Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0623

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
09-920374-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot een gewapende woningoverval. Het is aan de handelswijze en het voorgevoel van de bewoner van de woning te danken dat de overval niet is voltooid en dat er geen sprake is van ernstiger gevolgen. De raadsvrouw beroept zich op vrijwillige terugtred van de zijde van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is van vrijwillige terugtred geen sprake. > jeugddetentie voor de duur van 120 dagen waarvan 48 dagen voorwaardelijk, en de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden, mede inhoudende klinische behandeling bij De Borg voor de duur van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920374-11

Datum uitspraak: 28 juni 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

adres: [adres verdachte],

thans civielrechtelijk geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten De Hoenderloo Groep te Deelen.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 14 juni 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. P. Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 december 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of zijn huisgenote ([aangever 2]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of [aangever 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [aangever 1] en/of [aangever 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- met messen, een boksbeugel, bivakmuts(en), petjes en/of handschoenen naar een woning gelegen aan [adres aangevers] is gegaan en/of

- bij die woning heeft aangebeld en/of

- om de hoek van die deur en/of achter een auto heeft gewacht tot een bewoner zou opendoen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2011 te 's-Gravenhage ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf

waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk (tezamen en in vereniging met anderen) een auto en/of messen en/of een boksbeugel en/of handschoenen en/of bivakmutsen en/of petjes, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

Salduz-verweer

3.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat de verklaring van de verdachte bij de politie buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen bijstand heeft gehad van een advocaat voorafgaand of tijdens het verhoor bij de politie, terwijl hij recht had op verplichte bijstand en geen afstand daarvan kon doen. Dat klemt temeer nu de verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau.

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris eveneens buiten beschouwing te laten, omdat ook daar onvoldoende rekening is gehouden met de verstandelijke beperkingen van de verdachte.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste verklaring van de verdachte bij de politie buiten beschouwing gelaten dient te worden, nu de verdachte ten onrechte afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand door een advocaat. Dit heeft naar de mening van de officier van justitie echter geen gevolgen voor de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar vaste rechtspraak (het Salduz arrest van 27 november 2008 en NJ 2009, 349) heeft een minderjarige verdachte die is aangehouden, op de voet van het bepaalde in artikel 6 EVRM, een aanspraak op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Voor aangehouden jeugdige verdachten, zoals de verdachte in deze zaak, geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. Behoudens het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van bepaalde dwingende redenen, zal hem, de verdachte, binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dit recht te verwezenlijken.

De rechtbank leidt daarnaast uit de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor d.d. 15 februari 2010 af dat in geval van een als een categorie A aangemerkte zaak de verdachte geen afstand kan doen van het recht op consultatiebijstand.

Als categorie A-zaken worden onder meer aangemerkt zaken van verdachten in de leeftijd van zestien en zeventien jaar op de pleegdatum van het feit, voor zover deze zaken betrekking hebben op misdrijven met een strafbedreiging van twaalf jaar of meer. Nu daar in het onderhavige geval sprake van is, had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorafgaand aan het eerste politieverhoor geen afstand kunnen doen van zijn recht op consultatiebijstand.

De rechtbank zal de verklaring van de verdachte bij de politie dan ook al om deze reden buiten beschouwing laten.

Bovendien moet ook voor de verbalisanten duidelijk zijn geweest dat de verdachte verstandelijk zeer beperkt is. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, gelet op die omstandigheid, de omvang van zijn beslissing om afstand te doen van zijn recht op consultatiebijstand niet kon overzien, zodat hij in het geheel geen afstand had kunnen doen van dit recht.

De rechter is voorts van oordeel dat de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris niet buiten beschouwing gelaten hoeft te worden, nu de raadsvrouw van de verdachte bij dat verhoor aanwezig was en er overigens geen redenen zijn om aan te nemen dat de verdachte zijn verklaring aldaar onder ontoelaatbare omstandigheden heeft afgelegd.

Het bewijs voor het overige

3.4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair, als eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

3.5 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de bewezenverklaring.

3.6 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Op 20 december 2011 heeft een poging tot een gewapende overval op een woning aan [adres aangevers] in Den Haag plaatsgevonden, waarbij de daders met medeneming van messen bij de woning hebben aangebeld en hebben gewacht tot de bewoner zou opendoen en waarbij het plan was om de bewoner dan wel bewoners met behulp van de meegebrachte wapens te beroven.

De verdachte heeft bekend dit feit te hebben gepleegd, hoewel hij heeft verklaard dat hij op enig moment vrijwillig is weggegaan. De verdachte heeft daarnaast nadien niet anders verklaard. De raadsvrouw van de verdachte heeft met een beroep op vrijwillige terugtred vrijspraak subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Nu niet is bepleit dat verdachte het ten laste gelegde feit niet heeft begaan en (materieel gezien) het pleidooi niet ziet op vrijspraak, is de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van oordeel dat volstaan kan worden met een opgave van de bewijsmiddelen, zijnde:

- het proces-verbaal van aangifte2,

- het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1]3,

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting,

- het proces-verbaal van bevindingen4,

- de kennisgeving van inbeslagneming5.

Het feit is primair ten laste gelegd als een poging tot diefstal met geweld en/of een poging tot afpersing.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbare poging om de woning aan [adres aangevers] te Den Haag te overvallen door met messen en andere daartoe bestemde goederen naar deze woning te gaan, daar aan te bellen en vervolgens te wachten tot de deur zou worden geopend, waarna met behulp van de messen de overval gepleegd zou worden.

De messen waren meegenomen om de overval mee te plegen en er zou sprake zijn geweest van een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld en/of afpersing in het geval dat het voorgenomen plan ten uitvoer zou zijn gelegd.

De rechtbank acht het feit, primair ten laste gelegd als eerste en tweede cumulatief/alternatief dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.7 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 20 december 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen,

- met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [aangever 1] en/of zijn huisgenote, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of zijn huisgenote, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemers van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [aangever 1] en/of zijn huisgenote te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, toebehorende aan die [aangever 1] en/of zijn huisgenote, met zijn mededaders

- met messen, een boksbeugel, bivakmutsen, petjes en handschoenen naar een woning gelegen aan de [adres aangevers] is gegaan en

- bij die woning heeft aangebeld en

- om de hoek van die deur en achter een auto heeft gewacht tot een bewoner zou opendoen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Vrijwillige terugtred

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er naar haar mening geen sprake was van vrijwillige terugtred door de verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en de medeverdachten zijn teruggetreden door externe omstandigheden, gelegen in de handelswijze van de aangever. Uit de verschillende verklaringen blijkt immers dat de (mede)verdachten eerst hebben aangebeld en hebben afgewacht en het plan als mislukt hebben beschouwd toen er niet werd opengedaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak subsidiair ontslag van rechtsvervolging bepleit, vanwege het bestaan van vrijwillige terugtred van de zijde van de verdachte. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte is weggelopen voordat de aangever de deur opendeed en zich door weg te lopen fysiek verwijderd heeft van de plaats van het delict, onafhankelijk van het verdere verloop. Zij heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad uit NJ 2007, 29, met LJN-nummer AZ2169.

4.3 De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of er sprake was van vrijwillige terugtred door de verdachte.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Een beroep op vrijwillige terugtred kan pas slagen indien vast komt te staan dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk. Daarbij is beslissend dat de vrijwillige terugtred het gevolg was van spontane besluitvorming aan de zijde van de verdachte en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van externe prikkels.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er een begin was gemaakt met de uitvoering van de voorgenomen woningoverval. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er meerdere keren is aangebeld bij de woning en dat hij in die tijd heeft afgewacht. De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de poging mislukt was, omdat de deur pas openging toen de medeverdachte [medeverdachte 1] al aan het weglopen was. Dit wordt ondersteund door de medeverdachte [medeverdachte 1], die heeft verklaard dat hij besloot weg te lopen toen er na het aanbellen niet werd opengedaan en dat hij toen de bewoner na enige tijd toch naar buiten kwam hem niet meer kon terugduwen. Hij heeft voorts verklaard te zijn weggerend, omdat de poging al mislukt was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voorgenomen woningoverval niet is voltooid als gevolg van het feit dat de bewoner niet onmiddellijk de deur heeft geopend, maar daarmee langer heeft gewacht dan de (mede)verdachte(n) hadden verwacht. Er is verklaard dat men geruime tijd heeft gewacht. Daardoor werd de voorgenomen overval door de (mede)verdachte(n) al als mislukt beschouwd. De rechtbank begrijpt dat aldus niet meer de situatie zich voordeed dat de bewoner verrast kon worden door de (mede)verdachte(n), maar daarentegen de (mede)verdachte(n) verrast werden door de bewoner toen de deur openging op een moment dat zij dat niet meer hadden verwacht en eigenlijk al bezig waren om weg te gaan. Op dat moment was het feitelijk onmogelijk geworden om alsnog verdere uitvoering te geven aan het voornemen.

Verder is van belang dat uit de verschillende verklaringen blijkt dat de (mede)verdachte(n) direct na deze poging hebben gesproken over een op een ander adres nieuw te plegen strafbaar feit en de auto waarin zij zaten vervolgens werd gekeerd teneinde naar dat andere adres te gaan om dat feit te gaan plegen. Ook hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het weglopen niet primair voortkwam uit inkeer, berouw of angst en dat het misdadige voornemen tot het plegen van een gewapende overval onverminderd aanwezig was.

Gelet op dit alles is naar het oordeel van de rechtbank van vrijwillige terugtred geen sprake.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair, onder eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wordt opgelegd een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden en inhoudende opname bij De Borg dan wel een soortgelijke instelling en het houden aan aanwijzingen van de jeugdreclassering, subsidiair zes maanden jeugddetentie. Zij heeft de rechtbank hierbij verzocht expliciet op te nemen dat de jeugddetentie als zodanig ten uitvoer gelegd dient te worden, ook in het geval dat de verdachte de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Daarnaast heeft zij gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur 120 dagen waarvan 48 voorwaardelijk, met aftrek, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering. Ten aanzien van het voorwaardelijk deel der jeugddetentie heeft zij de rechtbank verzocht de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen.

Ten slotte heeft zij gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige betoogd dat er geen sprake is van een begaan strafbaar feit, maar van een poging, dat de maatregel niet in verhouding staat tot de ernst van het feit, dat de maatregel niet bedoeld is voor first-offenders zoals de verdachte, dat een gesloten opname zoals geadviseerd niet past binnen de vrijheidsbeperkende maatregel en dat er voor de invulling van de maatregel geen programma is vastgesteld.

Ten aanzien van de kans op recidive heeft zij opgemerkt dat de risicofactoren gedurende de gehele jeugd van de verdachte aanwezig waren, maar dat deze nimmer tot het plegen van een strafbaar feit hebben geleid.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot een gewapende woningoverval.

In de avond van 20 december 2011 is de verdachte samen met drie leeftijdgenoten naar de woning van de slachtoffers gegaan. Zij zijn daarheen gereden in de auto van de vader van één van de daders en met medeneming van messen en ander wapentuig.

Uit de verschillende verklaringen blijkt dat de verdachte en zijn mededaders het plan hadden beraamd om naar de woning toe te gaan, daar aan te bellen en vervolgens degene die de deur open deed neer te steken dan wel te bedreigen om daarna hetzelfde te doen bij eventueel andere aanwezigen en aldus geld en/of goederen van hun gading in hun bezit te krijgen. Hiertoe hebben de verdachte en zijn mededaders een woning uitgekozen, een rolverdeling afgesproken en een begin gemaakt met de uitvoering van de overval. Het is aan de handelswijze en het voorgevoel van de bewoner van de woning te danken dat de overval niet is voltooid en dat geen sprake is van ernstiger gevolgen.

De slachtoffers hebben naderhand vernomen wat de verdachte en zijn mededaders van plan waren. Uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij van de vrouwelijke bewoner van de woning blijkt hoe verstrekkend de gevolgen hiervan voor haar zijn geweest en nog altijd zijn. De rechtbank overweegt verder dat de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers in hun woning hebben willen overvallen, een plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote emotionele impact hebben op de slachtoffers. De verdachte en zijn mededaders hebben zich louter laten leiden door de zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Een dergelijk feit schokt bovendien de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 9 mei 2012, betreffende het psychologisch onderzoek van drs. T. Smits, GZ-psycholoog, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een hechtingsstoornis, een gedragsstoornis en misbruik van cannabis, hetgeen zijn persoonlijkheidsontwikkeling onder druk zet. Daarnaast is hij cognitief beperkt. Dit leidt tot een beperkt zicht op oorzaak en gevolg in (complexe) sociale situaties, impulsiviteit, onvoldoende inlevingsvermogen en empathie, een gebrekkige gewetensontwikkeling en neiging tot grensoverschrijdend gedrag.

Deze stoornissen zijn structureel van aard en daardoor alle aanwezig gedurende het ten laste gelegde. Vanuit de gedragsstoornis heeft de verdachte de behoefte aan spanning en zorgt het overtreden van regels en grenzen van anderen onvoldoende voor schuldgevoel. Vanuit de hechtingsstoornis is de verdachte verminderd in staat zijn emoties en impulsen te reguleren. Hierdoor komt hij, tezamen met zijn cognitieve beperkingen, moeilijk tot gedragsalternatieven.

Geadviseerd wordt om de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het recidiverisico is hoog en ligt vooral gelegen in de factoren beperkt zicht op oorzaak en gevolg, onvoldoende inlevingsvermogen, de neiging tot acting-out gedrag, impulsiviteit en een gebrekkige gewetensontwikkeling. De omgeving van de verdachte is zeer belangrijk in het recidiverisico. Hij is afhankelijk van toezicht en structuur. Als dit wegvalt, is hij onvoldoende in staat risico's in te schatten en verantwoordelijkheid te nemen. Daarnaast is hij erg beïnvloedbaar en kan hij geen weerstand bieden aan verleidingen of de (kwade) intenties van anderen/peergroup.

Het is van belang dat de verdachte behandeling krijgt. Behandeling dient zich met name te richten op de symptomen die voortkomen uit de hechtingsstoornis en gedragsstoornis. Een dergelijke behandeling kan het best geboden worden binnen een residentiële instelling voor forensische kinder- en jeugdpsychiatrie. Vanwege de cognitieve capaciteiten wordt de verdachte snel overvraagd binnen een reguliere setting. Daarom wordt een SGLVG-instelling (sterk gedragsgestoord licht verstandelijk gehandicapt) geadviseerd. De verdachte is niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling en behoeft een stevige stok achter de deur. Geadviseerd wordt de behandeling uit te voeren in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. Gezien de verwachte duur van de behandeling is het wenselijk dat de maatregel voor een jaar wordt opgelegd. Toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering is daarbij een vereiste.

De rechtbank acht de verdachte, gelet op het Pro Justitia rapport enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 11 juni 2012, waarin naast een voorwaardelijke detentiestraf eveneens de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van een jaar wordt geadviseerd. De Raad heeft geadviseerd de verdachte te plaatsen op een SGLVG-groep op bijvoorbeeld De Borg en daarnaast te laten begeleiden door de William Schrikker Groep.

Ter terechtzitting heeft mevrouw Van den Boogaard, beëdigd en gehoord als deskundige, namens de Raad voor de Kinderbescherming verklaard dat de verdachte mogelijk al voor zijn achttiende verjaardag geplaatst kan worden bij "Stevig" van De Borg, waar een wachtlijst is van enkele weken, terwijl de wachttijd bij "Trajectum" van De Borg zes maanden is.

Voorts heeft zij verklaard dat - mocht een plaats in De Borg op de achttiende verjaardag van verdachte nog niet beschikbaar zijn - de verdachte na afloop van zijn gesloten plaatsing in het civielrechtelijke kader in afwachting van het vrijkomen van een plaats in de Borg ter overbrugging naar zijn moeder kan, met de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige als stok achter de deur.

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is, ten gunste van zijn eigen ontwikkeling, maar ook om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan strafbare feiten.

De verdachte bereikt op 6 juli 2012 de leeftijd van achttien jaar en op dat moment zullen ook zijn ondertoezichtstelling en de gesloten plaatsing in het civielrechtelijk kader niet langer voortduren.

Het is op dit moment niet duidelijk of de verdachte aansluitend geplaatst kan worden bij een instelling als De Borg. De verdachte kan weliswaar ter overbrugging bij zijn moeder verblijven, maar dit is alleen verantwoord indien en voor zover er ook op dat moment begeleiding vanuit de William Schrikker Groep gegarandeerd is. Dit is echter alleen mogelijk wanneer daartoe strekkende voorwaarden bij strafoplegging dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

De mogelijkheid om voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar te verklaren, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen is met inwerkingtreding van de Wet voorwaardelijke sancties met ingang van 1 april 2012 mogelijk geworden. In deze wet is niet voorzien in overgangsrecht.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 juli 2011 (LJN: BP6878) bepaald dat voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, voortaan te gelden heeft dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bij strafoplegging ten gunste van de verdachte is, omdat het alleen om die reden is dat de rechtbank de mogelijkheid van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan wel een langere vrijheidsbenemende straf niet in overweging zal nemen.

De rechtbank is alles overwegend van oordeel dat de ernst van het begane misdrijf aanleiding geeft tot de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De maatregel zal bestaan uit begeleiding door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg en klinische behandeling in De Borg, gedurende een jaar.

De rechtbank gaat er vanuit dat de officier van justitie een vordering zal doen als bedoeld in artikel 77wb van het WvSr met het oog op wijziging van de invulling van de maatregel indien behandeling bij De Borg niet mogelijk blijkt te zijn.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de opmerkingen van de zijde van de verdediging dat ook een bewezenverklaarde poging tot het plegen van een misdrijf een begaan misdrijf is, dat de maatregel naar het oordeel van de rechtbank in verhouding staat tot de ernst van het feit en dat ook intramurale behandeling blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel betreffende de maatregel mogelijk is en dit bovendien in dit geval in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur recht doen aan de ernst van de feiten. Het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie dient ervoor te zorgen dat de recidivekans wordt teruggebracht en de verdachte zich in de toekomst niet wederom schuldig maakt aan enig strafbaar feit.

De duur van het onvoorwaardelijk deel der op te leggen jeugddetentie zal de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet overschrijden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen spreekt de rechtbank uit dat, gelet op artikel 77za WvSr, de hierboven gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa WvSr te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank gaat ervan uit dat de proeftijd naar analoge toepassing van artikel 14b lid 2 sub c WvSr ingaat op de dag van de einduitspraak.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en een eventuele tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie in aanmerking komt voor jeugddetentie, ook in het geval dat hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hiernaast een werkstraf zoals geëist door de officier van justitie op te leggen.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

Mevrouw [aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 250,00.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zodat de rechtbank aan de verdachte zal opleggen de verplichting tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 250,00, subsidiair vijf dagen jeugddetentie.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden op grond van het ontbreken van een verband tussen de gevorderde schade en het delict.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij, zijnde de huisgenote van [aangever 1], rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten, nu niet is bestreden dat zij zich sinds het voorval onder behandeling heeft moeten stellen van haar huisarts en kalmeringsmiddelen slikt alsook dat zij kampt met concentratiestoornis wat zijn weerslag heeft op haar werk. Verdachte heeft de omvang van de gevorderde immateriële schade voorts niet bestreden. De rechtbank wijst de vordering derhalve toe hoofdelijk en tot een bedrag van € 250,00.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 20 december 2011 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder primair, eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77dd, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding primair, als eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

primair, eerste cumulatief/alternatief

POGING TOT DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN/OF VERGEZELD EN/OF GEVOLGD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN/OF GEMAKKELIJK TE MAKEN EN/OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF EN/OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

primair, tweede cumulatief/alternatief

POGING TOT AFPERSING DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

legt aan de verdachte op

de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (zegge: twaalf) maanden,

die bestaat uit:

- het houden aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg,

- klinische behandeling bij De Borg voor de duur van een jaar;

beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zegge: zes) maanden;

en veroordeelt de verdachte voorts tot

jeugddetentie voor de duur van 120 (zegge: honderdtwintig) dagen

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 48 (zegge: achtenveertig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa van het Wetboek van strafrecht te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn;

bepaalt dat de verdachte ten aanzien van een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en een eventuele tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel der jeugddetentie in aanmerking komt voor jeugddetentie, ook in het geval dat hij de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever 2], een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 (zegge: vijf) dagen.

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.W. Koek, kinderrechter,

en mr. H.M. Boone, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. D.V. Verbree, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1532 2011268046

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 74, eerste en tweede alinea van de verklaring en blz. 75, eerste alinea

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1], blz. 163, voorlaatste alinea, blz. 164, derde alinea, blz. 173, tweede en derde alinea van de verklaring, blz. 174, tiende en laatste alinea, 176, laatste alinea, blz. 117, achtste, negende en voorlaatste alinea, blz. 179, laatste alinea

4 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 88 en 89

5 Kennisgeving van inbeslagneming, blz. 15 en 16