44 uur een brandend voorwerp in zijn linkerhand heeft, met daaraan een stok en dat hij dit voorwerp op de kruising op straat legt, naar de Hopmanstraat, richting Bleriotstraat. Beschreven is dat het voorwerp de Hopmanstraat in schiet, richting Bleriotstraat.21 De agenten bevonden zich blijkens de bovengenoemde verklaring in de Hopmanstraat. Uit de weergegeven verklaringen volgt dat door meerdere personen uit de groep, waarin de verdachte zich bevond, vuurwerk is gegooid in de richting van de agenten. Verdachte heeft dat ook waargenomen. Ook verdachte schiet een vuurpijl af vanuit de groep in de richting van de agenten. Onder deze omstandigheden is de verklaring van verdachte dat hij zijn vuurpijl niet op de agenten heeft gericht, niet aannemelijk. Door zich in de groep te bevinden, daarvan deel te blijven uitmaken nadat hij ziet dat vuurwerk naar de politie wordt afgeschoten en ook zelf vuurwerk in die richting te schieten, heeft de verdachte een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan het bestoken van de agenten met vuurwerk en heeft hij de negatieve groepsdynamiek jegens de agenten daarmee versterkt. Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat wel is voldaan aan het bestanddeel 'in vereniging' zoals dit is opgenomen in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen voornoemde politieagenten.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat illegaal vuurwerk naar de politie is gegooid. Het enige dat het dossier daartoe bevat is de verklaring van de medeverdachte Eerhard, dat hij ook met nitraatbommen heeft gegooid, maar dat acht de rechtbank niet voldoende.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte;

op 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Olieslagerslaan en de Hopmanstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, te weten [aangever 1] en [aangever 2], welk geweld bestond uit het vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en die [aangever 2] gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:

- dat ten aanzien van de verdachte huisarrest zal gelden in de periode van 31 december 2012 te 12.00 uur tot 1 januari 2013 te 12.00 uur;

- dat ten aanzien van de verdachte een verbod zal gelden om vuurwerk voorhanden te hebben en/of af te steken in de periode van 1 december 2012 tot 1 februari 2013.

Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard ex artikel 14e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in zaken waarin geweld tegen de politie of hulpverleners wordt uitgeoefend, zeker als het geweld plaatsvindt tijdens de feestdagen, zware straffen worden geëist. De gevraagde bijzondere voorwaarden zijn tevens nodig om een duidelijk signaal af te geven aan de verdachte dat dergelijk gedrag onacceptabel is. Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat het afsteken van vuurwerk buiten de toegestane periode in het Vuurwerkbesluit slechts wordt gekwalificeerd als overtreding, zodat het van belang is dat de verdachte dit verbod tevens in de vorm van een bijzondere voorwaarde krijgt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt en aanleiding ziet om een straf op te leggen, rekening dient te worden gehouden met het feit dat de verdachte als het ware 70 dagen heeft vastgezeten naar aanleiding van het ten laste gelegde. Het gaat daarbij om de periode waarin de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft gezeten. Voorts gaat het om de periode die de verdachte in detentie heeft doorgebracht in verband met het uitzitten van een openstaande straf. Dit had in overleg met de Reclassering half-open geëxecuteerd kunnen worden op een door de verdachte gekozen moment. Toen de verdachte echter werd aangehouden voor het ten laste gelegde feit, is deze mogelijkheid doorkruist en heeft hij met onmiddellijke ingang zijn openstaande straf in een gesloten setting moeten uitzitten. De raadsman heeft betoogd dat gelet hierop een aanvullende straf onbillijk zou zijn. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat de verdachte op het goede pad is en hij zijn leven op orde heeft.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende:

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van de agenten, die in de nieuwjaarsnacht ter plaatse waren om de rust en orde in Ypenburg te bewaren. De groep waarin de verdachte zich bevond, vertoonde gewelddadig en intimiderend gedrag, waaraan verdachte heeft bijgedragen. De agenten hebben zich hierdoor zeer bedreigd en angstig gevoeld en zij waren niet langer in staat om hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de verdachte onacceptabel is, zeker gelet op het feit dat de personen waartegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de politie. Politieagenten behoren hun werk ongestoord te kunnen doen zonder hierin gehinderd te worden. Het feit dat de agenten niet gewond zijn geraakt is een gelukkige omstandigheid die niet aan voorzichtigheid van de verdachte te danken is. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de agenten en voor de door hen, in ieders belang, uitgeoefende werkzaamheden.

Uit het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte reeds veelvuldig is veroordeeld voor het plegen van geweldgerelateerde en andere strafbare feiten.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte vrijspreekt van het primair ten laste gelegde, acht zij een lagere straf dan de door de officier van justitie geëiste straf passend. De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie gevorderd, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Niettemin benadrukt ook de rechtbank de ernst van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt en het belang van de publieke taakuitoefening, welk belang verdachte heeft geschaad. Zij is dan ook van oordeel dat oplegging van een werkstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank aan de verdachte daarnaast wel een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Ook ziet de rechtbank aanleiding aan de voorwaardelijke straf de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde te verbinden dat de verdachte gedurende de eerstvolgende jaarwisseling thuis zal verblijven, ten einde te voorkomen dat de verdachte opnieuw, en in het bijzonder bij de komende jaarwisseling, een dergelijk feit zal plegen. De rechtbank zal deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar verklaren, om veilig te stellen dat deze ook het beoogde effect heeft.

Nu door de wetgever bij de invoering van bovenstaande wetswijziging geen overgangsregeling is bepaald, is het uitgangspunt dat deze gewijzigde wetgeving ook van toepassing is op feiten gepleegd voor 1 april 2012, tenzij de verdachte hierdoor in een ongunstigere positie zou komen te verkeren. De rechtbank is van oordeel dat hier geen sprake van is, nu het slechts de tenuitvoerlegging van de aan het voorwaardelijke strafdeel gekoppelde bijzondere voorwaarde betreft. Het bepaalde in artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is dan ook niet geschonden.

De directe uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank niet strijdig met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM. De dadelijke uitvoerbaarheid van het huisarrest vloeit immers voort uit de veroordeling door een onafhankelijke rechter binnen een procedure die voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM lid 1 en is naar vaste rechtspraak daarmee een valide basis voor een vrijheidsbeneming na een niet-onherroepelijke veroordeling.

De rechtbank ziet in het daarnaast ook nog opleggen van de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde inzake bezit van vuurwerk, onvoldoende meerwaarde. Voor zover verdachte buiten de toegestane periode vuurwerk voor handen zou hebben is hij reeds strafbaar op grond van het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank geeft geen gevolg aan het verzoek van de verdediging rekening te houden met het uitzitten van een andere straf in aansluiting op de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak. Daartoe bestaat geen aanleiding omdat de tenuitvoerlegging van die andere straf geheel los staat van deze zaak.

8. De vordering van de benadeelde partij

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] tot het gevraagde bedrag van € 500,-. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] tot het gevraagde bedrag van € 500,-. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vorderingen benadeelde partij niet-ontvankelijk zijn dan wel afgewezen dienen te worden. Primair heeft de raadsman daartoe betoogd dat hij vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman daartoe betoogd dat ten aanzien van politieagenten geldt dat sprake is van een verhoogd risico dat zij uit hoofde van hun beroep te maken krijgen met geweldshandelingen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. Voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade is immers uitsluitend plaats in de in artikel 6:106 BW vermelde gevallen. Nu niet is gesteld of gebleken dat verdachte het oogmerk heeft gehad op het toebrengen van dergelijk nadeel en er geen sprake is van lichamelijk letsel, hadden er concrete feiten dienen te worden gesteld waaruit volgt dat de benadeelde partijen in hun persoon zijn aangetast. Hieromtrent hebben zij echter niets gesteld. Nader onderzoek naar de invulling van deze stelplicht door de benadeelde partijen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op voor het strafgeding.

9. De vordering tenuitvoerlegging

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter d.d. 9 november 2011 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen aangezien hij vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde.

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt, heeft de raadsman subsidiair verzocht om de vordering af te wijzen. De raadsman heeft daartoe betoogd dat de verdachte pas kort in een proeftijd liep en hij nog onvoldoende kans heeft gehad zich te bewijzen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet in verhouding zou staan tot het feit waarvan de verdachte wordt verdacht. Het betreft voorts een andersoortig strafbaar feit, zodat een tenuitvoerlegging niet aangewezen is.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, indien de rechtbank overgaat tot tenuitvoerlegging, om te zetten in een werkstraf.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor de toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 16 maart 2012 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d.

9 november 2011, nu verdachte opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd en aldus de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. In de door de raadsman geuite bezwaren ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14e,14g, 22c, 22d, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 150 (honderdvijftig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (vijfenzeventig) dagen;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten de woning zal begeven alwaar hij bij de Gemeentelijke Basisadministratie staat ingeschreven;

beveelt dat de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is;

verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

ten aanzien van parketnummer 09/758971-11:

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 9 november 2011, gewezen onder parketnummer 09/758971-11, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één week.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Soffers, voorzitter,

mrs. H.M. Boone en A.M.G. van de Kragt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt bedoeld bundels ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, van de politie Haaglanden, dossiernummer PL1535-201200146, doorgenummerd als blz. 1 tot en met 550

2 Proces-verbaal, pag. 29 en 30

3 Proces-verbaal, pag. 30

4 Proces-verbaal, pag. 31

5 proces-verbaal, pag. 33 en 34

6 Proces-verbaal, pag. 34 en 35

7 Proces-verbaal, pag. 35

8 Proces-verbaal, pag. 36

9 Proces-verbaal, pag. 48

10 Proces-verbaal, pag. 49

11 Proces-verbaal, pag. 424

12 Proces-verbaal, pag. 425

13 Proces-verbaal pag. 163

14 Proces-verbaal pag. 165

15 Proces-verbaal pag. 176

16 Proces-verbaal pag. 178-179

17 Proces-verbaal pag. 382

18 Proces-verbaal, pag. 256, 357, 358

19 Proces-verbaal, pag. 107, 120, 126

20 Proces-verbaal, pag. 362

21 Proces-verbaal, pag. 445