Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY9345

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
AWB-07_2430
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak. Rechtbank verwerpt grotendeels de grieven van eisers. Wel vermindering van de aanslag, omdat verweerder bij de schatting van het inkomen ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de vermenigvuldigingsfactor 1,5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding, omdat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Beroep gedeeltelijk gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0343
V-N Vandaag 2013/224

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/2430

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2012 in de zaak tussen

de erven van [X], wonende te [Z], eisers

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 20 december 2006 aan eisers voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.503 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.358. Bij deze aanslag is heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 maart 2007 de aanslag gehandhaafd.

Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 te 's-Gravenhage.

Namens eisers zijn daar verschenen [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D], [E], [F] en [G]. De zaak is gelijktijdig behandeld met AWB 07/960 en AWB 07/2971 (ten name van [H]). Eisers hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

Overwegingen

Feiten

1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag.

2. Wijlen [X] (de erflater) is geboren op [datum] 1928 en was gehuwd met [H] (de echtgenote). De erflater is op 28 april 2005 overleden. De erflater en zijn echtgenote hebben een zoon genaamd [I] (hierna: de zoon).

3. Verweerder heeft informatie ontvangen van rekeningen bij de KB Lux (hierna: het renseignement). De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens. Het renseignement luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

renseignement

4 De erflater en eisers hebben uitdrukkelijk betwist en ook nadien steeds met nadruk ontkend dat de erflater een rekening heeft aangehouden bij de KB Lux.

Aangifte en aanslagregeling voor het jaar 2003

5. De erflater heeft voor het jaar 2003, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen aangifte gedaan voor de IB/PVV. De echtgenote heeft voor het jaar 2003 wel aangifte voor de IB/PVV gedaan. Zij heeft geen huurwaardeforfait en geen binnenlandse en/of buitenlandse spaartegoeden aangegeven in haar aangifte.

6. Verweerder heeft met dagtekening 20 december 2006 aan eisers de aanslag IB/PVV over het jaar 2003 opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.503 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.358. Daarbij heeft verweerder met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2003) de helft van het eigenwoningforfait ad € 1.996, dat is € 998, aan de erflater toegerekend. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder, met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, vastgesteld op 4% van € 308.972, dat is € 12.358.

Geschil

7. In geschil is of de aanslag terecht en naar het juiste bedrag aan eisers is opgelegd, meer in het bijzonder of eisers voor het jaar 2003 kunnen worden betrokken in de heffing van de IB/PVV ter zake van inkomsten uit bij de KB Lux aangehouden tegoeden. Voorts is de in rekening gebrachte heffingsrente in geschil. Tenslotte verzoeken eisers om een immateriële schadevergoeding en om een integrale proceskostenvergoeding.

8. Eisers concluderen tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag en de beschikking heffingsrente dan wel – naar de rechtbank begrijpt – vermindering daarvan, overeenkomstig het uitgangspunt dat de erflater geen tegoeden bij de KB Lux heeft aangehouden.

9. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot op € 9.845 (overeenkomstig de vermindering voor de echtgenote voor dat jaar (zie AWB 07/2971)) en tot overeenkomstige vermindering van de heffingsrente.

10. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. De rechtbank stelt voorop dat eisers ook reeds over de jaren 1990 tot en met 2000 (IB/PVV en Vermogensbelasting) beroepsprocedures hebben gevoerd over de onderliggende problematiek (de correcties ter zake de KB Lux rekening). Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft op 28 januari 2011 uitspraak gedaan in die beroepsprocedures (procedurenummers BK-04/02986, 04/02987 en 04/02988) betreffende die jaren. De rechtbank neemt de overwegingen van het gerechtshof – voor zover thans van belang – als uitgangspunt bij de beoordeling van de onderhavige beroepsprocedures.

Verkrijging microfiches en identificatie

12. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de microfiches op onrechtmatige wijze heeft verkregen. Voorts hebben eisers de juistheid van de identificatie betwist.

13. In zijn voornoemde uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de verkrijging van de microfiches en de identificatie van (de echtgenoot van) eiseres als rekeninghouder bij de KB Lux het volgende overwogen (waarbij eisers als ‘belanghebbende’ en verweerder als ‘de Inspecteur’ zijn/is vermeld):

“Verkrijging microfiches

5.2.1. De voor het bewijs gebezigde kopieën van microfiches zijn door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse Belastingdienst verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteit geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.

5.2.2. De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KBL, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KBL hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

5.2.3. Op grond van het overwogene in 5.2.1. en 5.2.2 is het Hof van oordeel dat de microfiches door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.

5.2.4. De Belgische belastingdienst heeft in zijn brief van 27 oktober 2000 expliciet verklaard dat de fotokopieën afkomstig zijn van microfiches behorende tot de administratie van KBL. In zijn brief van 20 februari 2003 is vermeld op welke wijze de Belgische belastingdienst zich ervan heeft vergewist dat de microfiches afkomstig zijn van KBL. De Inspecteur stelt dat de valutacodes op de microfiches overeenkomen met de valutacodes van KBL en dat uit een onderzoek van de inhoud van een aantal fotokopieën is gebleken dat het microfiches zijn met rekeninggegevens bij KBL. Tegenover deze stelling heeft belanghebbende in wezen aangevoerd dat op geen enkele wijze is gebleken dat de afdruk van het microfiche afkomstig is van KBL.

5.2.5. Gelet op het gemotiveerde betoog van de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende zijn stelling aannemelijk te maken. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen enkel substantieel bewijs voor de juistheid van zijn stelling bijgebracht. Gelet op het overwogene in 5.2.3. en 5.2.4. acht het Hof aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij KBL en dat ook het onder 3.12 bedoelde microfiche, een microfiche is afkomstig uit de administratie van KBL.

Identificatie

5.3.1. Het microfiche bevat onder meer de onder 3.12 genoemde gegevens. Naar aanleiding van die gegevens heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de daarin genoemde [namen]. Het Hof acht op zichzelf aannemelijk dat de aanduidingen op het microfiche de betekenis heeft die de Inspecteur daaraan heeft gegeven. Nu bovendien belanghebbende een en ander onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, moet van die betekenis worden uitgegaan. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat op het microfiche het nummer is vermeld van een bij KBL aangehouden rekening door een persoon met de daar vermelde naam en dat die persoon op die rekening tegoeden heeft. Met behulp van de methode van onderzoek in het Draaiboek heeft de Inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als houder van die rekening. Uit het onder 3.13 aangehaalde proces-verbaal leidt het Hof af dat het onderzoek is gevolgd door een onderzoek in het handelsregister en een nader onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie. Op basis van de onderzoeksbevindingen duidt de Inspecteur belanghebbende als houder van KBL-rekening [rekeningnummer a] en sluit hij een andere mogelijkheid uit.

5.3.2. Nu het Hof dit onderzoek betrouwbaar acht, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van adequate identificatie. De Inspecteur is tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende geslaagd in het bewijs dat belanghebbende op 31 januari 1994 houder was van KBL-rekening [rekeningnummer a].”

14. Gelet hierop, in samenhang bezien met het feit dat eisers geen nieuwe gronden met betrekking tot deze stellingen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de microfiches door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht en acht de rechtbank aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij de KB Lux en dat ook het onderhavige microfiche, een microfiche is afkomstig uit de administratie van de KB Lux. Voorts acht de rechtbank gelet daarop door verweerder aannemelijk gemaakt dat de erflater op 31 januari 1994 houder was van de rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer a].

Omkering van de bewijslast

15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de erflater respectievelijk eisers niet de vereiste aangifte hebben gedaan, zodat op die grond sprake is van omkering van de bewijslast.

16. Verweerder heeft onweersproken en overtuigend gesteld dat de erflater respectievelijk eisers voor het jaar 2003, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen aangifte voor de IB/PVV heeft/hebben gedaan. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat niet de ‘vereiste aangifte’ in de zin van de artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de Awr (tekst tot 1 juli 2011) is gedaan. Dit klemt temeer daar, nu het gelet op hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen er voor moet worden gehouden dat de erflater houder was van de in het renseignement vermelde KB Lux rekening met nummer [rekeningnummer a], ook geen aangifte is gedaan van de saldi van die rekening en evenmin aangifte is gedaan van de binnenlandse tegoeden van de erflater. Dit terwijl de rechtbank het aannemelijk acht dat de verschuldigde belasting over de saldi van de binnenlandse- en buitenlandse tegoeden in het onderhavige jaar, zowel in absolute als relatieve zin, aanzienlijk was. Naar het oordeel van de rechtbank moet de erflater dan wel eisers zich daarvan ook bewust zijn geweest, evenals van de verplichting om daarvan aangifte te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, en slot, van de Awr (tekst tot 1 juli 2011) de bewijslast dient te worden omgekeerd.

17. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank gehouden het beroep, ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel a, en slot, van de Awr (tekst tot 1 juli 2011), ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is, waarbij het op de weg van eisers ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daarin niet geslaagd. De enkele, blote stelling van eisers dat de erflater geen rekeninghouder bij de KB Lux is geweest, is daarvoor onvoldoende.

Redelijke schatting

18. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen.

Het inkomen uit werk en woning/eigenwoningforfait en de binnenlandse tegoeden

19. Met betrekking tot het eigenwoningforfait en de binnenlandse tegoeden stelt de rechtbank voorop dat de echtgenote deze evenmin in haar aangifte IB/PVV over 2003 heeft aangegeven. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat ervan moet worden uitgegaan dat de erflater en de echtgenote niet hebben gekozen voor een onderlinge toedeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag, zodat op grond van het bepaalde in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst tot 2005) 50% van deze (inkomens)bestanddelen aan erflater moet worden toegerekend. De rechtbank leidt voorts uit het door de gemachtigde ter zitting gestelde af dat de omvang van het (totale) eigenwoningforfait (zie 6) en de binnenlandse bezittingen niet (meer) in geschil is. Dit brengt mee dat de bij de aanslagregeling in aanmerking genomen inkomensbestanddelen ter zake van het eigenwoningforfait en de binnenlandse tegoeden naar het oordeel van de rechtbank juist zijn berekend. In zoverre heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat sprake is van een redelijke schatting. Nu eisers tegen de overige door verweerder bij de schatting betrokken inkomensbestanddelen voor het inkomen uit werk en woning niets hebben aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat deze onjuist is/zijn, is de rechtbank van oordeel dat ook in zoverre sprake is van een redelijke schatting.

De correcties buitenlandse tegoeden

20. Verweerder heeft de rendementsgrondslag respectievelijk het inkomen uit sparen en beleggen voor het onderhavige jaar als volgt berekend:

tabel berekening rendementsgrondslag respectievelijk het inkomen uit sparen en beleggen

21. De erflater is - naar de rechtbank aannemelijk heeft geacht - houder van de voornoemde rekening bij de KB Lux geweest. De erflater noch eisers hebben opening van zaken hierover gegeven. Dit betekent dat verweerder voor de vaststelling van de over het betrokken jaar ter zake verschuldigde belasting is aangewezen op een schatting.

22. Wat betreft de gemaakte schatting leidt de rechtbank uit de gedingstukken af dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een combinatie van de gegevens op de microfiches en de verkregen gegevens van de KB Lux-rekeninghouders die hebben toegegeven een rekening bij de KB Lux te hebben of te hebben gehad.

23. Gelet op het hiervoor onder 21 en 22 overwogene gecombineerd met de ervaringen met de rekeninghouders die wel hebben toegegeven een rekening bij de KB Lux te hebben en medewerking hebben verleend, kon verweerder er redelijkerwijs van uitgaan dat de erflater ook in het onderhavige jaar houder dan wel medegerechtigde is geweest van een KB Lux-rekening. Het tegendeel is niet gebleken.

24. Verweerder heeft de hoogte van de correctie voor elk jaar gebaseerd op een modelmatige berekening. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

25. Het model voldoet, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in voormeld arrest nr. 09/03075, nog aan de hiervoor aangelegde maatstaf wanneer – gegeven het feit dat verweerder door de houding van de rekeninghouder over slechts minimale gegevens beschikt – op redelijke wijze wordt vermeden dat inkomsten uit banksaldi ten onrechte niet in de heffing worden betrokken. Dit brengt onder meer mee dat het model gegevens van de vergelijkingsgroep (waartoe meewerkers behoren) als maatstaf mag nemen zonder uit te gaan van de gemiddelden binnen die groep, en dusdoende, mits onderbouwd, rekening mag houden met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een buitenlands tegoed aanhield, als ook met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een banktegoed aanhield dat hoger is dan een – uit bekende gegevens afgeleid – gemiddelde van de vergelijkingsgroep. Het model is dus niet willekeurig of anderszins onredelijk waar het (a) ervan uitgaat dat de weigeraar in de gehele periode 1990 - 2000 (inkomsten uit) buitenlandse banksaldi had en deze niet heeft aangegeven, en (b) een individuele weigeraar wat betreft de inkomens- en vermogenscorrecties behandelt als een meewerker met de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties, na eliminatie van de zogenoemde uitschieters op basis van de zogenoemde 95 percentsnorm waarbij meewerkers met de 5 percent hoogste correcties werden geëlimineerd.

26. In aansluiting daarop ziet de rechtbank geen aanleiding over het jaar 2003 anders te oordelen. De rechtbank acht de berekening van verweerder van de correctie over dat jaar dan ook redelijk. Hierbij overweegt de rechtbank tevens dat zij de door verweerder gehanteerde oprenting van het (geschatte) vermogen van om en nabij 5% over het jaar 2003 eveneens redelijk acht.

27. Het model houdt tevens in dat de correcties bij de weigeraars als groep hoger dienen te zijn dan die bij de meewerkers als groep. Daartoe zijn de saldi en rentebaten waarvan op basis van de hiervoor vermelde uitgangspunten is uitgegaan vermenigvuldigd met een factor 1,5. Hiervoor is het argument gebruikt dat het gemiddelde saldo op microfiches bij ontkenners en weigeraars circa 1,5 maal hoger is dan bij meewerkers. Dit argument is evenwel in laatstbedoeld arrest als ontoereikend beoordeeld.

28. Vaststaat dat verweerder bij het vaststellen van de onderhavige aanslag uitgegaan is van het hiervoor beschreven model inclusief de vermenigvuldiging met de factor 1,5. In zoverre is op dat punt geen sprake van een redelijke schatting. Verweerder heeft dit erkend en in zijn pleitnota in de zaken AWB 07/960 en AWB 07/2971 een berekening opgenomen van de aangebrachte correctie waarbij de factor anderhalf is geëlimineerd. De in aanmerking te nemen rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen in verband met de buitenlandse tegoeden in het jaar 2003 bedraagt volgens verweerders nadere standpunt € 125.682.

29. Gelet op het vorenoverwogene dient het inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2003, uitgaande van de door verweerder voorgestane vermindering, als volgt te worden vastgesteld.

tabel inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2003

30. De rechtbank zal de correcties ter zake van de buitenlandse banktegoeden verminderen zoals door verweerder nader is berekend. Voor het overige leidt de berekening van verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet tot een onredelijke uitkomst over het onderhavige jaar. Met inachtneming van de eliminatie van de factor 1,5 is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke schatting van de rendementsgrondslag. Al hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd tegen de hoogte van de schatting, doet aan het vorenoverwogene niet af.

31. Overigens zal de rechtbank het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning met inachtneming van wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de, niet langer in geschil zijnde, toegepaste correcties wegens het eigenwoningforfait, handhaven.

Heffingsrente

32. Verweerder heeft gesteld dat hij de in rekening gebrachte heffingsrente conform de wettelijke bepalingen en niet te hoog heeft vastgesteld. Eisers hebben hier onvoldoende tegen aangevoerd. Wel dient de beschikking heffingsrente te worden verminderd met inachtneming van de vermindering van de onderliggende belastingaanslag. In zoverre is het beroep voor zover gericht tegen de beschikking heffingsrente gegrond.

Immateriële schadevergoeding

33. Eisers maken aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij hebben geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat sprake is van eigen schuld en dat eisers daarom geen recht hebben op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank verwerpt deze stelling van verweerder. De hier aan de orde zijnde schadevergoedingsplicht vindt zijn grond in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het is de trage besluitvorming door bestuursorgaan en/of de rechter die leidt tot die schending en, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie bij de belastingplichtige wordt geacht op te roepen. Ook als sprake is van eigen schuld laat zulks onverlet dat de belastingplichtige recht heeft op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN: BX5668).

34. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006, BNB 2005/ 337. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

35. In het hiervoor vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belanghebbende op het procesverloop.

36. Het bezwaarschrift is bij verweerder binnengekomen op 30 januari 2007. Verweerder heeft met dagtekening 20 maart 2007 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift is op 2 april 2007 bij de rechtbank ingekomen. In deze uitspraak, gedagtekend 13 december 2012, wordt voor door de rechtbank uitspraak gedaan in deze procedure.

Voor de aanvang van de redelijke termijn moet daarom worden uitgegaan van de datum 30 januari 2007.

37. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vergelijk CRvB 26 januari 2009, 05/1789 WAO + 08/4026 WAO, LJN: BH1009). In het onderhavige geval is de rechtbank echter van oordeel dat wegens de complexiteit van de zaak aanleiding is om voor de bezwaarfase een langere termijn als redelijk aan te merken. De rechtbank stelt, gelet op complexiteit van het KB Lux-project waarbij tevens meeweegt dat het in dit geval om een ontkenner gaat, de redelijke termijn voor de bezwaarfase vast op één jaar. Verder zal de rechtbank een periode van drie jaar en acht maanden aan eisers toerekenen in verband met de tijd die was gemoeid met het uitstel voor de behandeling in de beroepsprocedure. De behandeling van de onderhavige zaak in beroep is op verzoek van verweerder en met instemming van eisers aangehouden tot dat door het Hof zou zijn beslist in de hoger beroepsprocedure van de echtgenote betreffende het jaar 2001. Het verzoek om aanhouding van verweerder is op 15 augustus 2007 (in het verweerschrift) bij de rechtbank ingekomen, de toestemming tot aanhouding van eisers op 13 oktober 2008. Partijen hebben de rechtbank niet meegedeeld dat het Hof op voornoemd hoger beroep had beslist. Nadat de rechtbank bij toeval vernam dat het Hof op het hoger beroep had beslist, heeft zij bij brief van 25 mei 2012 partijen verzocht hun verhinderdata vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 door te geven. Met inachtneming van die verhinderdata is vervolgens de bewuste zittingsdatum (20 september 2012) gepland. De uitnodiging voor die zitting is op 19 juni 2012 aan partijen verzonden. Met de aanhouding van de zaak is een extra tijdsverloop gemoeid van, de periode tussen de ontvangst van de toestemming van eiseres tot aanhouding op 13 oktober 2008 en de verzending van de uitnodiging voor de zitting op 19 juni 2012, (afgerond) drie jaar en acht maanden. Naar het oordeel van de rechtbank dient de redelijke termijn in verband daarmee met drie jaar en acht maanden te worden verlengd. De rechtbank volgt eisers daarbij niet in hun stelling dat dit extra tijdsverloop in dit verband niet aan hen kan worden toegerekend. In het onderhavige geval bedraagt de totale redelijke termijn daarom zes jaar en twee maanden (één jaar bezwaarfase en anderhalf jaar plus drie jaar en acht maanden beroepsfase).

38. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 januari 2007 tot de uitspraak van de rechtbank op 13 december 2012 is nog geen zes jaar en twee maanden verstreken. Daarom is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

39. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en wegingsfactor 1). Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het bezwaarschrift en het beroepschrift vóór 1 oktober 2009 - de datum van inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 4 september 2009 (Staatsblad 2009,375), betreffende de indexering van de bedragen in de bijlage bij het Besluit - zijn ingediend. Voor een hogere vergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Anders dan eisers bepleiten, komen zij derhalve niet in aanmerking voor vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.

40. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hieronder vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.503 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.845;

- wijzigt de beschikking heffingsrente overeenkomstig bovenstaande vermindering;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 805, te betalen aan eisers;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 39 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, en mr. M.A. Dirks en mr. T. van Rij, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.