Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ1072

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
09/753601-12; 09715805-12 (t.b.g.); 09/760813-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis, brandstichting, vernieling, openlijk geweld en poging behulpzaam zijn bij zelfbevrijding. Op basis van o.a. DNA (mengprofiel), , telefoongegevens, pingberichten en telefoontaps (ontkennende verdachte). Eendaadse samenloop (in driehoeksverhouding), beslag bewaren t.b..v rechthebbende, vordering tenuitvoerlegging toegewezen. Benadeelde partijen deels toegewezen (schattingsbevoegdheid), overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/753601-12; 09/715805-12 (t.b.g.); 09/760813-10-12 (tul)

Datum uitspraak: 20 december 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte/veroordeelde (hierna te noemen verdachte):

[verdachte],

geboren te [plaats A] op [datum] 1993,

wonende te [plaats B]

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Haaglanden - Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 december 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. R. el Hessaini, advocaat te [plaats D], en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats C], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, in elk geval alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen aan de [adres], immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar

- opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een zogenaamde lawinepijl / zwaar vuurwerk, althans met een brandbare stof en/of

- deze lawinepijl/brandbare stof door/in de brievenbus van voornoemde woning gegooid en/of gebracht,

- waardoor/waarna die lawinepijl/brandbare stof is ontploft, in elk geval waardoor een ontploffing teweeg werd gebracht en/of

- waardoor (een) ruit(en) werd(en) vernield en/of een of meer kledingstukken en een handdoek in brand is/zijn geraakt, in elk geval in die woning (een begin van) brand is ontstaan,

terwijl in die woning mw. [slachtoffer A], haar echtgenoot en haar zoon aanwezig

was/waren en/of lag(en) te slapen,

door welke brand en/of ontploffing levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor genoemde personen te duchten was en/of door welke ontploffing en/of brand gevaar voor genoemde woning en/of het interieur en/of goederen binnen die woning en/of de aangrenzende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats C], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (aan de voorzijde van de woning gelegen aan de [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een steen (deel van

een trottoirband) door die ruit te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks [datum] 2012 te [[plaats C], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen, welk geweld bestond uit

- het aansteken van een zogenaamde lawinepijl (althans zwaar vuurwerk) en/of het gooien/brengen van deze lawinepijl door/in de brievenbus van voornoemde woning, waardoor/waarna die lawinepijl is ontploft, en/of

- het gooien van een steen (deel van een trottoirband) door de ruit van voornoemde woning,

terwijl in die woning mw. [slachtoffer A], haar echtgenoot en haar zoon aanwezig was/waren en/of lag(en) te slapen;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Ter berechting gevoegd wordt de zaak met parketnummer 09-715805-12:

hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats D] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, te bevrijden of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam te zijn, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- zich naar strafinrichting [JJI] heeft begeven en/of

- (met een betonschaar) een gat in het hek van strafinrichting [JJI] heeft geknipt (nabij een luchtplaats waar de gedetineerden luchten)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 191 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [datum] 2012 te [plaats D] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een hek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (strafinrichting [JJI] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (met een betonschaar) een gat in dat hek te knippen;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding1

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Op [datum] 2012 zijn bij aangeefster [slachtoffer A] een steen (een deel van een trottoirband2) door een raam aan de voorzijde3 en een explosief door de brievenbus van haar woning aan de [adres] te [plaats C] naar binnen gegooid4, waarna een handdoek en een jasje, die achter de voordeur aan een rek hingen, brandden.5 Door de explosie zijn drie ramen van de voordeur beschadigd.6

De aangeefster, haar man en haar zoon lagen op dat moment in deze woning boven in bed. Zij lagen te slapen.7

De politie heeft geconcludeerd dat het aannemelijk is dat er van buiten een steen door het raam naar binnen is gegooid en dat er een brandend stuk vuurwerk via de briefplaat van de voordeur naar binnen is gebracht.8

De resten van het vuurwerk zijn herkend als resten van een signalrakete Zinkno. 901, in Nederland bekend onder de naam lawinepijl. Afhankelijk van de exacte plaats van treffen kan het tot ontploffing komen van een signaalraket in direct contact ernstig lichamelijk tot dodelijk letsel opleveren.9

De getuige [getuige 1] heeft kort nadat hij een harde klap hoorde, twee jongens voorbij zijn raam aan de [adres] in [plaats C] zien rennen.10

De verdachte heeft ontkend deze feiten te hebben gepleegd.

ten aanzien van feit 411

Op zondag [datum] 2012 hebben twee jongens een gat geknipt in het hekwerk van [JJI] te [plaats D].12 Het betrof een hekwerk van een gesloten Justitiële Opvanginrichting, grenzend aan een luchtplaats waar gedetineerden luchten.13

In [JJI] zat op dat moment op grond van een door de rechtbank afgegeven bevel gevangenhouding een vriend van de verdachte en zijn mededader gedetineerd. Zij zijn met een groep van vier jongens naar [JJI] gegaan.14 Ze zijn naar [plaats D] gegaan met het doel het hek van [JJI] open te knippen.15

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend samen met een ander met een betonschaar het gat in het hekwerk te hebben geknipt. Hij heeft ontkend dit gedaan te hebben om iemand te helpen ontsnappen uit de inrichting.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte], schuldig heeft gemaakt aan het brengen van deze brandende lawinepijl in de brievenbus alsmede aan het gooien van een stuk van de trottoirband door de ruit van de woning van de aangeefster.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het chatgesprek tussen de medeverdachte en [kennis 1] op [datum] 2012, de historische gegevens van de telefoon van de verdachte en het overzicht van de pingchats van de verdachte volgt dat de verdachte en zijn medeverdachte na 21.10 uur naar [plaats C] zijn gereden en dat zij rond 21.45 uur op de terugweg waren naar [plaats B]

Voorts blijkt naar de mening van de officier van justitie uit het telefoongesprek van [kennis 1] en de verdachte op [datum] 2012, eenzelfde latje als behoort bij een vuurpijl bij de auto van de verdachte is aangetroffen, en uit het chatgesprek van [kennis 2] met de medeverdachte waarin gesproken wordt over een cobra en "gisteren was het menens", en uit het aangetroffen DNA-spoor op het deel van de trottoirband in de woning van de aangeefster, dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, samen met zijn mededader Aertse, heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 4

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan knippen van een gat in het hekwerk van [JJI] met als doel om zijn vriend [medeverdachte], die daar gedetineerd zat, te helpen ontsnappen.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en zijn mededader op heterdaad zijn betrapt toen zij een gat in het hekwerk aan het knippen waren, dat de verdachte heeft bekend dit gedaan te hebben en dat de verdachte zijn vriend [medeverdachte] eerder behulpzaam is geweest bij een ontsnapping.

3.3 Het standpunt van de verdediging

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 bepleit.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de telefoongegevens blijkt dat de verdachte zich op [datum] 2012 voornamelijk in [plaats B] bevond, waaruit kan worden afgeleid dat hij zich die dag niet in [plaats C] heeft bevonden. Nu de medeverdachte blijkens telecomgegevens wel in [plaats C] is geweest, kunnen de verdachte en hij tijdens het incident niet samen zijn geweest.

De verdachte heeft verklaard de hele avond met [kennis 1] samen te zijn geweest, wat wordt ondersteund door de telecomgegevens van de mobiele telefoon van [kennis 1] en diens verklaring.

Ten aanzien van het DNA-spoor heeft zij betoogd dat dit spoor een complex DNA-mengprofiel betreft dat per toeval matcht met het DNA-profiel van de verdachte, waarbij zij heeft aangegeven dat een complex DNA-mengprofiel volgens vaste jurisprudentie geen of weinig bewijswaarde heeft.

Ten aanzien van feit 4

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging om een ander behulpzaam te zijn bij zijn zelfbevrijding.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen feiten en omstandigheden uit het dossier naar voren komen waaruit blijkt dat de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. De wil van de verdachte was er immers op gericht om op het terrein van [JJI] te komen en aldaar zijn gedetineerde vriend te spreken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde vernieling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging.

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich - samen met een ander - schuldig heeft gemaakt aan de bovenomschreven brandstichting/teweeg brengen van een ontploffing, de vernieling en het openlijk geweld.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op [datum] 2012 had de medeverdachte [medeverdachte] contact met [kennis 1]. Om 21.10 uur meldde het account van de medeverdachte aan het account van [kenni[kennis 1] dat hij bij "Burn in de straat" is. Om 21.12 uur meldde ditzelfde account dat hij "ff snel wat moet opknappen".16

Burnie is de bijnaam van de verdachte.17

Op [datum] 2012, om 21.18 uur maakte de mobiele telefoon van de medeverdachte gebruik van de zendmast op de [plaats E]. Om 21.33 uur maakte deze telefoon vervolgens gebruik van de zendmast aan de [plaats C]. De plaats delict [adres] te [plaats C] en de zendmast [plaats C] liggen op redelijk korte afstand van elkaar. Het eerstvolgende contact vond plaats te 22.03 uur. De mobiele telefoon van de medeverdachte werd op dat moment gebeld door de mobiele telefoon van [kennis 1]. Op dat moment maakte de mobiele telefoon van de medeverdachte gebruik van de zendmast op de dr. Schaepmanlaan te [plaats B] 18

Om 21.26 uur werd vanaf het account van [kennis 1] aan de medeverdachte gevraagd "Ik sta beneden bij [X] ben je al klaar?" en om 21.47 uur meldde het account van de medeverdachte aan [kennis 1] "Rij bijna [plaats B]"19, waaruit de rechtbank afleidt dat de medeverdachte op dat moment bijna in [plaats B] reed.

Uit vorenstaande feiten leidt de rechtbank af dat de medeverdachte om 21.12 uur in [plaats E] was en omstreeks 21.30 uur in [plaats C], vlakbij de Koestraat, was om even iets op te knappen waarna hij omstreeks 21.47 uur naar [plaats B] reed.

Op 23 februari 2012 heeft het account van Bart Kaptein voorts aan het account van de medeverdachte gemeld "Heb nog een cobra liggen", "Blazen we gewoon ze ramen eruit" en "Gisteren ook al". Het account van de medeverdachte meldde in hetzelfde gesprek aan het account van Bart Kaptein "Maar gisteren was het menens".20

In een afgetapt telefoongesprek tussen de verdachte en [kennis 1] over het verhoor van [kennis 1] bij de politie zegt [kennis 1]: "Ik heb Joey gebeld vijf seconden nadat jullie dat ge.... of nadat het gebeurd was" en "Ik heb het het kutsts. (..) Ik heb hem gebeld enzo".21

Op het deel van de trottoirband dat is aangetroffen in de woning van de aangeefster, is daarnaast een DNA-spoor aangetroffen en de kans op de verkregen resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is zeer veel waarschijnlijker als het spoor celmateriaal bevat van de verdachte en minimaal één onbekende ander dan als het spoor celmateriaal van minimaal twee onbekende anderen bevat.22 De rechtbank leidt hieruit af dat het DNA-spoor op het stuk trottoirband waarschijnlijk van de verdachte afkomstig is.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat dit spoor op een andere wijze op de trottoirband terecht is gekomen dan bij het oppakken dan wel het door het raam gooien van deze steen.

De rechtbank gaat er aldus vanuit dat de verdachte en de medeverdachte samen naar [plaats C] zijn gereden alwaar zij samen de ten laste gelegde feiten hebben gepleegd en waarna zij samen weer terug zijn gereden naar [plaats B]

Anders dan de verdediging betoogt, volgt uit de historische telefoongegevens van de mobiele telefoon van de verdachte niet dat hij de hele avond met [kennis 1] in [plaats B] is geweest. Immers, volgens de historische telefoongegevens zijn er geen gegevens tussen 20.34 uur en 22.26 uur, zodat niet kan worden uitgesloten dat de verdachte zich toen buiten [plaats B] heeft bevonden.

Hierbij komt dat de medeverdachte blijkens het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen wraakgevoelens koesterde jegens [slachtoffer 2], zoon van de aangeefster, die eveneens in de woning aan de Koestraat in [plaats C] woonachtig was, en die in een andere strafzaak belastend tegen de medeverdachte had getuigd.23

De rechtbank is overigens van oordeel dat het verzoek van de medeverdachte aan de verdachte om 22.02 uur om te komen naar "de rode deur" niet uitsluit dat zij om 21.47 uur samen in de auto onderweg van [plaats C] naar [plaats B] waren. Immers, tussen 21.47 uur kunnen de wegen van de verdachte en zijn medeverdachte gescheiden zijn geweest, waarna de medeverdachte de verdachte heeft gevraagd hem te ontmoeten bij de rode deur op het Bavo terrein.

Nu de getuige [getuige 1] direct na het incident twee jongens voorbij heeft zien rennen en er geen aanwijzingen in het dossier zijn dat er meer personen betrokken waren bij het incident, houdt de rechtbank het ervoor dat de feiten zijn gepleegd door de verdachte en zijn mededader [medeverdachte].

De rechtbank is alles overwegend aldus van oordeel dat de verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals ten laste gelegd onder 1, 2 en 3.

ten aanzien van feit 4

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het door de verdachte knippen van een gat in het hekwerk van [JJI] in casu gekwalificeerd dient te worden als een poging om een ander behulpzaam te zijn bij diens zelfbevrijding dan wel als vernieling van dat hekwerk.

Bij de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De verdachte en zijn mededader hebben een gat in het hek van [JJI] geknipt, terwijl een vriend van hen, [medeverdachte] daar gedetineerd was. Het gat is geknipt in het hekwerk nabij de luchtplaats van de gedetineerden. Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat hij [medeverdachte] eerder behulpzaam wilde zijn bij een ontsnapping van Aertse uit een andere jeugdinrichting. Ook heeft de verdachte [medeverdachte] geholpen toen deze zich in februari 2012 tijdens een verlof aan de begeleiding onttrok. Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang genomen is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging om deze vriend behulpzaam te zijn bij zijn zelfbevrijding.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op [datum] 2012 te [plaats C], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen aan de [adres], immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar

- opzettelijk vuur in aanraking gebracht met een zogenaamde lawinepijl/zwaar vuurwerk, en

- deze lawinepijl stof door de brievenbus van voornoemde woning gebracht,

- waardoor/waarna die lawinepijl is ontploft en

- waardoor ruiten werden vernield en kledingstuk en een handdoek in brand zijn geraakt, terwijl in die woning mw. [slachtoffer A], haar echtgenoot en haar zoon aanwezig waren en lagen te slapen,

door welke brand en ontploffing levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor genoemde personen te duchten was en door welke ontploffing en brand gevaar voor genoemde woning en het interieur en goederen binnen die woning en de aangrenzende woningen;

2.

op [datum] 2012 te [[plaats C], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit aan de voorzijde van de woning gelegen aan de [adres], toebehorende aan [slachtoffer A], heeft vernield door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk een steen (deel van een trottoirband) door die ruit te gooien;

3.

op [datum] 2012 te [[plaats C], met een ander, aan de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, welk geweld bestond uit

- het aansteken van een zogenaamde lawinepijl (althans zwaar vuurwerk) en het brengen van deze lawinepijl door de brievenbus van voornoemde woning, waardoor/waarna die lawinepijl is ontploft, en

- het gooien van een steen (deel van een trottoirband) door de ruit van voornoemde woning;

4.

(09/715805-12):

hij op [datum] 2012 te [plaats D] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk iemand, krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam te zijn, met zijn mededaders

- zich naar strafinrichting [JJI] heeft begeven en

- met een betonschaar een gat in het hek van strafinrichting [JJI] heeft geknipt nabij een luchtplaats waar de gedetineerden luchten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

De rechtbank overweegt allereerst dat het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit bestaat uit het stichten van brand en het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en het stichten van brand en het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is (meermalen gepleegd). Nu beide feiten op een ander beschermd belang zien (resp. het eigendom van goederen en de lichamelijke integriteit), overweegt de rechtbank dat er sprake is van meerdaadse samenloop.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde openlijke geweld overweegt de rechtbank dat het beschermd belang weliswaar ziet op de openbare orde, maar omdat het volgens de wetgever bij openlijk geweld dient te gaan om geweld dat door of vanuit een 'samengerotte' mensenmenigte is gepleegd en omdat het geweld tegen personen of goederen is gericht, de onderhavige bepaling ook een gemeengevaarlijk karakter heeft en individuele rechtsgoederen als het recht op eigendom en het recht op lichamelijke integriteit in het geding zijn.

Nu het stichten van brand en het teweeg brengen van een ontploffing zowel het onder 1 als het onder 3 ten laste gelegde oplevert en er bovendien eenheid van tijd en plaats is, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 lid 1 Wetboek van strafrecht. Ditzelfde geldt voor het gooien van een deel van een trottoirband door de ruit van de woning, welke gedraging zowel het onder 2 als het onder 3 ten laste gelegde oplevert en er ook hier bovendien sprake is van eenheid in tijd en plaats, zodat ook ten aanzien daarvan naar het oordeel van de rechtbank sprake is van eendaadse samenloop.

De rechtbank zal ten aanzien van deze feiten dan ook slechts de bepaling toepassen waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verzocht op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ex artikel 77c van het Wetboek van strafrecht een minderjarigensanctie aan hem op te leggen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een onrijpe en kwetsbare persoonlijkheid heeft en dat hij blijkens een pro justitia rapportage van 7 november 2007 een gebrekkige ontwikkeling heeft doorgemaakt, dat hij niet goed in staat is tot zelfstandige oordeelsvorming en hij door zijn zwakbegaafdheid en beïnvloedbaarheid niet conform zijn leeftijd functioneert.

De raadsvrouw heeft oplegging van een forse voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering in de vorm van de William Schrikker Groep bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het brengen van een brandende lawinepijl door de brievenbus van de woning van de aangeefster, waardoor onder andere brand is ontstaan en aan het gooien van een deel van een trottoirband door een raam van deze woning.

De verdachte heeft deze feiten samen met zijn mededader gepleegd, omdat een bewoner van de betreffende woning, [slachtoffer B], in een eerdere strafzaak belastend tegen de mededader had verklaard.

De aangeefster [slachtoffer A] lag, evenals haar man en haar jongste zoon, boven in de woning te slapen toen het stuk trottoirband door het raam werd gegooid en de lawinepijl door de brievenbus werd gedaan. Het is niet aan de verdachte te danken dat de gevolgen van zijn handelen niet veel ernstiger zijn uitgevallen. De aangeefster is direct wakker geworden van het geluid, is samen met haar man naar beneden gegaan en heeft binnen afzienbare tijd de inmiddels brandende kleding uit de woning kunnen verwijderen. Daarmee heeft zij ervoor gezorgd dat er geen verdere brand is ontstaan, met alle mogelijke dramatische gevolgen van dien.

Blijkens de voegingsformulieren benadeelde partij van aangeefster [slachtoffer A] en aangever [slachtoffer B] leven zij na de incidenten in angst en heeft de aangever [slachtoffer B] de beslissing genomen om te verhuizen, zodat het voor zijn familie in huis veiliger zou worden.

Dit zijn zeer ernstige feiten met ook voor de verdachte voorzienbare zeer ernstige gevolgen. De rechtbank rekent verdachte deze feiten dan ook zeer zwaar aan. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke delicten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen.

De verdachte heeft enkel op geen enkel moment stilgestaan met de verstrekkende gevolgen van zijn handelen voor degene op wie de wraak van zijn vriend zich richtte of voor degenen die daarvan mede het slachtoffer zijn geworden, zoals aangeefster [slachtoffer A], haar man en haar jongste zoon.

De rechtbank rekent het de verdachte voorts zwaar aan dat hij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven het verwerpelijke en strafwaardige van zijn handelen in te zien, noch blijk heeft gegeven van enige spijt.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een poging om zijn vriend te helpen uit een strafinrichting te ontsnappen. De verdachte heeft daarom een gat in het hek van deze inrichting geknipt. Dergelijke feiten zorgen vooropgesteld voor aanzienlijke schade. Daarnaast is het niet aan de verdachte om te bepalen of en wanneer een gedetineerde weer van zijn vrijheid mag genieten. De verdachte heeft ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor de goederen van anderen en ook niet voor de beslissing van gezagsdragers, zoals in casu de rechtbank.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het schrijven van de William Schrikker Jeugdbescherming, d.d. 26 september 2012, waaruit blijkt dat de verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in [instelling] werd verdacht van het plegen van een diefstal, waarna hij zich heeft onttrokken aan de schorsende voorwaarden.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht door mevrouw [mevrouw A], namens de William Schrikker Jeugdreclassering, beëdigd en gehoord als deskundige.

[mevrouw A] heeft verklaard dat de verdachte zich eerder goed begeleidbaar heeft getoond. Onduidelijk is welke behandeling of begeleiding thans ingezet kan worden.

De rechtbank ziet anders dan de raadsvrouw van de verdachte geen aanleiding om aan de verdachte een straf op te leggen met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van strafrecht. Het door de raadsvrouw aangehaalde rapport uit 2007 biedt gelet op de datering, geen grond om aan te nemen dat de persoon van de verdachte tot toepassing van het minderjarigen strafrecht noopt, terwijl ook overigens daarvoor geen omstandigheden zijn gebleken.

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat het in het belang is van de verdachte dat hij de begeleiding krijgt die hij nodig heeft. De rechtbank zal deze begeleiding opleggen als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke detentiestraf die recht doet aan de ernst van de feiten en die de verdachte ervan dient te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat de verdachte bij de uitvoering van de ten laste gelegde feiten onder 1 tot en met 3 een ondergeschikte rol heeft vervuld en zal om die reden een straf opleggen die lager is dan door de officier van justitie geëist.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer A] en [slachtoffer B] hebben zich ten aanzien van feit 1, 2 en 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vorderingen tot schadevergoeding, groot resp. € 3.414,96 en € 1.500,00.

[JJI] heeft zich ten aanzien van feit 4 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding , groot € 1.027,54, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer A] en [slachtoffer B].

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [JJI] heeft zij tot toewijzing van de vordering geconcludeerd tot een bedrag van € 863,48, zijnde het gevorderde bedrag minus de BTW.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van de bedragen groot € 3.414,96 resp. € 1.500,00 en € 863,48, subsidiair 68 resp. 30 en 17 dagen gevangenisstraf ten behoeve van de benadeelde partijen genaamd [slachtoffer A] resp. [slachtoffer B] en [JJI].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft buiten beschouwing laten van de vorderingen van [slachtoffer A] en [slachtoffer B] bepleit, op grond van het feit dat zij zich niet in de zaak tegen de verdachte hebben gevoegd, doch slechts in de zaak tegen de medeverdachte.

Subsidiair heeft zij afwijzing van de vorderingen verzocht, gelet op de door haar bepleite vrijspraken.

Meer subsidiair heeft zij toewijzing van de vordering voor zover het de schade aan het raam betreft en afwijzing voor het overige, nu de overige posten niet onderbouwd zijn.

Ten aanzien van de vordering van [JJI] heeft zij afwijzing van de vordering bepleit op grond van onduidelijkheid van de vordering en onevenredige belasting van het strafproces.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer A].

De vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer A] bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 1.914,96, bestaande uit de posten voorkant nieuwe ramen, kleding en nieuwe brievenbus en uit immateriële schade voor een bedrag groot € 1.500,00, bestaande uit de post smartengeld.

De vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

Uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat de kosten voor de reparatie van de ramen €1.374,96 bedragen. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat de kosten voor een nieuwe brievenbus de gevorderde € 158,00 bedragen.

Ten aanzien van de schade aan de kleding acht de rechtbank, mede gelet op de foto's daarvan in het dossier, een bedrag van € 150,00 naar redelijkheid toewijsbaar. De rechtbank De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de immateriële schade, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 1.000,00 bedrag naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 2.682,96 toewijzen en voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte het feit waarop de vordering is gebaseerd samen met een ander heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.682,96, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A].

De vordering van [slachtoffer B].

De vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer B] bestaat uit immateriële schade voor een bedrag groot € 1.500,00, bestaande uit de post smartengeld.

De vordering is door de verdediging niet inhoudelijk betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

De rechtbank acht de vordering, gelet op de door de benadeelde partij gestelde gevolgen en aansluitend bij wat in vergelijkbare gevallen in andere zaken is toegewezen, tot een bedrag van € 500,00 naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 500,00 toewijzen en voor het overige afwijzen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B].

De vordering van [JJI]

De vordering tot schadevergoeding van [JJI] bestaat uit materiële schade voor een bedrag groot € 1.027,54, bestaande uit de post schade hekwerk.

Uit de onderbouwing bij de vordering blijkt dat de kosten voor de reparatie van het hekwerk € 1.027,54 bedragen. [JJI] heeft niet betwist dat zij de BTW fiscaal kan verrekenen. De BTW betreft dan ook geen schade zodat dit gedeelte niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De rechtbank zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 863,48 toewijzen en voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van [datum] 2012 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 863,48, vermeerderd met de gevorderde rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [JJI].

8. De inbeslaggenomen goederen

Blijkens de ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde beslaglijst is onder de verdachte in beslag genomen een betonschaar.

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over het in beslag genomen goed.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft evenmin een standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen goed.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot het op de beslaglijst vermelde voorwerp geen bekende persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal daarom de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9. De vordering tenuitvoerlegging

9.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter d.d. 11 oktober 2010 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging bepleit op grond van het feit dat de verdachte verdacht wordt van andersoortige feiten dan die waarvoor hij veroordeeld is. Daarnaast heeft zij aangegeven dat de proeftijd reeds is verstreken.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 24 augustus 2012 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 11 oktober 2010, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 55, 57, 141, 157, 191 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en feit 3

MEDEPLEGEN VAN BRAND STICHTEN EN EEN ONTPLOFFING TEWEEG BRENGEN, TERWIJL DAARVAN LEVENSGEVAAR EN GEVAAR VOOR ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS, MEERMALEN GEPLEEGD

en

de eendaadse samenloop van

MEDEPLEGEN VAN BRAND STICHTEN EN EEN ONTPLOFFING TEWEEG BRENGEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

en

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN GOEDEREN

ten aanzien van feit 2 en feit 3

de eendaadse samenloop van

MEDEPLEGEN VAN VERNIELING

en

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN GOEDEREN

ten aanzien van feit 4 primair (t.b.g. 09/715805-12)

POGING TOT OPZETTELIJK IEMAND, KRACHTENS RECHTERLIJKE UITSPRAAK OF BESCHIKKING VAN DE VRIJHEID BEROOFD, BIJ ZIJN ZELFBEVRIJDING BEHULPZAAM ZIJN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

gevangenisstraf voor de duur van 12 (zegge: twaalf) maanden

bepaalt dat een gedeelte van die straf, te weten 6 (zegge: zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

[slachtoffer A], een bedrag van € 2.682,96;

[slachtoffer B], een bedrag van € 500,00;

[JJI] een bedrag van € 863,48, vermeerderd met de gevorderde rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling aan [slachtoffer A] dan wel [JJI] door zijn mededader(s), zal zijn bevrijd tot de hoogte van de betaalde bedragen;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen voor het overige af;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.682,96, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer A], een bedrag groot

€ 500,00, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer B] en een bedrag van

€ 863,48, vermeerderd met de gevorderde rente daarover vanaf [datum] 2012 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [JJI];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van respectievelijk 19, 4 en 7 dagen;

bepaalt dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat doet vervallen, alsmede dat voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen doet vervallen;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het op de beslaglijst vermelde voorwerp, te weten: een betonschaar;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 11 oktober 2010, gewezen onder parketnummer 09/760813-10, te weten taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, voorzitter,

mr. M. van Loenhoud, rechter,

en mr. H.M. Boone, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 december 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1610 2012027971

2 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 57

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 54, 2e alinea.

4 Proces-verbaal van ontvangst klacht door de hulpofficier van justitie, blz. 55, personalia en eerste regel van de verklaring.

5 Proces-verbaal van aangifte, blz. 53, 5e en 6e alinea.

6 Proces-verbaal van aangifte, blz. 54, 3e alinea.

7 Proces-verbaal van aangifte, blz. 53, 2e alinea.

8 Proces-verbaal sporenonderzoek, blz. 65, 7e en 8e alinea.

9 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 138

10 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 62, 4e alinea.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL2012126883-1

12 Proces-verbaal van aangifte, blz. 1 en 2

13 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 15, 3e en 5e alinea

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2], blz. 18, voorlaatste alinea

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 22, voorlaatste alinea

16 Proces-verbaal, blz. 184, laatste alinea en blz. 184, tabel

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], blz. 299, 8e alinea

18 Proces-verbaal blz. 228, 4e t/m 6e alinea

19 Proces-verbaal, blz. 184, tabel

20 Proces-verbaal, blz. 184, laatste en eennalaatste alinea, blz. 185, tabel.

21 Proces-verbaal, blz 245.

22 Proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen, blz. 397, met bijlage, blz. 399 en NFI-rapport, blz. 405, 406

23 Proces-verbaal, blz. 179, 180 en 181