Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0806

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
AWB 10/1949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag, artikel 83 Vw 2000 ook van toepassing op in beroep overgelegde nova.

Het bestreden besluit betreft een beslissing op een derde asielaanvraag. Eiser heeft in beroep nog een stuk overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het stuk op grond van artikel 83 van de Vw 2000 kan worden betrokken bij de beoordeling, maar dat wel beoordeeld dient te worden of het stuk een novum is.

De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2003 (LJN: AH9540), waarin de Afdeling oordeelt:

“De uitspraak van 10 oktober 2002 heeft niet tot strekking dat er geen ruimte is om in geval van een herhaalde aanvraag toepassing te geven aan artikel 83 van de Vw 2000, indien, zoals hier het geval is, sprake is van een ingeroepen feit of omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid, van dit artikel.” De rechtbank is zich ervan bewust dat artikel 83 van de Vw 2000 sindsdien is gewijzigd, maar is van oordeel dat, nu de reikwijdte van het nieuwe artikel 83 van de Vw 2000 alleen maar is toegenomen, deze overweging thans te meer opgaat. Bovendien acht de rechtbank van belang dat in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 83 van de Vw 2000 (TK 2008-2009, 31 994, nr. 3, pagina 6) is vermeld dat de reden van wijziging erin is gelegen dat de mogelijkheid tot het betrekken van nieuwe feiten en omstandigheden door de rechter, zoals nieuwe documenten en nieuw beleid, het aantal opvolgende asielaanvragen zou verminderen. Een andere uitleg dan de bovengenoemde ten aanzien van de toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 op in beroep overgelegde nova, zou naar het oordeel van de rechtbank dan ook in strijd zijn met het doel van het artikel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/1949

V-nr: 270.216.0103

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [1983], van Oezbeekse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 17 februari 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 21 december 2009 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. Ch.R. Vink. Ook was ter zitting aanwezig S. Koopman, tolk Russisch.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten, maar bij beslissing van 24 juli 2012 het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen voor behandeling door de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is door de meervoudige kamer voortgezet op 10 oktober 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook is verschenen S. Koopman, tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Eisers asielrelaas en eerdere asielaanvragen

1. Eiser heeft op 14 oktober 2003 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen, hetgeen inmiddels in rechte vaststaat. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd.

Eisers vader werd in 1996 dood gevonden. Hij was directeur van een bouwbedrijf. Eisers moeder dacht dat zijn vader was vermoord en probeerde een onderzoek in te laten stellen door het Openbaar Ministerie (OM), maar dat lukte niet. Eisers moeder is in 1999 aangevallen en in het ziekenhuis beland. Vervolgens hebben eiser en zijn moeder hun appartement verlaten en is zijn moeder op een voor eiser onbekende plek gaan wonen. Zij probeerde zo min mogelijk contact met eiser te hebben, want zij vreesde voor zijn leven. Eiser verbleef bij zijn oom.

In 2002 is eiser meegenomen door mannen in politie-uniformen en mishandeld. Eiser werd ondervraagd over de verblijfplaats van zijn moeder. Eiser is naar Moskou gegaan, maar is in februari 2003 teruggekeerd naar Oezbekistan, omdat hij illegaal in Moskou verbleef. Na zijn terugkeer is hij op de universiteit benaderd door onbekende mannen die hem bedreigden. Op 8 maart 2003 heeft eisers oom hem een oproep getoond van de politie, dat eiser zich moest melden als slachtoffer. Eiser is naar een ander appartement verhuisd en kwam zo min mogelijk buiten. Vervolgens heeft eiser het land in september 2003 verlaten.

Eisers moeder bleek ook in Nederland te verblijven. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner.

2. Op 14 mei 2008 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Daarbij heeft eiser een paspoort overgelegd en een tweetal oproepen voor militaire dienst van 2007 respectievelijk 2008. Die gegevens zijn niet aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden en de aanvraag is afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem heeft het beroep gericht tegen de afwijzing ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 juni 2008 (AWB 08/17918). Deze uitspraak is door de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd bij uitspraak van 16 juli 2008 (200804699/1).

3. Eiser heeft op 17 februari 2009 de onderhavige asielaanvraag ingediend. Aan zijn derde asielaanvraag heeft eiser het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd.

Omdat eiser wilde terugkeren naar Oezbekistan heeft hij contact opgenomen met twee advocaten, [A] in Rusland en [B] van Firma Jurist in Oekraïne, om uit te zoeken of eiser nog gevaar loopt in Oezbekistan. Uit informatie die is opgevraagd door de advocaten bleek dat er een strafzaak loopt tegen eiser. Eiser wordt ervan beschuldigd zich kritisch te hebben uitgelaten en een partij te hebben gevormd in strijd met de wet en van sabotage, staatsverraad en/of spionage en het onrechtmatig verlaten van Oezbekistan. Uit de verklaringen van het OM van Oezbekistan zou ook blijken dat leden van de IDU (een terroristische organisatie) getuigenissen tegen eiser zou hebben afgelegd.

De advocaten hebben contacten gehad met personen die informatie willen over eisers verblijfplaats in Nederland. Eiser weet niet waarom ze het op hem gemunt hebben. Hij vermoedt dat hij door de Nationale Veiligheidsdienst wordt gebruikt als zondebok voor een misdaad die is gepleegd door iemand die veel geld heeft en zich vrij heeft kunnen kopen. Eiser wijst er ook nog op dat hij een conflict had met de autoriteiten en dat zij hem wellicht valselijk hebben beschuldigd.

Overwegingen

4. De rechtbank stelt vast dat de voorliggende asielaanvraag eisers derde asielaanvraag is. Volgens vaste jurisprudentie moet er in dat geval sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden (nova) die af kunnen doen aan het eerdere besluit. Pas als er sprake is van nova komt de rechtbak toe aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit, waarbij eisers asielaanvraag is afgewezen.

5.1 De rechtbank stelt vast dat eiser een grote hoeveelheid documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van deze asielaanvraag. De rechtbank begrijpt dat eiser de volgende documenten, die zijn overgelegd bij de aanvraag, heeft bedoelen aan te merken als nieuwe feiten en omstandigheden:

1. een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Oezbekistan van 4 september 2008 aan advocaat [B] van de Firma Jurist, waarin staat dat eiser wordt verdacht van enkele misdrijven;

2. een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Oezbekistan aan advocaat [A] van 25 september 2008, waarin staat dat eiser wordt verdacht van enkele misdrijven;

3. een brief van het OM van Oezbekistan aan advocaat [A] van 30 september 2008, waarin onder andere staat dat tegen eiser een rechtszaak is aangespannen;

4. een brief van het OM van Oezbekistan van gelijke datum en gelijke strekking, maar gericht aan advocaat [B];

5. een brief van het OM van Oezbekistan van 26 december 2008 aan advocaat [B] van gelijke strekking;

6. een ongedateerde oproep (nr. 28) voor militaire dienst .

In beroep heeft eiser nog enkele stukken overgelegd. De rechtbank begrijpt dat van deze stukken eiser als novum heeft bedoeld:

7. een brief van het OM in Oezbekistan van 17 november 2011, waarin staat dat eiser strafrechtelijk wordt vervolgd en zich aan het onderzoek heeft onttrokken.

5.2 Met betrekking tot de oproep voor militaire dienst (stuk 6) overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser ter onderbouwing van zijn tweede asielaanvraag twee oproepen voor militaire dienst heeft overgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem heeft in de uitspraak van 13 juni 2008 geoordeeld dat de oproepen geen nova zijn, omdat eiser bij zijn eerste asielaanvraag al had kunnen melden dat hij dienstweigeraar was. Deze uitspraak is door de Afdeling bevestigd bij uitspraak van 16 juli 2008. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de militaire oproep die eiser nu heeft overgelegd, hoewel van latere datum, niet als novum is aan te merken.

5.3 De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder de documenten, met uitzondering van het laatste stuk, heeft laten onderzoeken door Bureau Documenten. De uitkomst van dit onderzoek was dat de authenticiteit van de stukken niet kan worden vastgesteld, omdat referentiemateriaal ontbreekt. Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2005, LJN: AU0346), kan een document pas als novum worden aangemerkt als de authenticiteit kan worden vastgesteld. Als de authenticiteit van het document niet kan worden vastgesteld vanwege het ontbreken van referentiemateriaal, komt dit voor risico van de vreemdeling.

Zoals gezegd heeft eiser, behalve de bovengenoemde documenten, nog een groot aantal documenten overgelegd. Dit zijn onder meer een aantal brieven van en aan de respectievelijke advocaten, waaronder opdrachtbevestigingen, en correspondentie met de Orde van Advocaten in Volgograd. De rechtbank begrijpt dat eiser deze overige stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de authenticiteit van de hierboven genoemde stukken 1 t/m 5 en 7. Ook heeft eiser de brieven genoemd onder 3 t/m 5 laten voorzien van een stempel van een notaris. Eiser heeft verder een brief overgelegd van de Orde van Advocaten van Volgograd, waarin staat dat de documenten in eisers zaak conform de wet in Oezbekistan gestelde processuele normen zijn opgesteld en dat legalisatie door een notaris voldoende is.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat eiser met het overleggen van de overige correspondentie, niet de authenticiteit van de documenten 1 t/m 5 heeft aangetoond en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt in dit kader ten eerste vast dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten ten aanzien van het onderzoek door Bureau Documenten.

Ook door de stukken te laten waarmerken door een notaris, heeft eiser de authenticiteit niet aangetoond. De rechtbank overweegt dat het mogelijk is dat dit in Oezbekistan de juiste wijze van legalisatie is, maar dat is niet het geval in Nederland. De rechtbank verwijst hierbij naar informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ten aanzien van de legalisatie van in het buitenland opgestelde stukken, te vinden op www.minbuza.nl of op www.rijksoverheid.nl. Uit die informatie blijkt dat in Oezbekistan partij is bij het Apostilleverdrag, dat in Oezbekistan in april 2012 in werking is getreden. Het OM in Oezbekistan is bevoegd om documenten die afkomstig zijn van het OM te voorzien van een apostille. De rechtbank stelt vast dat op de door eiser overgelegde verklaringen een apostille ontbreekt. Voor april 2012 was de ‘normale’ legalisatieprocedure van toepassing: het document dient dan te worden voorzien van een stempel met handtekening van de bevoegde autoriteiten in het land van herkomst, welk stempel vervolgens weer geverifieerd dient te worden door de Nederlandse vertegenwoordiging ter plaatse. De rechtbank stelt vast dat ook deze stempels ontbreken. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet op de hoogte kon zijn van deze legalisatievoorwaarden, te meer nu deze te vinden zijn in openbare bronnen. Nu eiser er kennelijk wel van op de hoogte was dat de authenticiteit van het stuk middels legalisatie kon worden aangetoond, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiser gelegen na te gaan wat die legalisatievoorwaarden naar Nederlands recht waren.

Hoewel normaliter mogelijk niet van een asielzoeker verwacht mag worden dat hij de authenticiteit van stukken aantoont door middel van legalisatie, omdat hij zich daarvoor moet wenden tot de autoriteiten voor wie hij stelt te vrezen, is de rechtbank van oordeel dat dit in dit geval anders is. Eiser heeft immers ook derden ingeschakeld om de documenten te verkrijgen en zich via hen gewend tot die autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat eiser die derden of anderen niet ook kon verzoeken om hem – zonodig – bij te staan bij de legalisatie van de documenten.

De rechtbank concludeert dat, nu eiser de authenticiteit van de documenten 1 t/m 5 niet heeft aangetoond, deze documenten al om die reden niet zijn aan te merken als nova.

5.5 Ten aanzien van stuk 7 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt ten eerste vast dat eiser dit stuk eerst in beroep heeft overgelegd. Hoewel verweerder zich in eerste instantie op het standpunt stelde dat dit stuk niet kon worden meegenomen bij de beoordeling, omdat artikel 83 van het Vw 2000 zich niet uitstrekt tot nova die in beroep zijn overgelegd, is verweerder op dat standpunt teruggekomen. Bij brief van 4 oktober 2012 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij van mening is dat het stuk op grond van artikel 83 van de Vw 2000 toch kan worden betrokken bij de beoordeling, maar dat wel beoordeeld dient te worden of het stuk een novum is.

De rechtbank volgt verweerder hierin en vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2003 (LJN: AH9540), waarin de Afdeling oordeelt:

“De uitspraak van 10 oktober 2002 heeft niet tot strekking dat er geen ruimte is om in geval van een herhaalde aanvraag toepassing te geven aan artikel 83 van de Vw 2000, indien, zoals hier het geval is, sprake is van een ingeroepen feit of omstandigheid als bedoeld in het eerste en tweede lid, van dit artikel.” De rechtbank is zich ervan bewust dat artikel 83 van de Vw 2000 sindsdien is gewijzigd, maar is van oordeel dat, nu de reikwijdte van het nieuwe artikel 83 van de Vw 2000 alleen maar is toegenomen, deze overweging thans te meer opgaat. Bovendien acht de rechtbank van belang dat in de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 83 van de Vw 2000 (TK 2008-2009, 31 994, nr. 3, pagina 6) is vermeld dat de reden van wijziging erin is gelegen dat de mogelijkheid tot het betrekken van nieuwe feiten en omstandigheden door de rechter, zoals nieuwe documenten en nieuw beleid, het aantal opvolgende asielaanvragen zou verminderen. Een andere uitleg dan de bovengenoemde ten aanzien van de toepassing van artikel 83 van de Vw 2000 op in beroep overgelegde nova, zou naar het oordeel van de rechtbank dan ook in strijd zijn met het doel van het artikel.

5.6 De rechtbank zal ten aanzien van stuk 7 dan ook beoordelen of het een novum is en overweegt als volgt. Dit stuk is niet onderzocht door het Bureau Documenten, maar dat neemt niet weg dat de authenticiteit ervan moet worden aangetoond. De rechtbank stelt vast dat dit stuk wat betreft uiterlijke kenmerken identiek is aan stukken 3,4 en 5. Daarvan heeft het Bureau Documenten vastgesteld dat de authenticiteit niet kon worden vastgesteld, omdat referentiemateriaal ontbreekt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat dit ook voor stuk 7 geldt, zodat onderzoek door Bureau Documenten de authenticiteit van het document niet zou kunnen aantonen en geen zin heeft. Het is aan eiser om de authenticiteit van het stuk aan te tonen. Nu dit document ook niet op juiste wijze is gelegaliseerd is de rechtbank van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd en dat het stuk daarom niet als novum is aan te merken.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de stukken die eiser als nova heeft overgelegd, niet als zodanig zijn aan te merken. Zoals de rechtbank eveneens heeft overwogen zijn de overige stukken die eiser heeft overgelegd niet als nova bedoeld, maar dienden zij als onderbouwing van de authenticiteit van de nova. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van nova. Gesteld noch gebleken is verder dat sprake is van van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar van het EHRM van 19 februari 1998 (LJN: AG8817), op grond waarvan de in het nationale recht neergelegde procedureregels niet zouden mogen worden tegengeworpen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit en verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

7. Ter zitting heeft eiser een verzoek gedaan tot aanhouding of heropening van de behandeling van de zaak, gelet op de zeer omvangrijke pleitnota met deels nieuwe argumenten die verweerder ter zitting heeft voorgedragen. Hoewel de pleitnota gegeven de inhoud aanleiding had kunnen zijn om eiser op een later moment nog nader te laten reageren ziet de rechtbank geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. De pleitnota van verweerder ging voor wat betreft het verzoek om aanhouding inhoudelijk in op de door eiser overgelegde stukken en, zoals blijkt uit het voorgaande, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling, zodat een nadere reactie van eiser op de pleitnota niet noodzakelijk is.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzitter, mr. A.J. Dondorp en mr. R.A. Sipkens, rechters, in aanwezigheid van mr. M.I. van Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier de voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen; de uitspraak is gezien en getekend door mr. A.J. Dondorp, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvM

Coll.: EW

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.