Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY9320

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
28-01-2013
Zaaknummer
AWB-07_960 en AWB-07_2971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak. Rechtbank verwerpt grotendeels de grieven van eiseres. Wel vermindering van de aanslagen, omdat verweerder bij de schatting van het inkomen ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de vermenigvuldigingsfactor 1,5. De vergrijpboetes dienen echter wel te worden vernietigd, omdat de rechtbank niet aannemelijk gemaakt acht dat eiseres, die geen (mede)rekeninghouder is bij de KB-Lux, voor de onderhavige jaren opzettelijk een onjuiste of onvolledig aangifte heeft gedaan door het niet opnemen van het (aan haar toe te rekenen) aandeel in de buitenlandse banktegoeden van haar echtgenoot. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding, omdat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Beroep gedeeltelijk gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0342
V-N Vandaag 2013/225

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/960 en AWB 07/2971

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 december 2012 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 23 december 2005 aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.156 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.542. Bij deze aanslag is een vergrijpboete van 100% (€ 2.210) opgelegd. Voorts is bij de aanslag heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 21 december 2006 aan eiseres voor het jaar 2003 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 15.612 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.358. Bij deze aanslag is een vergrijpboete van 100% (€ 2.262) opgelegd. Voorts is bij de aanslag heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 januari 2007 (betreffende het jaar 2002) en 27 maart 2007 (betreffende het jaar 2003) de aanslagen, vergrijpboetes en heffingsrenten gehandhaafd.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres zijn daar verschenen [B] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen [D], [E], [F] en [G]. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met AWB 07/2430 (ten name van de erven van [H]). Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

Overwegingen

Feiten

1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag.

2. Eiseres is geboren op [datum] 1926. Eiseres was gehuwd met [H], geboren [datum] 1928 (hierna: de echtgenoot). De echtgenoot is op [datum] 2005 overleden. Eiseres en haar echtgenoot hebben een zoon genaamd [I] (hierna: de zoon).

3. Verweerder heeft informatie ontvangen van rekeningen bij de KB Lux (hierna: het renseignement). De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens. Het renseignement luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

renseignement

4 Eiseres heeft uitdrukkelijk betwist en ook nadien steeds met nadruk ontkend dat de echtgenoot een rekening aanhoudt of heeft aangehouden bij de KB Lux.

Aangifte en aanslagregeling en boeteoplegging voor het jaar 2002

5. Eiseres heeft voor het jaar 2002 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.158. Zij heeft geen huurwaardeforfait en geen binnenlandse en/of buitenlandse spaartegoeden aangegeven in haar aangifte. De echtgenoot heeft geen aangifte gedaan voor het jaar 2002.

6. Bij brief van 1 december 2005 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen om van de ingediende aangifte IB/PVV 2002 af te wijken en een boete op te leggen. Bij brief van 19 december 2005 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de aangekondigde aanslag met een vergrijpboete zal worden opgelegd. De vergrijpboete bedraagt € 2.210, namelijk 100% van de verschuldigde belasting over de correctie ter zake van de niet aangegeven buitenlandse banktegoeden ad € 184.225.

7. Bij de aanslagregeling heeft verweerder met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2002) het belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met 50% van het eigenwoningforfait, te weten met (50% x € 1.996 =) € 998, en vastgesteld op € 15.156. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder, met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, vastgesteld op € 7.542.

Aangifte en aanslagregeling en boeteoplegging voor het jaar 2003

8. Eiseres heeft voor het jaar 2003 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.614. Zij heeft geen huurwaardeforfait en geen binnenlandse en/of buitenlandse spaartegoeden aangegeven in haar aangifte. De echtgenoot heeft geen aangifte gedaan voor het jaar 2003.

9. Bij brief van 5 december 2006 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres in kennis gesteld van zijn voornemen om van de ingediende aangifte IB/PVV 2003 af te wijken en een boete op te leggen. Bij brief van 19 december 2006 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de aangekondigde aanslag met een vergrijpboete zal worden opgelegd. De vergrijpboete bedraagt € 2.262, namelijk 100% van de verschuldigde belasting over de correctie ter zake van de niet aangegeven buitenlandse banktegoeden ad € 188.523.

10. Bij de aanslagregeling heeft verweerder met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2003) het belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met 50% van het eigenwoningforfait, te weten met (50% x € 1.996 =) € 998, en vastgesteld op € 15.612. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder, met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001, vastgesteld op 4% van € 308.972, dat is € 12.358.

Geschil

11. In geschil zijn alle op de aangiften aangebrachte correcties, te weten de correcties ter zake van het eigenwoningforfait als de correcties betreffende de heffingsgrondslag voor box 3. Voorts zijn de vergrijpboetes en de heffingsrenten in geschil. Daarnaast verzoekt eiseres om een immateriële schadevergoeding en om een integrale proceskostenvergoeding.

12. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslagen overeenkomstig de ingediende aangiften, tot vernietiging van de vergrijpboetes en tot vermindering van de heffingsrenten.

13. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep betreffende de belastingaanslag en de beschikking heffingsrente over het jaar 2002, tot gegrondverklaring van het beroep betreffende het jaar 2003 en vermindering van de correctie ter zake van de buitenlandse vermogensbestanddelen voor dat jaar zoals weergegeven in zijn pleitnota en tot overeenkomstige vermindering van de vergrijpboete en heffingsrente. Voorts concludeert verweerder tot vermindering van de vergrijpboetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

14. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

15. De rechtbank stelt voorop dat eiseres ook reeds over het jaar 2001 een (hoger) beroepsprocedure heeft gevoerd over de onderliggende problematiek (de correcties ter zake de KB Lux rekening). De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op 8 mei 2007 uitspraak gedaan in de beroepsprocedure (procedurenummer AWB 05/3121) betreffende het jaar 2001, terwijl het Gerechtshof ’s-Gravenhage op 28 januari 2011 uitspraak heeft gedaan in de hoger beroepsprocedures (procedurenummers BK-07/00391 en 07/00399) betreffende dat jaar. Op het daartegen ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad beslist in zijn arrest van 13 juli 2012, nr. 11/01273, LJN: BX0899. De rechtbank neemt de overwegingen van het gerechtshof – voor zover thans van belang – als uitgangspunt bij de beoordeling van de onderhavige beroepsprocedures.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

16. De vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is tussen partijen niet meer in geschil. Ter zitting heeft eiseres de klacht dat er nog stukken ontbreken ingetrokken.

Verkrijging microfiches en identificatie

17. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de microfiches op onrechtmatige wijze heeft verkregen. Voorts heeft eiseres de juistheid van de identificatie betwist.

18. In zijn voornoemde uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de verkrijging van de microfiches en de identificatie van (de echtgenoot van) eiseres als rekeninghouder bij de KB Lux het volgende overwogen (waarbij eiseres als ‘belanghebbende’ en verweerder als ‘de Inspecteur’ is vermeld):

“Verkrijging microfiches

5.2.1. De voor het bewijs gebezigde kopieën van microfiches zijn door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse Belastingdienst verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteit geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld.

5.2.2. De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KBL, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KBL hebben geïnitieerd of gefaciliteerd.

5.2.3. Op grond van het overwogene in 5.2.1. en 5.2.2 is het Hof van oordeel dat de microfiches door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.

5.2.4. De Belgische belastingdienst heeft in zijn brief van 27 oktober 2000 expliciet verklaard dat de fotokopieën afkomstig zijn van microfiches behorende tot de administratie van KBL. In zijn brief van 20 februari 2003 is vermeld op welke wijze de Belgische belastingdienst zich ervan heeft vergewist dat de microfiches afkomstig zijn van KBL. De Inspecteur stelt dat de valutacodes op de microfiches overeenkomen met de valutacodes van KBL en dat uit een onderzoek van de inhoud van een aantal fotokopieën is gebleken dat het microfiches zijn met rekeninggegevens bij KBL. Tegenover deze stelling heeft belanghebbende in wezen aangevoerd dat op geen enkele wijze is gebleken dat de afdruk van het microfiche afkomstig is van KBL.

5.2.5. Gelet op het gemotiveerde betoog van de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende haar stelling aannemelijk te maken. Belanghebbende is daarin niet geslaagd. Zij heeft geen enkel substantieel bewijs voor de juistheid van haar stelling bijgebracht. Gelet op het overwogene in 5.2.3. en 5.2.4. acht het Hof aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij KBL en dat ook het onder 3.12 bedoelde microfiche, een microfiche is afkomstig uit de administratie van KBL.

Identificatie

5.3.1. Het microfiche bevat onder meer de onder [3] genoemde gegevens. Naar aanleiding van die gegevens heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de daarin genoemde [namen]. Het Hof acht op zichzelf aannemelijk dat de aanduidingen op het microfiche de betekenis heeft die de Inspecteur daaraan heeft gegeven. Nu bovendien belanghebbende een en ander onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, moet van die betekenis worden uitgegaan. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat op het microfiche het nummer is vermeld van een bij KBL aangehouden rekening door een persoon met de daar vermelde naam en dat die persoon op die rekening tegoeden heeft. Met behulp van de methode van onderzoek in het Draaiboek heeft de Inspecteur belanghebbendes echtgenoot geïdentificeerd als houder van die rekening. Uit het onder 3.13 aangehaalde proces-verbaal leidt het Hof af dat het onderzoek is gevolgd door een onderzoek in het handelsregister en een nader onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie. Op basis van de onderzoeksbevindingen duidt de Inspecteur belanghebbendes echtgenoot als houder van KBL-rekening [rekeningnummer a] en sluit hij een andere mogelijkheid uit.

5.3.2. Nu het Hof dit onderzoek betrouwbaar acht, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van adequate identificatie. De Inspecteur is tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende geslaagd in het bewijs dat belanghebbendes echtgenoot op 31 januari 1994 houder was van KBL-rekening [rekeningnummer a].”

19. Gelet hierop, in samenhang bezien met het feit dat eiseres geen nieuwe gronden met betrekking tot deze stellingen heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de microfiches door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht en acht de rechtbank aannemelijk dat de microfiches gegevens bevatten van rekeningen die door de daarop vermelde personen op 31 januari 1994 worden aangehouden bij de KB Lux en dat ook het onderhavige microfiche, een microfiche is afkomstig uit de administratie van de KB Lux. Voorts acht de rechtbank gelet daarop door verweerder aannemelijk gemaakt dat de echtgenoot van eiseres op 31 januari 1994 houder was van de rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer a].

Omkering van de bewijslast

20. Op grond van artikel 27e van de Awr verklaart de rechtbank, tenzij gebleken is dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is, het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan dan wel indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge onder meer artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

21. Eiseres stelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het gehele eigenwoningforfait van de gemeenschappelijke woning alsmede de voor box 3 relevante binnenlandse tegoeden zouden aan haar echtgenoot moeten worden toegerekend. Voorts neemt eiseres het standpunt in dat zij niet heeft gehandeld in strijd met een op haar rustende inlichtingenverplichting, zodat geen sprake is van een schending van artikel 47 van de Awr. Van omkering van de bewijslast is derhalve geen sprake.

22. Verweerder heeft gesteld dat de echtgenoot voor de jaren 2002 en 2003 geen aangifte heeft gedaan. Eiseres heeft dit niet of onvoldoende weersproken. Verweerder neemt het standpunt in dat ook eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan, omdat het verzwegen inkomen dat bestaat uit de helft van het huurwaardeforfait en het forfaitaire rendement van de binnenlandse en buitenlandse tegoeden aanzienlijk is in verhouding tot het aangegeven inkomen. Voorts stelt verweerder dat eiseres niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting en dat ook deze omstandigheid omkering van de bewijslast tot gevolg heeft.

23. Met betrekking tot de omkering van de bewijslast heeft het Hof in zijn voornoemde uitspraak het volgende overwogen (waarbij eiseres als ‘belanghebbende’ en verweerder als ‘de Inspecteur’ is vermeld):

“5.4.1. De Inspecteur heeft belanghebbendes echtgenoot gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is hem erop gewezen dat hij wettelijk verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

5.4.2. Vaststaat dat belanghebbendes echtgenoot geen gegevens of inlichtingen over enige op zijn naam staande in het buitenland aangehouden bankrekening heeft verstrekt, terwijl hij reeds buiten zijn eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbendes echtgenoot over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken. Aldus heeft belanghebbendes echtgenoot niet voldaan aan zijn verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, AWR.

5.4.3. Nu het Hof heeft geconstateerd dat belanghebbendes echtgenoot houder is of is geweest van KBL rekening [rekeningnummer a], is daarmee komen vast te staan dat hij met zijn ontkenning een buitenlandse rekening te hebben of te hebben gehad, de Inspecteur een onjuiste inlichting heeft verstrekt. Ter zitting is belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich te beraden over haar processuele positie voor het geval het Hof vaststelt dat sprake is van adequate identificatie. Dit heeft niet geleid tot een nadere standpuntbepaling door belanghebbende.

5.4.4. Uit het vorenoverwogene volgt, nu belanghebbende evenmin, daarnaar gevraagd, enige informatie omtrent de KBL rekening van haar echtgenoot aan de Inspecteur heeft verstrekt, dat het Hof het beroep met betrekking tot de correctie die ziet op haar gerechtigdheid tot de tegoeden op die rekening op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, AWR ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

5.4.5. Nu de in geding zijnde correctie betrekking heeft op tegoeden bij KBL en de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de inkomstenbestanddelen waarover is geheven niet zijn aangegeven, is de aanslag in zoverre terecht opgelegd.”

24. Gelet hierop, in samenhang bezien met het feit dat eiseres ook voor de onderhavige jaren desgevraagd geen informatie aan verweerder heeft verstrekt over de KB Lux rekening van haar echtgenoot, is de rechtbank van oordeel dat zij in zoverre niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval ingevolge het bepaalde in artikel 27e van de Awr de bewijslast in zoverre dient te worden omgekeerd. Dit betekent dat de rechtbank de beroepen met betrekking tot de correcties ongegrond dient te verklaren, tenzij eiseres doet blijken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn. Eiseres is met hetgeen zij heeft aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank daarin niet geslaagd. De enkele stelling dat zij en haar echtgenoot geen buitenlandse tegoeden hebben (gehad), is daartoe onvoldoende.

25. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd tegen toepassing van de omkering van de bewijslast op grond van het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwerpt de stelling van eiseres dat zij niet verplicht was tot het verstrekken van informatie gelet op het bepaalde in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 5 april 2012, nr. 11663/04, LJN:BW5997 (Chambaz). Anders dan eiseres betoogt volgt uit voornoemd arrest niet dat eiseres zich kon en mocht onttrekken aan de op haar rustende verplichting tot informatieverstrekking in het kader van de belastingheffing voor de jaren 2002 en 2003, nu op het moment van het verzoek om informatie voor het voorgaande jaar, 2001, al een vergrijpboete was opgelegd die zijn grond vond in dezelfde omstandigheid, namelijk het onjuist of onvolledig doen van aangifte door het niet vermelden van buitenlandse banktegoeden (vergelijk ook Hoge Raad 27 februari 2004, nr. 37.465, LJN: AF5556). De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat dit arrest van de Hoge Raad is achterhaald door dan wel strijdig is met het voornoemde arrest Chambaz.

26. Nu de bewijslast reeds is omgekeerd wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiseres niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

Redelijke schatting

27. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen.

28. Verweerder heeft de rendementsgrondslag respectievelijk het inkomen uit sparen en beleggen voor de onderhavige jaren als volgt berekend:

tabel berekening rendementsgrondslag respectievelijk het inkomen uit sparen en beleggen

De correcties eigenwoningforfait en binnenlandse tegoeden

29. Met betrekking tot de correcties betreffende het eigenwoningforfait en de binnenlandse tegoeden stelt de rechtbank voorop dat de echtgenoot van eiseres voor de onderhavige jaren geen aangifte heeft gedaan, derhalve ook niet van deze inkomensbestanddelen. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat ervan moet worden uitgegaan dat eiseres en haar echtgenoot niet hebben gekozen voor een onderlinge toedeling van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag, zodat op grond van het bepaalde in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 (tekst tot 2005) 50% van deze (inkomens)bestanddelen aan eiseres moet worden toegerekend. De rechtbank leidt voorts uit het door de gemachtigde ter zitting gestelde af dat de omvang van het (totale) eigenwoningforfait (zie 7 en 10) en de binnenlandse bezittingen niet (meer) in geschil is. Dit brengt mee dat de voor de jaren 2002 en 2003 toegepaste dan wel door verweerder bepleite (zie hierna onder interne compensatie) correcties ter zake van het eigenwoningforfait en de binnenlandse tegoeden naar het oordeel van de rechtbank juist zijn berekend. In zoverre berusten deze correcties op een redelijke schatting.

De correcties buitenlandse tegoeden

30. De echtgenoot van eiseres is – naar de rechtbank aannemelijk heeft geacht – houder van de voornoemde rekening bij de KB Lux. Eiseres heeft geen opening van zaken over deze rekening gegeven. Dit betekent dat verweerder voor de vaststelling van de over de betrokken jaren ter zake verschuldigde belasting is aangewezen op een schatting.

31. Wat betreft de gemaakte schatting leidt de rechtbank uit de gedingstukken af dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een combinatie van de gegevens op de microfiches en de verkregen gegevens van de KB Lux-rekeninghouders die hebben toegegeven een rekening bij de KB Lux te hebben of te hebben gehad.

32. Gelet op het hiervoor onder 30 en 31 overwogene gecombineerd met de ervaringen met de rekeninghouders die wel hebben toegegeven een rekening bij de KB Lux te hebben en medewerking hebben verleend, kon verweerder er redelijkerwijs van uitgaan dat de echtgenoot van eiseres ook in de onderhavige jaren houder dan wel medegerechtigde is geweest van een KB Lux-rekening. Het tegendeel is niet gebleken.

33. Verweerder heeft de hoogte van de correctie voor elk jaar gebaseerd op een modelmatige berekening. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

34. Het model voldoet, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in voormeld arrest, nog aan de hiervoor aangelegde maatstaf wanneer – gegeven het feit dat verweerder door de houding van de rekeninghouder over slechts minimale gegevens beschikt – op redelijke wijze wordt vermeden dat inkomsten uit banksaldi ten onrechte niet in de heffing worden betrokken. Dit brengt onder meer mee dat het model gegevens van de vergelijkingsgroep (waartoe meewerkers behoren) als maatstaf mag nemen zonder uit te gaan van de gemiddelden binnen die groep, en dusdoende, mits onderbouwd, rekening mag houden met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een buitenlands tegoed aanhield, als ook met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een banktegoed aanhield dat hoger is dan een – uit bekende gegevens afgeleid – gemiddelde van de vergelijkingsgroep. Het model is dus niet willekeurig of anderszins onredelijk waar het (a) ervan uitgaat dat de weigeraar in de gehele periode 1990 - 2000 (inkomsten uit) buitenlandse banksaldi had en deze niet heeft aangegeven, en (b) een individuele weigeraar wat betreft de inkomens- en vermogenscorrecties behandelt als een meewerker met de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties, na eliminatie van de zogenoemde uitschieters op basis van de zogenoemde 95 percentsnorm waarbij meewerkers met de 5 percent hoogste correcties werden geëlimineerd.

35. In aansluiting daarop ziet de rechtbank geen aanleiding over de jaren 2002 en 2003 anders te oordelen. De rechtbank acht de berekening van verweerder van de correcties over de jaren 2002 en 2003 dan ook redelijk. Hierbij overweegt de rechtbank tevens dat zij de door verweerder gehanteerde oprenting van het (geschatte) vermogen van om en nabij 5% over het jaar 2003 eveneens redelijk acht.

36. Het model houdt tevens in dat de correcties bij de weigeraars als groep hoger dienen te zijn dan die bij de meewerkers als groep. Daartoe zijn de saldi en rentebaten waarvan op basis van de hiervoor vermelde uitgangspunten is uitgegaan vermenigvuldigd met een factor 1,5. Hiervoor is het argument gebruikt dat het gemiddelde saldo op microfiches bij ontkenners en weigeraars circa 1,5 maal hoger is dan bij meewerkers. Dit argument is evenwel in laatstbedoeld arrest als ontoereikend beoordeeld.

37. Vaststaat dat verweerder bij het vaststellen van de onderhavige aanslagen uitgegaan is van het hiervoor beschreven model inclusief de vermenigvuldiging met de factor 1,5. In zoverre is op dat punt geen sprake van een redelijke schatting. Verweerder heeft dit erkend en in zijn pleitnota een berekening opgenomen van de aangebrachte correcties waarbij de factor anderhalf is geëlimineerd. De correcties op de rendementsgrondslag bij eiseres in verband met de buitenlandse tegoeden bedragen dan onderscheidenlijk € 122.792 (voor het jaar 2002) en € 125.682 (voor het jaar 2003).

38. De rechtbank zal de correcties ter zake van de buitenlandse banktegoeden verminderen zoals door verweerder nader is berekend. Voor het overige leidt de berekening van verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet tot onredelijke uitkomsten over de onderhavige jaren. Met inachtneming van de eliminatie van de factor 1,5 is voor het overige naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke schatting van de correcties in verband met de buitenlandse tegoeden. Al hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd tegen de hoogte van de schatting, doet aan het vorenoverwogene niet af.

Vermindering belastingaanslagen 2002 en 2003

39. Het vorenoverwogene brengt mee dat het inkomen uit sparen en beleggen van eiseres voor de jaren 2002 en 2003 tot op de volgende bedragen zou moeten worden vastgesteld.

tabel inkomen uit sparen en beleggen voor de jaren 2002 en 2003

40. Voor het jaar 2002 betekent dit, nu verweerder bij de aanslagregeling het belastbare inkomen uit sparen en beleggen heeft vastgesteld op € 7.542, derhalve lager dan het onder 39 genoemde bedrag van € 10.229, dat de rechtbank het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen zal handhaven. Voor het jaar 2003 betekent het voorstaande dat het vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd tot op € 9.845. De vastgestelde belastbare inkomens uit werk en woning zal de rechtbank met inachtneming van wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de, niet langer in geschil zijnde, toegepaste correcties wegens het eigenwoningforfait, handhaven.

De vergrijpboetes

41. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust dat het aan opzet van eiseres is te wijten dat over het saldo op de KB Lux rekening in de onderhavige jaren te weinig inkomstenbelasting is geheven.

42. Verweerder heeft dienaangaande – kort gezegd – aangevoerd dat de echtgenoot van eiseres gedurende een reeks van jaren tegoeden op een bankrekening heeft aangehouden in een land met een bankgeheim, met de bedoeling de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, en dat eiseres, hoewel niet zijnde een medehouder van die rekening, dat ook moet hebben geweten.

43. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met alles wat hij in de van hem afkomstige stukken en ter zitting heeft aangevoerd en overgelegd niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat eiseres voor de onderhavige jaren opzettelijk een onjuiste of onvolledig aangifte heeft gedaan door het niet opnemen van het (aan haar toe te rekenen) aandeel in de buitenlandse banktegoeden. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiseres zelf geen mederekeninghouder is van de rekening bij de KB Lux. Dit brengt mee dat de vergrijpboetes dienen te worden vernietigd.

Heffingsrente

44. Verweerder heeft gesteld dat hij de in rekening gebrachte heffingsrente conform de wettelijke bepalingen en niet te hoog heeft vastgesteld. Eiseres heeft hier onvoldoende tegen aangevoerd. Het beroep voor zover gericht tegen de beschikking heffingsrente voor het jaar 2002 is dan ook ongegrond. De beschikking heffingsrente voor het jaar 2003 dient te worden verminderd met inachtneming van de vermindering van de onderliggende belastingaanslag. In zoverre is het beroep gericht tegen de beschikkingen heffingsrente gegrond.

Immateriële schadevergoeding

45. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat sprake is van eigen schuld en dat eiseres daarom geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank verwerpt deze stelling van verweerder. De hier aan de orde zijnde schadevergoedingsplicht vindt zijn grond in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het is de trage besluitvorming door bestuursorgaan en/of de rechter die leidt tot die schending en, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie bij de belastingplichtige wordt geacht op te roepen. Ook als sprake is van eigen schuld laat zulks onverlet dat de belastingplichtige recht heeft op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN: BX5668).

46. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt, dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087). Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN AO9006. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

47. In het hiervoor vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de belanghebbende op het procesverloop.

48. Het bezwaarschrift voor het jaar 2002 is bij verweerder binnengekomen op 11 januari 2006, dat voor het jaar 2003 op 30 januari 2007. Verweerder heeft met dagtekening 24 januari 2007 (2002) respectievelijk 27 maart 2007 (2003) uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroepschrift betreffende het jaar 2002 is op 6 februari 2007 bij de rechtbank ingekomen, dat betreffende het jaar 2003 op 24 april 2007. In deze uitspraak, gedagtekend 13 december 2012, wordt voor beide jaren uitspraak gedaan door de rechtbank.

49. De rechtbank zal gelet op de overwegend gezamenlijke behandeling in bezwaar en beroep, voor de bepaling van de redelijke termijn uitgaan van de ontvangst van het eerste bezwaarschrift. In casu betekent dit dat voor de aanvang van de redelijke termijn moet worden uitgegaan van de datum 11 januari 2006. De stelling van eiseres dat de vergoeding per aanslag moet worden berekend, wordt door de rechtbank verworpen. De ingediende bezwaarschriften hadden namelijk betrekking op hetzelfde feitencomplex, te weten op dezelfde niet opgegeven buitenlandse bankrekening. De procedures daarover zijn als één geheel gevoerd en hebben geresulteerd in één uitspraak van de rechtbank voor beide zaken samen. Niet aannemelijk is dat eiser meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de twee ingediende bezwaarschriften betrekking hadden op twee aanslagen, boetes en beschikkingen heffingsrente.

50. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vergelijk CRvB 26 januari 2009, 05/1789 WAO + 08/4026 WAO, LJN: BH1009). In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat wegens de complexiteit van de zaken aanleiding is om voor de bezwaarfase een langere termijn als redelijk aan te merken. De rechtbank stelt, gelet op de complexiteit van het KB Lux-project waarbij tevens meeweegt dat het in dit geval om een ontkenner gaat, de redelijke termijn voor de bezwaarfase vast op één jaar. Verder zal de rechtbank een periode van vier jaar en tien maanden aan eiseres toerekenen in verband met de tijd die was gemoeid met het uitstel voor de behandeling in de beroepsprocedure. De behandeling van de onderhavige zaken in beroep is op verzoek van verweerder en met instemming van eiseres aangehouden tot dat door het Hof zou zijn beslist in de hoger beroepsprocedure van eiseres betreffende het jaar 2001. Het verzoek om aanhouding is op 29 juni 2007 bij de rechtbank ingekomen, de toestemming tot aanhouding van eiseres op 31 juli 2007. Partijen hebben de rechtbank niet meegedeeld dat het Hof op voornoemd hoger beroep had beslist. Nadat de rechtbank bij toeval vernam dat het Hof op het hoger beroep had beslist, heeft zij bij brief van 25 mei 2012 partijen verzocht hun verhinderdata vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 door te geven. Met inachtneming van die verhinderdata is vervolgens de bewuste zittingsdatum (20 september 2012) gepland. De uitnodiging voor die zitting is op 19 juni 2012 aan partijen verzonden. Met de aanhouding van de zaak, tussen de toestemming van eiseres tot aanhouding op 31 juli 2007 en de verzending van de uitnodiging voor de zitting op 19 juni 2012, is een extra tijdsverloop gemoeid van ruim (afgerond) vier jaar en tien maanden. Naar het oordeel van de rechtbank dient de redelijke termijn in verband daarmee met vier jaar en tien maanden te worden verlengd. De rechtbank volgt eiseres daarbij niet in haar stelling dat dit extra tijdsverloop in dit verband niet aan haar kan worden toegerekend. In het onderhavige geval bedraagt de totale redelijke termijn daarom zeven jaar en vier maanden (één jaar bezwaarfase en anderhalf jaar plus vier jaar en tien maanden beroepsfase).

51. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 11 januari 2006 tot de uitspraak van de rechtbank op 13 december 2012 is nog geen zeven jaar en vier maanden verstreken. Daarom is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.

Proceskosten

52. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat tussen de twee onderhavige zaken sprake is van samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt de kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor repliek met een waarde per punt van € 322, wegingsfactor 1 en factor 1 voor samenhang). Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het bezwaarschrift en het beroepschrift vóór 1 oktober 2009 - de datum van inwerkingtreding van het Koninklijk Besluit van 4 september 2009 (Staatsblad 2009,375), betreffende de indexering van de bedragen in de bijlage bij het Besluit - zijn ingediend. Voor een hogere vergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Anders dan eiseres bepleit, komt zij derhalve niet in aanmerking voor vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.

53. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als hieronder vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen betreffende de aanslag IB/PVV over het jaar 2002 en de heffingsrentebeschikking over dat jaar ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de boetebeschikking over het jaar 2002 gegrond;

- verklaart de beroepen betreffende de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, de heffingsrentebeschikking en de boetebeschikking over dat jaar gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover die betrekking hebben op de aanslag IB/PVV over het jaar 2003, de heffingsrentebeschikking over dat jaar alsmede de boetebeschikkingen over de jaren 2002 en 2003;

- vermindert de aanslag IB/PVV over het jaar 2003 tot een berekend naar een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.612 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.845;

- wijzigt de beschikking heffingsrente over het jaar 2003 overeenkomstig bovenstaande vermindering;

- vernietigt de bij de aanslagen IB/PVV over de jaren 2002 en 2003 opgelegde vergrijpboetes;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966, te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het in deze zaken betaalde griffierecht van in totaal € 78 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, voorzitter, en mr. M.A. Dirks en mr. T. van Rij, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.