Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0825

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
09/920091-12 & 09/920019-12 & 22-006023 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schulldig gemaakt aan een poging tot afpersing en afdreiging van een jong meisje. De verdachte heeft het jonge meisje gedreigd haar iets aan te doen en een naaktfoto van haar op Twitter te zetten als ze hem geen goud zou geven, wat voor ernstige problemen binnen haar familie zou kunnen leiden. Aan de mogelijke ernstige gevolgen voor het jonge slachtoffer, die door de verspreiding van de naaktfoto nog langere tijd kunnen blijven bestaan, heeft verdacht zich niets gelegen laten liggen. Daarnaast heeft verdachte zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan het slaan en schoppen van een leeftijdsgenoot. > De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden en jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met aftrek. Gelast tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gewezen onder parketnummer 22-006023-10, te weten jeugddetentie voor de duur van 60 dagen en een werkstraf van 120 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920091-12; 09/920019-12; 22-006023-10 (TUL)

Datum uitspraak: 28 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte/veroordeelde (hierna te noemen: verdachte)

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1994,

adres: [adres]

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 juni 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Veneberg en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

(ten aanzien van parketnummer 09/920091-12)

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [aangeefster 1] te dwingen tot de afgifte van goud en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangeefster 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, die [aangeefster 1] heeft bericht "Ik ga je kapot maken. Je gaat mij betalen" en/of "Ik ga je dood maken" en/of "Als moet" en/of "Luister. Ik kom nu naar jou huisss" en/of "Jij gaat mij goud of iets geven. Of vader. Je gaat zien" en/of "Ik word kk gek. Ik ga kk gekke dingen doen" en/of "Luister. Je gaat mij betale. Ik bengeen kleine jonge. Ik heb je gewaarschuwd" en/of "Luister. Schiet op. Geen grappe. Ik heb kanon bij me" en/of (op de vraag waar die [aangeefster 1] naartoe moet komen) "[locatie]. En probeer geen grappe. Want k knal gelijk" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 4 maart tot en met 6 maart 2012 te 's-Gravenhage [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je dood maken" en/of "Ik heb kanon bij me" en/of "En probeer geen grappe. Want k knal gelijk", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, [aangeefster 1] door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim die [aangeefster 1] te dwingen tot afgifte van enig goed, te weten goud en/of geld, in ieder geval enig goed toebehorende aan die [aangeefster 1], althans aan de ander dan aan verdachte, die [aangeefster 1] heeft bericht dat hij een naaktfoto van die [aangeefster 1] heeft en dat die [aangeefster 1] verdachte goud en/of geld, in ieder geval enig goed moet geven omdat hij anders haar foto op Twitter zou zetten, althans haar foto zou gaan verspreiden aan (een) ander(en) (via internet en/of de ping) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

(ten aanzien van parketnummer 09/920019-12)

hij op of omstreeks 25 november 2011 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2], welk geweld bestond uit

- stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] en/of

- schoppen tegen het lichaam van die [aangever 2], terwijl die [aangever 2] op de grond lag;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten zoals ten laste gelegd bij dagvaarding met parketnummer 09/920091-12 onder 1 primair en 2 en bij dagvaarding met parketnummer 09/920019-12 heeft begaan en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afpersing, een poging tot afdreiging (chantage) en openlijk geweld.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging ten aanzien van parketnummer 09/920091-12 komt erop neer dat de verdachte zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan het uiten van bedreigingen jegens de aangeefster, maar dat blijkens de verklaring van de verdachte van een poging tot afpersing dan wel afdreiging geen sprake was. De raadsman van de verdachte heeft dan ook verzocht de verdachte van het hem onder 1 primair en 2 ten laste gelegde vrij te spreken.

Ten aanzien van parketnummer 09/920019-12 heeft de verdediging zich voorts op het standpunt gesteld dat het bewijs in deze zaak onduidelijk is, zodat een en ander niet tot een veroordeling zou moeten leiden.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

ten aanzien van parketnummer 09/920091-12

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

In de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 zijn er in Den Haag met de telefoon van de verdachte berichten met bedreigende teksten verstuurd aan de aangeefster. 2 3

Uit de aangifte blijkt dat er onder meer het volgende is gestuurd vanaf de telefoon van de verdachte naar die van de aangeefster.

Op 4 maart 2012: "Ik ga je kapot maken. Je gaat mij betalen", "Ik ga je dood maken", "Als moet", "Luister. Ik kom nu na jou huisss", "Jij gaat mij goud of iets geven. Of vader. Je gaat zien", "Ik word kk gekk. Ik ga kk gekke dingen doen".4

Op 5 maart 2012: "Luister. Jij gaat mij betale. Ik bengeen kleine jonge. Ik heb je gewaarschuwd".5

Op 6 maart 2012: "Luister. Schiet op. Geen grappe. Ik heb strep bij me", op de vraag wie strep is "kanon" en op de vraag waar de aangeefster naartoe moet komen "[locatie]. En probeer geen grappe. Want k knal gelijk".6

De verdachte heeft bekend de bedreigende berichten op 4 en 5 maart 2012 te hebben verstuurd, maar heeft ontkend de berichten op 6 maart 2012 te hebben verstuurd. Ten aanzien van de berichten op 6 maart 2012 heeft hij verklaard dat hij op de fiets zat toen die berichten zijn verstuurd en dat de jongen die bij hem was ([persoon]) op dat moment de telefoon van de verdachte in zijn handen had en deze berichten dus moet hebben verstuurd.

[persoon] heeft echter verklaard dat de verdachte op 6 maart 2012 naar een meisje toe wilde gaan van wie hij nog geld zou krijgen. De verdachte had daarbij gezegd dat dat meisje een beetje bang van hem was. Daarnaast heeft [persoon] verklaard dat de aangeefster wist dat ze naar [locatie] moesten gaan, omdat de verdachte ping-berichten naar haar aan het versturen was, waarin hij had gezegd dat ze daar naartoe moest komen. 7

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat [persoon] niet betrokken was bij de afpersing.

De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat een ander dan de verdachte vanaf zijn telefoon de bovenstaande berichten op 6 maart 2012 aan de aangeefster heeft gestuurd.

De verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat hij bij de aangeefster thuis goud had zien liggen, dat hij daar met de aangeefster over gesproken had en dat zij had gezegd dat haar moeder veel goud had. 8 De verdachte heeft daarbij verklaard dat hij met de aangeefster had afgesproken om het goud voor haar te verkopen en de winst te delen.

De rechtbank acht het, gelet op de verklaring van [persoon] en de inhoud van de ping-berichten aan de aangeefster, niet aannemelijk dat de (zeventienjarige) verdachte en de (veertienjarige) aangeefster een afspraak hadden om op basis van vrijwilligheid het goud van de moeder van de aangeefster te verkopen.

De rechtbank is van oordeel dat de berichten die door de verdachte aan de aangeefster zijn verstuurd bezwaarlijk anders kunnen worden opgevat dan als een poging om de aangeefster er tegen haar wil toe te dwingen goud aan de verdachte te geven.

Daarnaast heeft de verdachte gedreigd een naaktfoto van de aangeefster op twitter te zetten.910 De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte dit heeft gedaan op 12 maart 2012, op de dag waarop de verdachte door de politie is aangehouden. De rechtbank gaat ervan uit dat er sprake is van een kennelijke verschrijving en leest maandag 5 maart 2012 in plaats van 12 maart 2012, nu de aangeefster heeft verklaard direct naar het politiebureau te zijn gegaan, waarna de verdachte op 6 maart 2012 is aangehouden.

De verdachte heeft verklaard dat het dreigement om de foto op Twitter te zetten los stond van de afspraak die hij met de aangeefster had om met haar het goud van haar moeder te verkopen. De aangeefster heeft echter verklaard dat de verdachte de foto zou verspreiden als zij hem geen goud zou geven11, welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [persoon] dat de verdachte de aangeefster afperste met naaktfoto's van haar.12

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte in de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 ook heeft geprobeerd om de aangeefster goud afhandig te maken door te dreigen een foto van haar op Twitter te zetten.

Nu de beide gedragingen, de poging tot afpersing en de poging tot afdreiging, voortvloeien uit één ongeoorloofd wilsbesluit, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een voortgezette handeling.

ten aanzien van parketnummer 09/920019-12

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 13

Op 25 november 2011 is [aangever 2] op de [straatnaam] in Den Haag door een dader genaamd [voornaam A] en twee anderen geslagen en geschopt, terwijl hij op de grond lag.1415

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij het incident aanwezig was16, maar dat hij niet heeft bijgedragen aan het openlijk geweld.De aangever heeft echter verklaard dat de verdachte vermoedelijk één van de twee anderen was, die [voornaam A] hebben geholpen.17 Daarnaast heeft de getuige [getuige 1] gezien dat aangever, die op de grond lag, werd geschopt door [voornaam A], [voornaam B] en de verdachte. 18

De getuige [getuige 2] heeft één van de jongens die de aangever sloeg en schopte vastgepakt19. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door iemand werd vastgepakt.20

De rechtbank is er op grond van het bovenstaande van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld jegens de aangever [aangever 2].

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij in de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster 1] te dwingen tot de afgifte van goud, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, die [aangeefster 1] heeft bericht "Ik ga je kapot maken. Je gaat mij betalen" en "Ik ga je dood maken" en "Als moet" en "Luister. Ik kom nu na jou huisss" en "Jij gaat mij goud of iets geven. Of vader. Je gaat zien" en "Ik word kk gek. Ik ga kk gekke dingen doen" en "Luister. Je gaat mij betale. Ik bengeen kleine jonge. Ik heb je gewaarschuwd" en "Luister. Schiet op. Geen grappe. Ik heb kanon bij me" en (op de vraag waar die [aangeefster 1] naartoe moet komen) "[locatie]. En probeer geen grappe. Want k knal gelijk" terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van 4 maart 2012 tot en met 6 maart 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, [aangeefster 1] door bedreiging met smaadschrift te dwingen tot afgifte van enig goed, te weten goud, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, die [aangeefster 1] heeft bericht dat hij een naaktfoto van die [aangeefster 1] had en dat die [aangeefster 1] verdachte goud moest geven omdat hij anders haar foto op Twitter zou zetten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

09/920019-12

hij op 25 november 2011 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, [straatnaam], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2], welk geweld bestond uit

- stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] en

- schoppen tegen het lichaam van die [aangever 2], terwijl die [aangever 2] op de grond lag.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. M.A. Veneberg heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920091-12 onder 1 primair en 2 en het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920019-12 ten laste gelegde wordt opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, bestaande uit meewerken aan Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT), meewerken aan behandeling bij het Palmhuis, meewerken aan medicatiecontrole, het hebben van een dagbesteding in de vorm van scholing en/of werk en het hebben van een adequate vrijetijdsbesteding, en dat de verdachte daarnaast wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 200 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de voorlopige hechtenis lang genoeg heeft geduurd. Voorts heeft hij zich ten aanzien van het opleggen van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing en afdreiging van een jong meisje, met wie hij seksueel contact heeft gehad. De verdachte heeft het jonge meisje gedreigd haar iets aan te doen en een naaktfoto van haar op Twitter te zetten als ze hem geen goud zou geven. Het slachtoffer was blijkens de aangifte bang dat de verdachte haar werkelijk iets zou aandoen. Daarnaast was het slachtoffer bang dat haar naaktfoto verspreid zou worden, wat voor ernstige problemen binnen haar familie zou kunnen leiden. Uiteindelijk is de naaktfoto ook daadwerkelijk verspreid. De verdachte heeft slechts rekening gehouden met de vervulling van zijn eigen behoeften. Hij heeft het vertrouwen van zijn jonge slachtoffer ernstig beschaamd door een naaktfoto van haar te maken en haar daar vervolgens mee te chanteren. Aan de mogelijke ernstige gevolgen van zijn handelen voor het jonge slachtoffer, die door de verspreiding van de naaktfoto nog langere tijd kunnen blijven bestaan, heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan het slaan en schoppen van een leeftijdgenoot. De verdachte heeft ook ten aanzien hiervan geen rekening gehouden met de mogelijke nadelige gevolgen voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten daarvan nog gedurende geruime tijd de nadelige gevolgen kunnen ondervinden. En het is niet aan de verdachte te danken dat het letsel en de psychische gevolgen voor het slachtoffer niet ernstiger waren.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 7 juni 2012, met bijlagen, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Er zijn meerdere factoren die het delictgedrag veroorzaken of in stand lijken te houden. Ten eerste is er de afwezigheid van een dagbesteding en/of toekomstperspectief een risicofactor voor het ontstaan van delictgedrag. Daarnaast komt uit het psychologisch onderzoek een veroorzakende of in stand houdende factor van impulsiviteit door ADHD naar voren. Zijn zelfbepalende houding kan ook van invloed zijn geweest op het delictgedrag.

Gekeken naar bovenstaande factoren, de leeftijd van het eerste politiecontact en de hulpverleningsgeschiedenis tot nu toe, wordt de kans op recidive als hoog ingeschat.

Aangezien eerdere begeleiding en hulpverlening en eerdere werkstraffen niet het gewenste effect hebben gehad, is de Raad van mening dat de verdachte een helder kader met duidelijke consequenties geboden moet worden waarin getracht wordt om de verdere ontwikkeling van de verdachte op een zo gunstig mogelijke manier te stimuleren en recidive te voorkomen. De Raad acht een gedragsbeïnvloedende maatregel geïndiceerd.

Daarnaast is de Raad van mening dat de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun opgelegd dient te krijgen. Dit in het kader van nazorg en afronding van de gedragsbeïnvloedende maatregel, maar ook in het geval de begeleiding van en toezicht op de verdachte in het kader van de maatregel mislukt.

De Raad adviseert de gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, in de vorm van

- meewerken aan Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT),

- meewerken aan behandeling bij het Palmhuis,

- meewerken aan medicatiecontrole,

- het hebben van een goede dagbesteding in de vorm van scholing en/of werk,

- het hebben van een adequate vrijetijdsbesteding.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport d.d. 6 juni 2012 van drs. M. Stunnebrink, orthopedagoog Generalist, GZ-psycholoog en gedragsdeskundige, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Een gedragsbeïnvloedende maatregel is geïndiceerd. De verdachte lijkt bij intensieve begeleiding redelijk te functioneren. Bovendien is hij iemand die een stok achter de deur nodig lijkt te hebben om de noodzakelijke hulpverlening aan te gaan. De behandelmiddelen zijn binnen de maatregel NPT, gesprekken bij het Palmhuis en medicatiecontrole.

De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf en de voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf aanleiding geven tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur recht doet aan de ernst van de feiten, waarbij de rechtbank overweegt dat het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie gelijk zal zijn aan de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het voorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie dient de verdachte er ten slotte van te weerhouden om zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich ten aanzien van parketnummer 09/920019-12 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 310,10.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 212,10, zijnde de gemiste inkomsten voor de niet gewerkte uren. Ten aanzien van de gemiddelde fooien voor de niet gewerkte uren heeft zij geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, nu deze bedragen niet vast kunnen komen te staan.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de schadevergoedings-maatregel zal opleggen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vaststaat dat de benadeelde in dienst was of op de opgegeven dagen was ingeroosterd dan wel wat zijn contract inhield, zodat de vordering niet toegewezen kan worden.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre de benadeelde schade heeft geleden, omdat niet voldoende is onderbouwd dat hij bij deze werkgever in dienst was, dat hij op die dagen die uren zou hebben gewerkt en wat zijn netto inkomsten waren en de vordering op deze punten door de verdediging is betwist.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het alsnog in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering beter te onderbouwen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8. De vordering tenuitvoerlegging

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van een last tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie opgelegd bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12 april 2011, te weten jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren zal worden gelast.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft een verlenging van de proeftijd bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte al te maken zal krijgen met een vol programma, dat hij daarnaast kan werken in de glazenwasserij of in de tuinderij en dat dit belangrijk is om inkomsten te verwerven.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de oorspronkelijke vordering van de officier van justitie van 7 juni 2012 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12 april 2011, te weten jeugddetentie voor de duur van 60 dagen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld arrest was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten. De rechtbank acht termen aanwezig om de opgelegde voorwaardelijke detentie om te zetten in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te melden duur. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

45, 56, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77cc, 77ee, 77gg, 141, 317, 318 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/920091-12, onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding met parketnummer 09/920019-12 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

t.a.v. parketnummer 09/920091-12

DE VOORTGEZETTE HANDELING VAN

1. POGING TOT AFPERSING

en

2. POGING TOT AFDREIGING;

t.a.v. parketnummer 09/920019-12

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

legt aan de verdachte op de

maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (zegge: twaalf) maanden,

die bestaat uit:

- het meewerken aan Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT),

- het meewerken aan behandeling bij het Palmhuis,

- het meewerken aan medicatiecontrole,

- het hebben van een goede dagbesteding in de vorm van scholing en/of werk,

- het hebben van een adequate vrijetijdsbesteding;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 9 (zegge: negen) maanden;

veroordeelt de verdachte voorts tot

jeugddetentie voor de duur van 200 (zegge: tweehonderd) dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 85 (zegge: vijfentachtig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden zijn begroot op nihil;

gelast, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12 april 2011, gewezen onder parketnummer 22.006023-10, te weten jeugddetentie voor de duur van 60 (zegge: zestig) dagen, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (zegge: honderdtwintig) uren, subsidiair vervangende jeugddetentie, te weten 60 (zegge: zestig) dagen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.W. Koek, kinderrechter,

en mr. H.M. Boone, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij de dossiers met de nummers PL1533 2012049636-14 (dossier I) en PL1533 2012049636 (dossier II)

2 Aangifte [aangeefster 1], dossier I, blz. 33, voorlaatste alinea, blz. 34, 6e, 7e en 8e alinea

3 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

4 Aangifte [aangeefster 1] (noot verbalisant), dossier I, blz. 34, 7e alinea

5 Aangifte [aangeefster 1] (noot verbalisant), dossier I, blz. 34, 8e alinea

6 Aangifte [aangeefster 1] (noot verbalisant), dossier I, blz. 35, 1e alinea

7 Verklaring verdachte [persoon], 6 maart 2012, dossier I, blz. 48, 4e, 6e en 7e alinea

8 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

9 Eigen verklaring van de verdachte ter terechzitting

10 Aangifte [aangeefster 1], dossier II, blz. 13, 1e alinea van de verklaring

11 Aangifte [aangeefster 1], dossier II, blz. 13, 1e alinea van de verklaring

12 Verklaring [persoon], dossier II, blz. 26, laatste alinea

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL1524 2011249660

14 Aangifte [aangever 2], 1e en 8e alinea van de verklaring

15 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

16 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting

17 Aangifte [aangever 2], 14e alinea van de verklaring

18 Verklaring [getuige 1], 1e zin en 2e pagina, 1e alinea, halverwege

19 Verklaring [getuige 2], 1e pagina, 2e alinea van de verklaring, 2e pagina, 4e en 5e alinea

20 Eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting