Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8987

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
Awb 12-19981
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit, heeft zich in Iran bekeerd tot het christendom en heeft aldaar huiskerken bezocht. Dit wordt door verweerder niet betwist. De uitleg die het Hof van Justitie in zijn arrest van 5 september 2012 aan artikel 2, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geeft, verzet zich naar het oordeel van de rechtbank ertegen dat verweerder in het voorliggende geval van een Iraanse christen kan en mag vergen bij terugkeer naar Iran een laag profiel aan te houden in die zin dat van het bezoeken van huiskerken wordt afgezien. Voorts is de rechtbank van oordeel dat in het ambtsbericht van 27 augustus 2012, in het licht van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 1 maart 2012 (LJN: BV8668), het beeld wordt versterkt dat ten opzichte van christenen die huiskerken bezoeken sprake is van een actief vervolgingsbeleid door de Iraanse autoriteiten. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt vawege haar geloofsovertuiging te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/19981

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 december 2012 in de zaak tussen

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Tromp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

Den Haag).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 september 2012 heeft verweerder de rechtbank verzocht om naar aanleiding van het door eiser in de beroepsgronden aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11 (Duitsland tegen Y en Z) in de gelegenheid te stellen binnen een termijn van vier tot zes weken een schriftelijke reactie in te dienen. Dat verzoek, dat door de rechtbank tevens is begrepen als een verzoek om aanhouding van het onderzoek ter zitting, heeft de rechtbank afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Op 9 juli 2009 werd eiseres opgepakt tijdens een deelname aan een demonstratie naar aanleiding van de presidentsverkiezingen. Zij werd drie dagen vastgehouden en werd daarbij slecht behandeld. Na drie dagen is zij na het ondertekenen van een verklaring vrijgekomen. Eiseres was er psychisch slecht aan toe. In de herfst van 2009 is eiseres met haar in Nederland verblijvende en tot het christendom bekeerde zus in gesprek gekomen over het christendom. Vanaf de winter van 2009 gelooft eiseres in het Heilige Boek. In de lente van 2010 komt zij er naar aanleiding van een discussie op school over geloof achter dat haar studiegenoot, [naam], bekeerd is. Via hem komt eiseres nog meer in contact met het christendom en met bijeenkomsten in huiskerken. In de herfst van 2010 bezocht eiseres voor de eerste keer een huiskerk. In totaal heeft eiseres ongeveer tien keer deelgenomen aan huiskerkbijeenkomsten. Haar laatste bezoek was ongeveer vier tot vijf maanden geleden. In december 2011 is zij voor familiebezoek naar Nederland gekomen. Een week voordat zij terug zou keren naar Iran, heeft eiseres van haar moeder vernomen dat er op 26 januari 2012 een inval heeft plaatsgevonden en dat onder andere haar bijbel en laptop in beslag zijn genomen. Nu de autoriteiten op de hoogte zijn van haar bekering, vreest eiseres de ergste straf.

2. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

Eiseres heeft de inval van 26 januari 2012 niet aannemelijk gemaakt en verder niet aannemelijk gemaakt dat zij in Iran vanwege haar christelijke geloofsovertuiging problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of medeburgers. Gelet hierop zijn er geen aanwijzingen dat eiseres thans te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76; het Vluchtelingenverdrag). Uit de door eiseres overgelegde algemene informatie over de positie van christenen en bekeerlingen in Iran kan niet worden afgeleid dat de situatie van christenen in Iran dusdanig is dat zij bij terugkeer te vrezen hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In het ambtsbericht van 25 augustus 2011 staat vermeld dat de Iraanse autoriteiten over het algemeen geen actief vervolgingsbeleid voeren jegens bezoekers van huiskerken. Zolang men een laag profiel aanhoudt, is in het algemeen nauwelijks sprake zijn van enig actief vervolgingsbeleid door de autoriteiten (zie voorts de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 januari 2011, nr. 201007538/1 (www.raadvanstate.nl)).

3. Eiseres betoogt in beroep dat volgens het genoemde arrest van 5 september 2012 niet van asielzoekers kan worden verwacht dat zij van godsdienstige handelingen afzien ter voorkoming van vervolging. Voorts voert eiseres aan dat deze rechtbank in haar uitspraak van 1 maart 2012(AWB 11/35302, LJN: BV8668) heeft geoordeeld dat (juist) uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 25 augustus 2011 en diverse andere bronnen blijkt dat er sprake is van een actief vervolgingsbeleid jegens bezoekers van huiskerken. Voorts bevat het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 augustus 2012 niet meer de veronderstelling, zoals vermeld in het genoemde ambtsbericht van augustus 2011, dat een actief vervolgingsbeleid ontbreekt. Haar bekering tot het christendom brengt wel degelijk prima facie vluchtelingenschap en schending van artikel 3 EVRM met zich, aldus eiseres. Voorts heeft verweerder haar asielrelaas niet ongeloofwaardig kunnen achten.

4. Ter zitting heeft verweerder zich wat betreft de betekenis van het genoemde arrest van het Hof van Justitie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het ambtsbericht van 27 augustus 2012 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de situatie van christenen en bekeerlingen in Iran weliswaar is verslechterd, maar niet zodanig is dat elke Iraanse christen of bekeerling zonder meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw. Verweerder handhaaft het bestreden besluit.

5. In geschil is (primair) of eiseres bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees heeft voor vervolging wegens haar christelijke geloofsovertuiging. Tussen partijen staat vast dat eiseres in Iran tot het christendom is bekeerd en zij aldaar huiskerken heeft bezocht. Eiseres stelt dat om haar geloof te kunnen belijden het voor haar belangrijk is huiskerken te kunnen bezoeken.

5.1 Ingevolge artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geldt als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder sub c, van de Definitierichtlijn wordt verstaan onder vluchteling: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is.

5.2 Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 september 2012, voor zover hier van belang, voor recht verklaard:

Artikel 2, sub c, van richtlijn 2004/83 moet aldus worden uitgelegd, dat de vrees voor vervolging van de verzoeker gegrond is zodra de bevoegde autoriteiten, gelet op diens persoonlijke situatie, van oordeel zijn dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat hij bij terugkeer in zijn land van herkomst godsdienstige handelingen zal verrichten die hem blootstellen aan een werkelijk gevaar van vervolging. Bij de individuele beoordeling van een verzoek strekkende tot het verkrijgen van de vluchtelingenstatus mogen die autoriteiten van de asielzoeker redelijkerwijs niet verwachten dat hij van deze godsdienstige handelingen afziet.

5.3 De uitleg die het Hof van Justitie in dat arrest aan artikel 2, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn ter zake gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag heeft gegeven, verzet zich naar het oordeel van de rechtbank ertegen dat verweerder in het voorliggende geval van een Iraanse christen kan en mag vergen bij terugkeer naar Iran een laag profiel aan te houden in die zin dat van het bezoeken van huiskerken, welke activiteit onmiskenbaar als een godsdienstige handeling is aan te merken, wordt afgezien.

5.4 Vervolgens rijst de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor vervolging op de grond dat uit de ambtsberichten van 25 augustus 2011 en 27 augustus 2012 blijkt dat de Iraanse autoriteiten geen actief vervolgingsbeleid voeren jegens bezoekers van huiskerken.

5.5 In de door eiseres aangehaalde uitspraak van 1 maart 2012 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“2.30 De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde en hierboven aangehaalde stukken het beeld naar voren komt dat ook ten aanzien van christenen die geen bekeringsactiviteiten verrichten, maar uitsluitend hun geloof belijden door middel van het bezoeken van huiskerken of ‘nieuwe kerken’, sprake is van vervolging. Ook in het ambtsbericht [van augustus 2011] zelf zijn passages opgenomen waaruit blijkt dat het gedogen van huiskerken indien geen evangelisatie, overlast en/of publieke activiteiten plaatsvinden is ingewisseld voor een actief vervolgingsbeleid.

2.31 Verweerder heeft ter motivering van zijn standpunt dat de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar geloof en het belijden van haar geloof niet aannemelijk is in het bestreden besluit slechts verwezen naar de passage in het ambtsbericht waarin wordt vermeld dat in het algemeen geen actief vervolgingsbeleid gevoerd wordt ten opzichte van bezoekers van huiskerken. Nu het ambtsbericht ten aanzien van deze passage geen bronvermelding bevat, terwijl uit de door eiseres overgelegde stukken een ander beeld naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor vervolging bij terugkeer, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De verwijzing ter zitting naar de brief van de minister van 19 september 2011 maakt het voorgaande niet anders. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet het standpunt van verweerder dat eiseres haar geloof kan belijden zonder dat zij een reëel risico loopt op repercussies van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.”

5.6 In het ambtsbericht van 27 augustus 2012, dat de rechtbank ingevolge het bepaalde van artikel 83 Vw bij de beoordeling van dit geschil betrekt, staat het volgende vermeld:

“3.3.3.4 Bekering en apostatie

Het is Iran als moslim niet toegestaan om van godsdienst te veranderen of het geloof op te geven.(…) Op apostasie/geloofsverzaking/geloofsafval, bekering vanuit de islam, staat volgens de sharia de doodstraf. (…) In de verslagperiode versterkte de overheid het verbod op het bekeren van moslims door nauwgezet de activiteiten van evangeliserende christenen in de gaten te houden, moslims te ontmoedigen kerkgebouwen binnen te gaan, kerken te sluiten, en christelijke bekeerlingen te arresteren.(…) Of het aantal arrestaties van bezoekers van huiskerken in de verslagperiode is toegenomen, kan bij gebrek aan nauwkeurige informatie niet exact worden beantwoord. In de verslagperiode heeft zich volgens een bron een verdere verharding voorgedaan in de houding van de autoriteiten ten opzichte van huiskerken. De christelijke organisatie Christian Solidarity Worldwide meldde wel dat in 2011 en in de verslagperiode een groeiend aantal arrestaties van leden van evangeliserende huiskerken in Iran hebben plaatsgevonden. De meeste van hen werden langdurig ondervraagd, moesten verbale en ook fysieke vernederingen ondergaan. Het merendeel werd na ondervraging vrijgelaten, maar sommigen moesten weken of zelfs maanden in de gevangenis doorbrengen. Daar werden zij blootgesteld aan ondervragingen, beroving van slaap en eenzame opsluiting. Ook werd druk op hen uitgeoefend om informatie over anderen te verstrekken of hun geloof af te zweren, voordat zij op hoge borgtocht werden vrijgelaten in afwachting van een proces. Enkelen bleven gevangen zitten, sommigen meer dan een jaar zonder enige tenlastelegging. (…) Het is niet zo dat alle bezoekers van evangeliserende kerken en/of huiskerken per definitie verdacht of beschuldigd worden van bekeringsactiviteiten. Volgens een bron wordt bezoekers evenwel aangeraden niet onder de aandacht van de autoriteiten te komen. (…) Het is niet bekend of bekeerlingen, al dan niet door de autoriteiten onder druk worden gezet of gedwongen worden geen huiskerken meer te bezoeken, bijvoorbeeld door hen documenten van deze strekking te laten ondertekenen. Een en ander valt volgens een bron echter in de praktijk niet uit te sluiten. Wel is bekend dat bekeerlingen onder druk worden gezet of gedwongen worden afstand te doen van hun nieuwe geloof. (…) Er zijn in de verslagperiode geen gevallen bekend van vervolging van bekeerlingen door private personen. Het is uiteraard mogelijk dat private personen activiteiten van bekeerlingen aangeven bij de autoriteiten. Mocht vervolging van bekeerlingen door private personen voorkomen, dan is volgens een bron bescherming door de autoriteiten zeer onwaarschijnlijk gezien de negatieve houding van deze autoriteiten jegens bekeerlingen vanuit de islam. Van eventuele problemen die vanuit Nederland teruggekeerde bekeerlingen na terugkeer in Iran hebben ondervonden, is in de verslagperiode niets bekend.”

5.7 In het licht van de hiervoor in rechtsoverweging 5.5 geciteerde overwegingen uit genoemde uitspraak van 1 maart 2012 is de rechtbank van oordeel dat in het ambtsbericht van 27 augustus 2012 veeleer het beeld wordt versterkt dat ten opzichte van christenen die huiskerken bezoeken sprake is van een actief vervolgingsbeleid door de Iraanse autoriteiten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt vanwege haar geloofsovertuiging te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5. De overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak.

6. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 mei 2012;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en draagt verweerder op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 december 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.