Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1073

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
09-920021-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van de agenten die ter plaatse waren om de rust en orde te bewaren. De agenten waren niet langer in staat hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte onacceptabel is, zeker gelet op het feit dat de personen waartegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. > Een werkstraf voor de tijd van 100 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten zijn woning zal begeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920021-12

Datum uitspraak: 20 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1997,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 en 6 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. P.B. Spaargaren, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een (of meer) politieambtena(a)r(en) genaamd [aangever 1] en/of [aangever 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] heeft gegooid/gericht, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Olieslagerslaan en/of de Hopmanstraat en/of de Bleriotlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (één of meer politieambtena(a)r(en), te weten) [aangever 1] en/of [aangever 2], welk geweld bestond uit het gebaren dat anderen mee moeten komen en/of het (mee)lopen in de richting van die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (telkens) een/of meer mortiergrana(a)t(en) en/of een of meer Romeinse kaar(s)(en) en/of

een of meer Cobra(s), althans een of meer stuks illegaal vuurwerk, in ieder geval enig vuurwerk naar en/of in de richting van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte samen met anderen in nieuwjaarsnacht zwaar, illegaal en legaal vuurwerk naar twee dienstdoende politieambtenaren heeft gegooid of gericht, welk vuurwerk tot ontploffing is gekomen in hun nabijheid. Hiermee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van de beide politieagenten.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van de agenten. De verdachte heeft verklaard dat hij wel, legaal, vuurwerk heeft gegooid of afgeschoten maar niet in de richting van agenten of andere mensen. De verdachte heeft geen politie zien staan op het kruispunt Olieslagerslaan/Hopmanstraat. Ook heeft hij niet gezien dat anderen naar de agenten vuurwerk gooiden. Pas toen de groep ging lopen zag hij de agenten. De raadsman heeft vrijspaak van het primair ten laste gelegd bepleit. De raadsman heeft betoogd dat het moment waarop de groep naar de politie is toe gelopen waarna de agenten zich moesten terugtrekken, het zwaartepunt van de zaak is. De verdachte maakte echter geen deel uit van het groepje dat naar de agenten toe is gelopen. Voorts wijst de raadsman erop dat hij op de camerabeelden van de nieuwjaarsnacht niet heeft gezien dat de agenten constant met vuurwerk worden bestookt, zoals zij relateren. De groep, steeds in wisselende samenstelling, viert gewoon Nieuwjaar en richt zich niet constant op de politie. De politie is zelf niet zichtbaar op de beelden.

Met betrekking tot het primair tenlastegelegde heeft de raadsman opgemerkt dat niet de strafverzwarende omstandigheid ten laste is gelegd dat de poging tot zware mishandeling ambtenaren betrof gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

De verdachte kan als pleger noch als medepleger van een poging tot zware mishandeling worden gezien. Niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat de agenten zwaar letsel zouden oplopen, volgens de raadsman. De verdachte had geen opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel, noch op het medeplegen daarvan.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat de verdachte geen opzet kan hebben gehad op het plegen van openlijk geweld tegen personen nu hij niet wist dat vanuit de groep waarin hij zich bevond vuurwerk naar de twee agenten werd gegooid.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Aangever, [aangever 1], verklaart in zijn aangifte dat hij op 1 januari 2012 vanaf omstreeks 00.15 als wijkagent bij de politie Haaglanden werkzaam was te 's-Gravenhage op de Olieslagerslaan en Hopmanstraat met zijn collega [aangever 2].2 Een groep personen stak vuurwerk af in de richting waar hij en [aangever 2] zich bevonden. [aangever 1] zag dat er constant met vuurwerk richting hen werd gewezen, gegooid en geschoten. Het kwam om hen heen neer op afstanden van minder dan 2 à 3 meter. Het kwam boven, voor, naast en achter hen tot ontploffing. [aangever 1] voelde dat er vuurwerk tegen zijn rug aankwam.3 Op een gegeven moment zag hij dat er een groep jongens op hen af kwam rennen vanaf de kruising. Ook tijdens dat moment werden zij beschoten met allerlei soorten zwaar vuurwerk. [aangever 1] en [aangever 2] gingen de confrontatie aan met de jongeren en werden tijdens die confrontatie bestookt met zwaar vuurwerk.4

Aangever, [aangever 2], verklaart in zijn aangifte dat rond 24.00 uur zich een groep verzamelde op de kruising Hopmanstraat/Olieslagerslaan.5 Al vrij snel werd er vuurwerk in de richting van hem en [aangever 1] gegooid en geschoten. Hij zag dat een man een stuk vuurwerk in de richting van hem en [aangever 1] richtte en vuurballen in hun richting schoot, die ongeveer 10 meter voor hun voeten op de grond kwamen. Een persoon in de groep viel in het bijzonder op. Gedurende een aantal uren vanaf 00.00 uur heeft deze man hen diverse malen met vuurwerk bestookt en de groep ertoe bewogen om mee te doen. Hij herkende hierin de medeverdachte [medeverdachte 1] en hij zag dat deze [medeverdachte 1] in hun richting lichtballen afschoot die op enkele meters van hen vandaan terecht komen.6 Nadat twee mannen waren begonnen met het afsteken van illegaal vuurwerk in hun richting werd er veel zwaar vuurwerk afgestoken. Hij zag diverse lichtflitsen uit een stuk vuurwerk komen die links en rechts langs hem en zijn collega schoten. Even later zag hij dat er nog steeds verschillende soorten vuurwerk in hun richting werd geschoten. Op een gegeven moment kwam er een groep mensen los uit de groep en deze kwam op hen aflopen.7 Vanuit de groep werd iets gegooid dat vlak voor hen op de grond kwam, waaruit een hevige witte rookwolk ontstond. Nog voordat hij kon weglopen, hoorde en voelde hij een hele harde knal en een drukgolf en zag hij een heldere witte lichtflits.8

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaren dat zij zagen dat er op de kruising Hopmanstraat en Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 man. Vanuit de groep werd vuurwerk afgestoken. Het vuurwerk werd niet in de hoogte afgestoken maar een paar meter boven de grond in horizontale richting. Zij zagen dat politieagenten [aangever 1] en [aangever 2] zich in de Hopmanstraat bevonden en dat zij door de groep met vuurwerk bestookt werden. Zij zagen en hoorden over het portofoonkanaal dat beide agenten zich terugtrokken ten behoeve van hun eigen veiligheid. Zij zagen dat op de kruising Hopmanstraat met de Olieslagerslaan een groep stond van minimaal 20 personen. De groep begon zich te bewegen richting [aangever 1] en [aangever 2]. Zij zagen dat er diverse malen zwaar vuurwerk in de richting van [aangever 1] en [aangever 2] werd afgestoken.9 Het vuurwerk ging vaak laag over de grond. Zij zagen dat [aangever 1] en [aangever 2] wegrenden. Zij zagen dat vuurwerk op 2 à 3 meter van [aangever 2] met een zeer harde knal en veel rookontwikkeling tot ontploffing kwam.10

De getuige [getuige 1] verklaart dat hij op 1 januari 2012 omstreeks 00.10 uur op de kruising Olieslagerslaan-Hopmanstraat was. Er waren veel jongeren buiten en de groep werd steeds groter. Diverse personen staken vuurwerk af en hij zag dat ze dit niet op de gebruikelijke wijze deden. Personen hielden het vuurwerk in hun handen en schoten of gooiden het voornamelijk af in de richting van de Bleriotlaan. Hij zag dat het vuurwerk voornamelijk terechtkwam in de nabijheid van twee politieagenten. Deze agenten waren in hun uniform gekleed en duidelijk herkenbaar als politieagenten. De agenten waren daar heel duidelijk aanwezig en het zicht in de straat was goed.11 De getuige zag dat het vuurwerk steeds in hun nabijheid ontplofte en hij zag ook dat de twee agenten naarmate de tijd vorderde steeds verschillende posities in de straat kozen. De getuige verklaart dat op welke positie de agenten ook stonden er steeds vuurwerk in hun nabijheid tot ontploffing kwam. De getuige kon zich niet indenken dat het per ongeluk is gegaan en de mate waarin het vuurwerk ontplofte nabij de agenten deed serieus denken aan opzet, zeker omdat de agenten steeds wisselden van positie en het vuurwerk toen weer in hun omgeving ontplofte. De agenten werden belaagd door het gooien van vuurwerk De getuige zag dat vuurwerk werd afgeschoten in de richting waar op dat moment de agenten stonden. Hij heeft meerdere personen vuurwerk zien gooien of schieten.12

Medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij toen hij op de Olieslagerslaan aankwam twee agenten zag staan13, dat er vuurwerk werd gegooid in de richting van deze agenten14 en dat die agenten achteruit liepen. Hij had niet het idee dat het om normaal vuurwerk ging omdat de knal heel erg hard was. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij twee politieagenten op een hoek heeft zien staan15 en dat mensen uit de groep vuurwerk gooiden naar de politie16. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat er een vuurpijl in de richting van de agenten werd afgestoken en dat sommig vuurwerk echt dichtbij kwam. Hij heeft ook gezien dat er een vuurpijl in de richting van die agenten werd afgestoken en dat die agenten opzij moesten springen.17

T.a.v. het primair tenlastegelegde

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling, al dan niet in vereniging gepleegd, onder andere vast moet staan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de politieagenten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen doordat er (zwaar) vuurwerk naar en in hun richting werd afgestoken. Hiervoor moet eerst worden vastgesteld dat deze aanmerkelijke kans inderdaad aanwezig was. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in het dossier onvoldoende duidelijkheid bieden om zo'n aanmerkelijke kans op zwaar letsel te kunnen vaststellen. Er is weliswaar met vuurwerk naar de agenten gegooid en de agenten hebben verklaard dat dit zwaar vuurwerk betrof, echter de aard en specifieke kenmerken van het vuurwerk kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld. Evenmin kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting worden vastgesteld of en zo ja welk vuurwerk zodanig in de onmiddellijke nabijheid van de agenten terecht is gekomen dat daardoor zwaar letsel had kunnen ontstaan. Alleen al om deze reden dient vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit te volgen en hoeven de overige verweren die betrekking hebben op dit feit niet te worden besproken.

T.a.v. het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank stelt ten eerste, op grond van de hiervoor weergegeven verklaringen, vast dat de agenten [aangever 1] en [aangever 2] in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2012 door een groep van personen met vuurwerk zijn bestookt. Degenen die daaraan hebben deelgenomen hebben zich daarmee, naar het oordeel van de rechtbank, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging gericht tegen [aangever 1] en [aangever 2].

Vervolgens moet vastgesteld worden of verdachte deel uitmaakte van deze groep en of hij aan het bestoken van de agenten met vuurwerk een significante bijdrage heeft geleverd.

De verdachte heeft bevestigd dat hij ter plekke was en vuurwerk heeft afgestoken en ook heeft gezien dat anderen vuurwerk hebben afgestoken.18 Uit de beschrijving van de camerabeelden19 blijkt dat hij vanaf 00.36.05 uur een voorwerp in zijn rechterhand neemt, dit aansteekt en zijn rechterhand met hierin het brandende voorwerp schuin omhoog naar de Hopmanstraat, richting Bleriotlaan, brengt. Van of uit dit brandende voorwerp schiet een deel weg. Vanaf 00.39.19 uur steekt hij een voorwerp aan dat hij in zijn rechterhand houdt. Hij brengt zijn rechterarm met in zijn rechterhand dit brandende voorwerp naar achteren en gooit het brandende voorwerp de Hopmanstraat in, richting Bleriotlaan. Vanaf 00.39.59 maakt hij een werpbeweging met zijn rechterarm in de richting Hopmanstraat richting Bleriotlaan. Om 00.41.41 steekt hij een voorwerp welke hij in zijn rechterhand houdt aan, brengt zijn rechterarm met in zijn rechterhand het brandende voorwerp naar achteren en gooit het brandende voorwerp met kracht de Hopmanstraat in, richting de Bleriotlaan. Om 00.44.42 steekt de verdachte een voorwerp in zijn rechterhand aan. Hij brengt zijn rechterarm met in zijn rechterhand het brandende voorwerp omhoog en een brandend deel schiet uit dit voorwerp de Hopmanstraat in richting de Bleriotlaan. Om 00.49.31 steekt de verdachte een voorwerp aan welke hij in zijn rechterhand houdt. Hij brengt zijn rechterarm met in zijn rechterhand het brandende voorwerp naar achteren en gooit het brandende voorwerp met kracht de Hopmanstraat in. De verdachte verklaart niet in de richting van mensen vuurwerk te hebben afgestoken en ook geen agenten in de nabijheid te hebben gezien.

Vast staat dat zich in de Hopmanstraat de twee, in de tenlastelegging genoemde, agenten bevonden. Volgens de getuige [getuige 1] waren de agenten goed zichtbaar en duidelijk aanwezig en uit zijn en de overige verklaringen blijkt genoegzaam dat vuurwerk door de groep waarin verdachte zich bevond, op deze agenten werd gericht. Medeverdachten [medeverdachte 2]20, [medeverdachte 5]21 en [medeverdachte3]22 hebben de agenten wel gezien.

Dat verdachte, die in dezelfde richting vuurwerk schiet en gooit, de agenten niet zou hebben gezien, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft korte tijd achter elkaar veel vuurwerk in de richting van de politie heeft gegooid. Door aldus te handelen heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan het bestoken van de betrokken agenten met vuurwerk. Zijn rol was daarin bepaald niet onaanzienlijk.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat illegaal vuurwerk naar de politie is gegooid. Het enige dat het dossier daartoe bevat is de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 4], dat hij ook met nitraatbommen heeft gegooid, maar dat acht de rechtbank niet voldoende.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen voornoemde politieambtenaren.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 01 januari 2012 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Olieslagerslaan en de Hopmanstraat openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, te weten [aangever 1] en [aangever 2], welk geweld bestond uit het meermalen vuurwerk naar en in de richting van die [aangever 1] en die [aangever 2] gooien/richten, waarbij voornoemd vuurwerk in de nabijheid van die [aangever 1] en/of die [aangever 2] tot ontploffing is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich tussen 31 december 2012 te 12.00 uur en 1 januari 2013 te 12.00 uur niet buitenhuis mag begeven, alsmede dat hij tussen 1 december 2012 en 1 februari 2013 geen vuurwerk voorhanden mag hebben of af mag steken. De officier van justitie heeft tevens gevraagd als bijzondere voorwaarde op te nemen dat de verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de voorschriften hem te geven door de jeugdreclassering. De officier van justitie heeft verzocht om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in zaken waarin geweld tegen de politie of hulpverleners wordt uitgeoefend zware straffen worden geëist. De gevraagde bijzondere voorwaarden zijn tevens nodig om een duidelijk signaal af te geven aan de verdachte dat dergelijk gedrag onacceptabel is.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de verdediging aandacht gevraagd voor het feit dat de verdachte geen voortrekkersrol heeft gehad en hij reeds drie dagen heeft vastgezeten.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In de nieuwjaarsnacht van 2011 op 2012 heeft de verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen twee politieagenten. De verdachte en zijn medeverdachten hebben vuurwerk afgeschoten in de richting van de agenten, die in de nieuwjaarsnacht ter plaatse waren om de rust en orde in Ypenburg te bewaren. De groep waarin de verdachte zich bevond, vertoonde gewelddadig en intimiderend gedrag en verdachte heeft daaraan bijgedragen. De agenten hebben zich hierdoor zeer bedreigd en angstig gevoeld en zij waren niet langer in staat om hun werkzaamheden naar behoren te verrichten. De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de verdachte onacceptabel is, zeker gelet op het feit dat de personen waartegen zich het geweld heeft gericht, bezig waren met de uitoefening van een publieke functie. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de politie. Politieagenten behoren hun werk ongestoord te kunnen doen zonder hierin gehinderd te worden. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan dit strafbare feit en dat hij zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor de agenten en voor het, in ieders belang, uitoefenen van hun werkzaamheden.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie, in het verleden niet eerder veroordeeld is ter zake van het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 januari 2012 en 3 april 2012. De Raad heeft gerapporteerd dat er vanuit school de nodige zorgen omtrent het gedrag van de verdachte naar voren zijn gekomen. Voorts is de vrijwillige begeleiding van de jeugdreclassering niet van de grond gekomen. De Raad adviseert om de begeleiding van de jeugdreclassering in het kader van een bijzondere voorwaarde bij strafoplegging op te leggen. De rechtbank zal dit advies overnemen. Ter terechtzitting heeft de verdachte aangegeven in dat geval te zullen meewerken.

Nu de rechtbank anders dat de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte vrijspreekt van het primair tenlastegelegde, acht zij een lagere straf dan gevorderd passend. De rechtbank zal geen jeugddetentie opleggen, ook niet in voorwaardelijke vorm. Niettemin benadrukt ook de rechtbank de ernst van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt en het belang van de publieke taakuitoefening, welk belang verdachte heeft geschaad. Zij is dan ook van oordeel dat oplegging van een forse werkstraf passend en geboden is. Teneinde de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank een deel hiervan voorwaardelijk opleggen. De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn streven zoveel mogelijk te voorkomen dat de verdachte, in het bijzonder bij de komende jaarwisseling, weer de fout in gaat. Zij zal dan ook aan dit voorwaardelijke deel van de straf, naast de eerder genoemde begeleiding door de jeugdreclassering, de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte gedurende de eerstvolgende jaarwisseling (op de nader te noemen tijdstippen) thuis zal verblijven.

De rechtbank ziet aanleiding om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, om veilig te stellen dat deze ook het beoogde effect heeft. De rechtbank ziet in het daarnaast ook nog opleggen van de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde inzake het verbod op bezit van vuurwerk, onvoldoende meerwaarde. Voor zover verdachte buiten de toegestane periode vuurwerk voor handen zou hebben is hij reeds strafbaar op grond van het Vuurwerkbesluit.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[aangever 1] en [aangever 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, elk groot € 500, ter zake van immateriële schade.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen van de benadeelde partij met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft aangegeven de gevraagde bedragen van € 500 minimaal te vinden, gezien het gepleegde geweld jegens de slachtoffers.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft erop gewezen dat de vordering niet is onderbouwd en dat nu de verdachte 14 jaar is krachtens art. 6:169 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek de gezaghebbende ouders aansprakelijk zijn voor de schade die door verdachte zou zijn veroorzaakt.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partijen niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen. Voor vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade is immers uitsluitend plaats in de in artikel 6:106 BW vermelde gevallen. Nu niet is gesteld of gebleken dat verdachte het oogmerk heeft gehad op het toebrengen van dergelijk nadeel en er geen sprake is van lichamelijk letsel, hadden er concrete feiten dienen te worden gesteld waaruit volgt dat de benadeelde partijen in hun persoon zijn aangetast. Hieromtrent hebben zij echter niets gesteld. Nader onderzoek naar de invulling van deze stelplicht door de benadeelde partijen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op voor het strafgeding.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77za en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. subsidiair:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 50 DAGEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 40 UREN , subsidiair 20 DAGEN jeugddetentie, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

- dat de veroordeelde zich tussen 31 december 2012 te 18.00 uur en 1 januari 2013 te 08.00 uur niet buiten de woning zal begeven alwaar hij in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven;

draagt de Stichting Bureau Jeugdzorg op aan de veroordeelde ter zake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de bijzondere voorwaarden alsmede de te verlenen hulp en steun dadelijk uitvoerbaar zijn;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Soffers, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M. Boone, kinderrechter,

en mr. A.M.G. van de Kragt, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt bedoeld bundels ambtsedige processen-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, van de politie Haaglanden, dossiernummer PL1535-201200146, doorgenummerd als blz. 1 tot en met 550

2 Proces-verbaal pag. 29 en 30

3 Proces-verbaal pag. 30

4 Proces-verbaal pag. 31

5 proces-verbaal pag. 33 en 34

6 Proces-verbaal pag. 34 en 35

7 Proces-verbaal pag. 35

8 Proces-verbaal pag. 36

9 Proces-verbaal pag. 48

10 Proces-verbaal pag. 49

11 Proces-verbaal pag. 424

12 Proces-verbaal pag. 425

13 Proces-verbaal pag. 163

14 Proces-verbaal pag. 165

15 Proces-verbaal pag. 176

16 Proces-verbaal pag. 178-179

17 Proces-verbaal pag. 382

18 Verklaring verdachte ter terechtzitting

19 Proces-verbaal pag. 444-445

20 Proces-verbaal pag. 179

21 Proces-verbaal pag. 162

22 Proces-verbaal pag. 381 en 382