Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0382

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
408216 - HA RK 11-733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. De persoonsgegevens opgenomen in de bij de naturalisatieaanvraag gevoegde geboorteakte identificeren verzoeker niet. Niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Geen rechtsgevolg naturalisatiebesluit van 14 november 1992.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 408216 / HA RK 11-733

Beschikking van 13 december 2012

in de zaak van

[X],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. C.F. Wassenaar te Rotterdam,

en

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst), hierna verder: de IND,

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

advocaat mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 28 november 2011 ingekomen verzoekschrift (met bijlagen),

- de brief van mr. Van Asperen van 24 april 2012 (met bijlagen),

- de brief van de officier van justitie van 21 juni 2012,

- de brief van mr. Van Wassenaar van 10 augustus 2012.

1.2. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op

18 oktober 2012. Verzoeker is verschenen, vergezeld van mr. Wassenaar. Namens de IND is mr. Van Asperen verschenen. Mr. Wassenaar en mr. Van Asperen hebben pleitnota’s overgelegd. Mr Wassenaar heeft voorts een rapport van 18 oktober 2012 betreffende het moederschapsonderzoek inzake [X] en Sükran [Z] overgelegd. De officier van justitie heeft te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. Verzoeker is in 1977 vanuit Turkije naar Nederland gekomen om deel te gaan uitmaken van het gezin van [B]. Verzoeker is op 27 april 1978 in Nederland ingeschreven als [X], geboren op [[geboortedatum 1]] 1970 te [plaatsnaam 1] (Turkije) tijdens het huwelijk van [B] en [C]. Dit huwelijk is op 14 februari 1972 door

408216 / HA RK 11-733

13 december 2012 2

_______________________________________________________________________ __

echtscheiding ontbonden. [B] is vervolgens op 29 september 1972 gehuwd met [A] die, komende uit Turkije, op 15 maart 1973 is ingeschreven in Nederland.

2.2. Op 29 mei 1991 heeft verzoeker in de gemeente Den Haag een verzoek tot naturalisatie ingediend met gebruikmaking van de persoonsgegevens [X], geboren op [[geboortedatum 1]] 1970 te [plaatsnaam 1] (Turkije). Daarbij is overgelegd een geboortebewijs en een Turks paspoort waaruit deze personalia blijken. Bij Koninklijk Besluit van 14 november 1992 is aan [X], geboren op [[geboortedatum 1]] 1970 te [plaatsnaam 1] (Turkije) het Nederlanderschap verleend.

2.3. Bij brief van 14 december 2010 heeft de IND verzoeker kenbaar gemaakt dat de IND vooralsnog van oordeel is dat verzoeker in de naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een onjuiste identiteit waardoor verzoeker niet bij genoemd Koninklijk Besluit het Nederlanderschap heeft verkregen. De IND heeft zijn oordeel gebaseerd op een proces-verbaal van verhoor van het Korps landelijke politiediensten van 31 augustus 2002 waarin verzoeker heeft verklaard dat zijn echte achternaam [Z] is, de achternaam van zijn natuurlijke vader, alsmede op tapverslagen van het openbaar ministerie (Landelijk parket Rotterdam) van door verzoeker gevoerde telefoongesprekken in de periode van 5 december 2005 tot en met 1 november 2006 waaruit blijkt dat verzoeker zich in die gesprekken [Z] noemt en zegt te zijn geboren op [geboortedatum 2] 1970 of 1971 te [plaatsnaam 2].

2.4. Bij brief van 11 januari 2011 heeft verzoeker zijn zienswijze met betrekking tot het voorlopig standpunt van de IND ingediend. Hij heeft daarbij aangevoerd dat van valse identiteitsgegevens geen sprake is. Het naturalisatiebesluit is gegeven op een authentieke gelegaliseerde geboorteakte en op zijn Turkse paspoort. Van fictieve identiteitsgegevens is evenmin sprake. Niet is aangetoond dat verzoeker zich uitgeeft voor iemand die hij niet is.

2.5. Ter gelegenheid van de hoorzitting van 9 februari 2011 van de ambtelijke commissie van de IND heeft verzoeker onder meer verklaard dat uit onderzoek en navraag bij de familie [X] is gebleken dat hij het natuurlijk kind zou zijn van [A] en [D]. Verzoeker zou nooit zijn aangegeven als kind van deze twee ouders. [A] zou hem hebben overgedragen aan [B] en [C]. Zij staan als ouders op zijn geboorteakte, vandaar ook de naam [achternaam van B en C]. [B] en [C] hadden een zoon die is overleden op éénjarige leeftijd. Van dat overlijden is geen afgifte gedaan. Dat zou verklaren hoe verzoeker aan zijn geboorteakte is gekomen. [B] is later gescheiden van [C] en daarna getrouwd met [A]. Na zijn zevende jaar is hij door [B] naar Nederland gehaald.

2.6. Bij brief van 31 oktober 2011 heeft de IND bericht dat verzoeker in de naturalisatieprocedure gebruik heeft gemaakt van een onjuiste identiteit en dat verzoeker een andere persoon is dan [X], geboren op [[geboortedatum 1]] 1970 te [plaatsnaam 1] (Turkije). Het Koninklijk Besluit van 14 november 1992 identificeert hem daarom niet, zodat het besluit ten aanzien van hem rechtsgevolg mist en verzoeker nimmer Nederlander is geweest.

2.7 Uit een door dr. N.M. Lary, gerechtelijk DNA-deskundige, opgemaakt rapport van 18 oktober 2012 van een DNA-onderzoek (zogenoemd moederschapsonderzoek) inzake verzoeker en [A] volgt dat [A] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische moeder is van verzoeker.

408216 / HA RK 11-733

13 december 2012 3

_______________________________________________________________________ __

3. Het verzoek

3.1. Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker voert daartoe het volgende aan.

De IND heeft niet bewezen dat er sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van valse of fictieve persoonsgegevens in het naturalisatiebesluit. De door verzoeker afgelegde verklaringen, de verslagen van de telefoontaps en hetgeen is aangegeven in de correspondentie met de IND maken niet dat de identiteit van verzoek een valse is.

Een ieder heeft recht op een naam en een identiteit. Zolang de IND niet aantoont welke identiteit verzoeker dan wel zou hebben, maakt het standpunt van de IND hem identiteitsloos en daarmee staatloos, want verzoeker heeft geen andere identiteit. Een en ander is in strijd met internationale bepalingen van nationaliteits- en EG-recht.

Verzoeker stelt recht te hebben op de naam [X]. Over een andere identiteit van verzoeker wordt door de IND slechts gespeculeerd, terwijl de IND dient te stellen en te bewijzen wie hij dan wel is. Dat is in ieder geval niet [Z], geboren op [geboortedatum 2] 1970 en 1971. In Turkije is namelijk geen persoon geregistreerd met die naam en geboortedatum.

Indien komt vast te staan dat verzoeker twee andere personen als ouders heeft dan [B] en [C] en als gevolg daarvan ook een andere naam, zal ook komen vast te staan dat verzoeker niet onder die andere naam is geregistreerd zodat verzoeker zich dan ook enkel identificeert door de naam [X].

Ten slotte stelt verzoeker dat indien toch wordt geoordeeld dat [X] een valse identiteit van verzoeker is, op grond van bijzondere omstandigheden zal moeten worden geconcludeerd dat de identiteit van [X] verzoeker voldoende identificeert. Immers staat vast dat verzoeker nooit een andere identiteit heeft gehad dan [X] en dat de IND niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overgelegde identiteitsbewijzen verzoeker niet identificeren.

3.2. De IND voert aan dat verzoeker zelf te kennen heeft gegeven dat hij niet [X] is, dat hij niet de zoon is van [B] en [C] en dat hij niet is geboren op [[geboortedatum 1]] 1970. De gegevens in het Koninklijk Besluit hebben dan ook geen betrekking op verzoeker. Dat niet is gebleken dat de geboorte van verzoeker in Turkije is aangegeven, maakt niet dat hij moet worden beschouwd als [X]. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat verzoeker ten tijde van het Koninklijk Besluit toch voldoende identificeerbaar was. De IND concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek.

3.3. De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het advies van de IND.

4. De beoordeling

4.1. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 30 juni 2006 (NJ 2007, 551) beslist dat onderscheid moet worden gemaakt tussen naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met ingang van 1 april 2003 en naturalisatiebesluiten van ná die datum. Voor de eerste groep geldt dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene – behoudens bijzondere omstandigheden – niet identificeert, en daarom geen rechtsgevolg heeft. Het Nederlanderschap is dan nooit verkregen. Voor de tweede groep

408216 / HA RK 11-733

13 december 2012 4

_______________________________________________________________________ __

geldt dat naturalisatiebesluiten geldig zijn en hun werking pas verliezen als zij door de minister worden ingetrokken. Intrekking is mogelijk als een naturalisatiebesluit is verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens. Nu het naturalisatiebesluit van verzoeker dateert van vóór 1 april 2003 dient de rechtbank te beoordelen of verzoeker het naturalisatiebesluit heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve

persoonsgegevens en, zo dat het geval is, of bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat verzoeker wel voldoende geïdentificeerd was.

4.2. De rechtbank overweegt als volgt. De overgelegde geboorteakte heeft betrekking op [X], op [[geboortedatum 1]] 1970 geboren als kind van [C] (moeder) en [B].

Verzoeker heeft, blijkens het proces-verbaal van zijn verhoor door de politie van 31 augustus 2002, de diverse getapte telefoongesprekken en het verslag van de hoorzitting van 9 februari 2011, te kennen gegeven dat hij niet [X] is, geboren op [[geboortedatum 1]] 1970 uit het huwelijk van [B] en [C]. Verzoeker gaat ervan uit dat hij [Z] is, geboren op [geboortedatum 2] 1970 of 1971 als natuurlijk kind van [A] en [D]. Tijdens de hoorzitting heeft hij gezegd dat de geboorteakte betrekking heeft op een kind van [C] en [B] dat is overleden toen het één jaar oud was. Van verzoekers geboorte zou geen aangifte zijn gedaan.

Uit de tapverslagen blijkt dat ook familieleden van verzoeker en [B] verzoeker niet beschouwen als de bewuste [X].

Inmiddels moet er op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek van worden uitgegaan dat [A] inderdaad de natuurlijke moeder van verzoeker is. Hiermee staat vast dat de in de geboorteakte opgenomen gegevens geen betrekking hebben op verzoeker. Verzoeker is niet het kind van [B] en [C].

Het voorgaande strookt met de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij, voor zijn komst naar Nederland na zijn zevende jaar, door zijn moeder ([A]) en door familieleden in Turkije, [Z] werd genoemd, de naam die verzoeker zelf ook nog (privé) gebruikt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de onderhavige (bij de naturalisatieaanvraag gevoegde) geboorteakte opgenomen persoonsgegeven verzoeker niet identificeren en dat verzoeker niet is [X], geboren op [[geboortedatum 1]] 1970.

Anders dan verzoeker meent, rechtvaardigt de omstandigheid dat geen gegevens bekend zijn waaruit blijkt wie verzoeker wel is niet de conclusie dat verzoeker [X] is. In zoverre is dan ook niet van belang dat niet is gebleken dat in Turkije een persoon is geregistreerd op naam van [Z], geboren [geboortedatum 2] 1970 of 1971, dat niet is gebleken dat de werkelijke identiteit van verzoeker door middel van een geboorteakte kan worden vastgesteld en dat verzoeker van jongs af aan als [X] door het leven gaat.

4.3. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verzoeker, ondanks het gebruik van onjuiste persoonsgegevens, toch voldoende identificeerbaar was. Hiervoor is nodig dat bij de instanties die de aanvraag tot naturalisatie moesten onderzoeken en beoordelen, ondanks de onjuistheid van de verschafte personalia, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan over de identiteit van verzoeker, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling heeft belemmerd. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden dat hij nooit een andere identiteit heeft gehad dan [X] en dat de IND niet heeft bewezen dat de door verzoeker overgelegde Turkse identiteitsbewijzen hem niet identificeren, zijn dat niet, nu juist die persoonsgegevens onjuist zijn gebleken.

408216 / HA RK 11-733

13 december 2012 5

_______________________________________________________________________ __

4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat verzoeker niet degene is aan wie bij Koninklijk Besluit van 14 november 1992 het Nederlanderschap werd verleend. Het besluit mist daarom ten aanzien van verzoeker rechtsgevolg.

4.5. Voor zover verzoeker zich beroept op internationale bepalingen van nationaliteitsrecht overweegt de rechtbank dat op grond van vaste rechtspraak van de Hoge

Raad aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak kan worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit.

De constatering dat het Koninklijk Besluit rechtsgevolg mist, leidt ertoe dat verzoeker nimmer Nederlander is geworden. Van ontneming of verlies van de Nederlandse nationaliteit is dan ook geen sprake zodat het door verzoeker aangehaalde artikel 8 van het Verdrag tot beperking der staatloosheid en artikelen 4 en 7 van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit toepassing missen. Ten slotte heeft verzoeker nog aangevoerd dat het onthouden van de Nederlandse nationaliteit aan verzoeker in strijd is met het EG recht, in het bijzonder vanwege artikel 17 EG-verdrag (thans artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en de daaraan gegeven uitleg in het zogenaamde Rottmann-arrest. De rechtbank overweegt in dat verband dat de situatie als in genoemd arrest in het geval van verzoeker niet aan de orde is, omdat verzoeker voorafgaand aan het naturalisatiebesluit geen burger was van de Europese Unie. Daar komt bij dat in het geval van verzoeker de Nederlandse nationaliteit nimmer door naturalisatie is verkregen. Er dan ook geen sprake van verlies van rechten als burger van de Europese Unie.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. G.L.M. Urbanus en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.