Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
09/920342-11 & 09/762185-11 (ttzg) & 09/920375-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een kiosk overvallen. Hij heeft de aldaar aanwezige medewerkster onder bedreiging van een mes gedwongen een kluis te openen waaruit hij geld heeft gepakt en hij heeft haar voorts gedwongen tot afgifte van geld. De verdachte heeft de overval van tevoren grondig gepland. De rechtbank wijst erop dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit uit huis was gelaatst en het feit heeft gepleegd terwijl hij op weekendverlof was, terwijl hij in een proeftijd liep. > Jeugddetentie voor de duur van 173 dagen met aftrek van voorarrest en legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/920342-11, 09/762185-11 (t.t.z.g.) en 09/920375-09 (tul)

Datum uitspraak: 3 mei 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1995 te [plaats],

adres: [adres],

thans preventief gedetineerd in het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen - met gesloten deuren - van 23 februari 2012 en 19 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. M.S.C. Leistra, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

Ter zake parketnummer 09/920342-11:

hij op of omstreeks 13 november 2011 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 2172,30 Euro, althans enig geldbedrag en/of een slof sigaretten en/of een tas in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het zwaaien van een mes in de richting van die [aangeefster] en/of

- het tegen die [aangeefster] schreeuwen: "Geld geven!" en/of "Maak die kluis open", althans woorden van gelijke strekking;

en/of:

hij op of omstreeks 13 november 2011 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 2172,30 Euro, althans enig geldbedrag, en/of een slof sigaretten en/of een tas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het zwaaien van een mes in de richting van die [aangeefster] en/of

- het tegen die [aangeefster] schreeuwen: "Geld geven!" en/of "Maak die kluis open", althans woorden van gelijke strekking.

Ter zake parketnummer 09/762185-11:

hij op of omstreeks 30 oktober 2011 te Alphen aan den Rijn met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee, althans een, ra(a)m(en) van een (hoek)woning, welk geweld bestond uit het (meermalen) gooien van stenen/steentjes tegen dat/die ra(a)m(en) van

voornoemde woning.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 09/762185-11 ten laste gelegde feit, nu hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/920342-11 gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten zoals hierboven weergegeven heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/762185-11:

De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het in deze zaak ten laste gelegde feit, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/920342-11:

De verdachte heeft bekend deze feiten te hebben gepleegd.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/762185-11:

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit feit geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verdachte wordt ter zake van dit feit dan ook vrijgesproken.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/920342-11:

De rechtbank is van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring door de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 april 2012;

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2011, opgenomen in het dossier met het nummer PL1630 2011172368, inhoudende de verklaring van [aangeefster] (pagina 24 tot en met 28).

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van de verdachte in de zaak met parketnummer 09/920342-11 wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 13 november 2011 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een slof sigaretten toebehorende aan [bedrijf], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [aangeefster], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het zwaaien van een mes in de richting van die [aangeefster] en

- het tegen die [aangeefster] schreeuwen: "Geld geven!" en "Maak die kluis open",

en:

hij op 13 november 2011 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangeefster] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijf], welke bedreiging met geweld bestond uit:

- het zwaaien van een mes in de richting van die [aangeefster] en

- het tegen die [aangeefster] schreeuwen: "Geld geven!" en "Maak die kluis open".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheidheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. Stolk heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920342-11 onder 1e en 2e cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van acht maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte jeugddetentie zal worden opgelegd voor de duur gelijk aan de voorlopige hechtenis, alsmede de gedragsbeïnvloedende maatregel, zo nodig met een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel acht de verdediging een te zwaar middel, omdat het arsenaal aan alternatieven, waaronder gesloten jeugdzorg, nog niet is uitgeput. De verdachte is zich thans, onder meer door de lange duur van zijn voorlopige hechtenis, voldoende bewust van de ernst van de situatie en van het feit dat hij niet op de ingeslagen weg kan voortgaan. De verdachte is van mening dat hij tot zijn voorlopige hechtenis nog nooit echt is gestraft voor zijn gedrag en dat hij ook nooit daadwerkelijk professionele hulp voor zijn problematiek heeft gekregen. Hij zou graag nog een laatste kans krijgen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 13 november 2011 een kiosk overvallen. Hij heeft de aldaar aanwezige medewerkster onder bedreiging van een mes gedwongen een kluis te openen waaruit hij geld heeft gepakt en hij heeft haar voorts gedwongen tot afgifte van geld. Daarnaast heeft hij een slof sigaretten gepakt en meegenomen. De verdachte heeft de overval van tevoren zorgvuldig gepland. Hij heeft het plan een week daarvoor tot in detail uitgedacht en de avond voor de overval het mes en de extra kleren klaargelegd die hij over zijn gewone kleren wilde aantrekken. De kiosk heeft hij bewust uitgezocht. Hij wist dat er in de directe omgeving geen andere winkels open zouden zijn op zondagochtend. Terwijl verdachte aldus lange tijd had zijn plan te overdenken, heeft hij op geen enkel moment nagedacht over de gevolgen voor het slachtoffer. Tijdens de overval is hij daarnaast op een bijzonder intimiderende wijze te werk gegaan. Hij heeft met de punt van het mes in de richting van het slachtoffer gezwaaid en toen het slachtoffer aan haar belager probeerde te ontsnappen, heeft hij haar gevolgd en haar, terwijl zij in doodsangst verkeerde, gedwongen mee te werken. De verdachte heeft slechts rekening gehouden met zijn eigen financiële gewin en is geheel voorbij gegaan aan de angst van het slachtoffer tijdens de overval alsmede de gevolgen van zijn daad voor zowel het slachtoffer als anderen. Weliswaar heeft de verdachte achteraf aangegeven spijt te hebben van zijn daad, maar dat maakt het feit en de gevolgen ervan niet minder ernstig. Het is een feit van algemene bekendheid dat de impact van dergelijke gewelddadige delicten op het dagelijkse leven van slachtoffers enorm kan zijn en dat zij zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen, terwijl zij ook nog geruime tijd last kunnen hebben van lichamelijke en/of psychische gevolgen van het gebeurde. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De rechtbank houdt er ten nadele van verdachte rekening mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor diefstal en openlijk geweld en in een proeftijd liep toen hij dit misdrijf pleegde.

De rechtbank heeft acht geslagen op een aantal rapporten, waaronder:

1. het rapport van het psychiatrisch onderzoek, op 10 april 2012 ondertekend door Th.M. Lenz, kinder- en jeugdpsychiater;

2. het rapport van het psychologisch onderzoek, op 12 april 2012 ondertekend door drs. E.M. van Engers, GZ-psycholoog en orthopedagoog;

3. het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 april 2012.

Uit de onderzoeken onder 1 en 2 genoemd komt onder meer, verkort weergegeven, naar voren dat er bij de verdachte sprake is van gebrekkige ontwikkeling, in de zin van een gedragsstoornis, matig ernstig beginnend in de adolescentie en een verstoring van de ontwikkeling van de persoonlijkheid met antisociale en narcistische trekken. Daardoor kan de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, mits bewezen verklaard, als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. De verdachte heeft een egocentrische basishouding, een gebrek aan empathie en berouw, hij laat zich leiden door zijn eigen verlangens en behoeftes en is makkelijk beïnvloedbaar door prikkels van buitenaf of door leeftijdsgenoten die aansluiten op zijn prikkelbehoefte. De verdachte heeft een belast verleden en staat sinds 2009 onder toezicht van Bureau Jeugdzorg. In maart 2010 is hij op een open afdeling van De Hoenderloo Groep geplaatst. De verdachte heeft laten zien beter te functioneren in een omgeving met een duidelijke structuur als De Hoenderloo Groep. Echter, ondanks de verschillende maatregelen is er sprake van een toename in ernst en omvang van het delictgedrag van de verdachte; met name tijdens zijn verlof. Ouders, die bereidwillig zijn, zijn evenmin bij machte gebleken om met ondersteuning van hulpverlening positieve veranderingen bij de verdachte teweeg te brengen. De onderzoekers schatten de recidivekans hoog in. Zij achten langdurige behandeling van de verdachte nodig. Die behandeling dient gericht te zijn op het vergroten van empathie, het versterken van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, het verminderen van zijn beïnvloedbaarheid en het verhogen van zijn frustratietolerantie. Gezien de hulpverleningsgeschiedenis, de aard en ernst van het delict, de kans op recidive en de beperkte mogelijkheden binnen het systeem adviseren beide onderzoekers de verdachte de PIJ-maatregel op te leggen. Andere alternatieven, zoals ambulante hulpverlening, lijken te zijn uitgeput. Ook gesloten plaatsing in het civiele kader achten de onderzoekers voor de betrokkene ontoereikend, omdat de behandeling - gelet op zijn leeftijd - niet langdurig genoeg zal zijn. Het verdient aandacht om gedurende de behandeling al bedding voor een vervolgbehandeling in de vorm van MST of MDFT te creëren.

De Raad voor de Kinderbescherming sluit zich aan bij het advies van voornoemde deskundigen en adviseert tevens aan de verdachte de PIJ-maatregel op te leggen. De heer A. Hoekstra, raadsonderzoeker en ter terechtzitting gehoord als deskundige, heeft daaraan toegevoegd dat uit de hulpverleningsgeschiedenis blijkt dat men eigenlijk al vanaf de basisschool weinig grip meer op de verdachte heeft en dat zijn delinquente houding en beïnvloedbaarheid een stevige aanpak als de PIJ-maatregel vergen. Een voorwaardelijke sanctionering zal niet voldoende zijn omdat gebleken is dat deze vorm van afdoening de verdachte niet van recidive kan weerhouden en lichtere vormen van hulpverlening niet adequaat zijn voor zijn zware problematiek. De bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, de noodzaak tot behandeling en het maatschappelijke gevaar maken een strafrechtelijke maatregel noodzakelijk om een interne behandeling te waarborgen. Mede om te voorkomen dat de gedragsstoornis tot een blijvende verstoring van de persoonlijkheid zal leiden is de verdachte gebaat bij een behandeling in een gesloten en gestructureerde setting. Van ambulante hulpverlening in het kader van een GBM kan op dit moment geen sprake zijn omdat de problematiek en de gedragsstoornis van de verdachte te ernstig zijn. Binnen de gesloten jeugdzorg is de verdachte gelet op zijn deliquente gedrag niet op zijn plek en dit biedt bovendien onvoldoende garanties vanwege de langdurige behandeling die nodig is.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid uit de rapporten genoemd onder 1 en 2 over en maakt die tot de hare. Zij houdt daarmee rekening bij het bepalen van de strafmaat.

De rechtbank acht zich vanuit de Pro Justitia rapportages en de raadsrapportages voldoende voorgelicht en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor de duur van het voorarrest een passende reactie vormt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het gepleegde delict en het grote gevaar voor recidive en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vereist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank weegt hierbij mee dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en dat een langdurige behandeling in een gestructureerde setting kennelijk noodzakelijk is om een gedragsverandering te bewerkstelligen bij de verdachte teneinde recidive te voorkomen en de toekomstperspectieven van de verdachte te vergroten.

Gelet op de door de deskundigen geconstateerde gedragsproblematiek van de verdachte en de reeds eerder mislukte behandeling en begeleiding in het ambulante kader is een ambulant traject thans, naar het oordeel van de rechtbank, een gepasseerd station. De rechtbank wijst er op dat de verdachte ten tijde van het plegen van het hiervoor bewezen verklaarde feit uit huis was geplaatst en het feit heeft gepleegd terwijl hij op weekendverlof was, terwijl hij in een proeftijd liep. Te sterker geldt dat de verdachte is overgegaan tot het plegen van een zeer ernstig strafbaar feit, dat in zwaarte de strafbare feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld overtreft. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de mogelijkheden die de raadsvrouw nog wel ziet in het ambulante kader. De ernstige gedragsstoornis van de verdachte, de hoge kans op recidive, zijn ontwikkelingsmogelijkheden en ontbreken van een adequaat sociaal netwerk, de niet toereikende ambulante mogelijkheden, de noodzaak van een gedwongen kader en het gegeven dat alternatieven ontbreken, nopen derhalve tot het opleggen van de PIJ-maatregel.

De jeugddetentie die de rechtbank aan de verdachte oplegt is lager dan de officier van justitie heeft gevorderd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de rechtbank het in het belang van de verdachte acht, mede gelet op zijn leeftijd, dat de behandeling in het kader van de PIJ-maatregel zo spoedig mogelijk aanvangt.

7. Het in beslag genomen goed

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bij de verdachte in beslag genomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen relevante opmerkingen gemaakt ten aanzien van het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Nu zich in het dossier geen beslaglijst bevindt en ter terechtzitting het beslagen goed evenmin voldoende is geconcretiseerd, kan de rechtbank ter zake van de vordering van de officier van justitie geen beslissing nemen en zal zij zich daarvan onthouden.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie opgelegd bij vonnis van deze rechtbank d.d. 21 januari 2010, te weten jeugddetentie voor de duur van 60 dagen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor afwijzing van de vordering van de officier van justitie van 17 januari 2012 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van deze rechtbank d.d. 21 januari 2010, nu de de rechtbank het van groter belang acht dat de behandeling in het kader van de PIJ-maatregel zo snel mogelijk van start kan gaan.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 77dd, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09/762185-11 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/920342-11 onder 1e en 2e cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van het eerste cumulatief/alternatief

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN;

ten aanzien het tweede cumulatief/alternatief

AFPERSING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 173 DAGEN

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering wordt gebracht;

en legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding met parketnummer 09/920342-11 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

T.a.v. 09/920375-09 (tul)

wijst af de vordering van de officier van justitie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Soffers, kinderrechter, voorzitter,

mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

en mr. H.M. Boone, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2012.