Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8801

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/7852 (schadestaatprocedure na heropening in de zaak AWB 06/3310)
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

militair ambtenarenrecht

schadestaatprocedure na heropening in de zaak AWB 06/3310 MAW

Verweerder heeft met zijn besluit van 3 maart 2006, gelet op de latere vernietiging van dat besluit, jegens eiser een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Deze onrechtmatige besluitvorming is aan verweerder toe te rekenen.

Oordeel over vergoeding van verschillende (reis)kostenposten, immateriële schade en schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/7852 MAW (schadestaatprocedure na heropening in de zaak

AWB 06/3310 MAW)

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. V. Dolderman),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Geurts).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak) (hierna: de Staat).

Procesverloop

Aan eiser, gewezen beroepsmilitair, aangesteld voor bepaalde tijd (BBT), is met ingang van

25 oktober 1999 ontslag uit militaire dienst verleend wegens ziekten of gebreken.

Bij afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2003 is aan eiser een suppletie-uitkering ingevolge de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Defensie toegekend en is eisers aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij te rekenen van 25 oktober 1999 recht heeft op een militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van 10%. Aangezien eiser een uitkering ingevolge artikel 120 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) heeft genoten tot 26 april 2001, wordt het militair invaliditeitspensioen toegekend met ingang van 26 april 2001.

Over de aanvankelijke weigering en de latere toekenning aan eiser van een militair invaliditeitspensioen is jarenlang geprocedeerd.

Het beroep is op 21 januari 2009 ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 februari 2009 (AWB 06/3310 MAW) het beroep van eiser deels gegrond, deels ongegrond verklaard met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en vergoeding van griffierecht. Voorts heeft de rechtbank het onderzoek heropend ter vaststelling van de door eiser gevorderde schadevergoeding.

Tegen evengenoemde uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB, hierna: de Raad, zaaknummer 09/1693 MPW).

Bij brief van 9 april 2009 heeft eisers toenmalige gemachtigde aan de rechtbank een gespecificeerde en gemotiveerde opgave gedaan van de door eiser gevorderde schade.

Bij brief van 2 september 2009 heeft verweerder op deze brief gereageerd.

Bij brief van 16 december 2009 heeft eiser, die op dat moment gedetineerd was, bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Na een dubbele wisseling van raadsman heeft de huidige gemachtigde van eiser bij brief van 21 december 2009 gereageerd op verweerders brief van 2 september 2009.

Bij brief van 22 december 2009 heeft de rechtbank eisers gemachtigde om opheldering gevraagd over de connexiteit van eisers verzoek om een voorlopige voorziening met enige andere (ambtenaarrechtelijke) procedure.

Bij brief van 23 december 2009 heeft eisers gemachtigde de rechtbank bericht dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening moest worden gelezen als een verzoek om op zo kort mogelijke termijn uitspraak te doen met betrekking tot de eerder ingediende schadeposten.

Bij brief van 23 maart 2010 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij had besloten de schadestaatprocedure aan te houden totdat in hoger beroep uitspraak zou zijn gedaan.

De Raad heeft bij uitspraak van 22 september 2011 (09/1693 MPW) de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009, voor zover aangevochten, bevestigd. Bij brief van

3 oktober 2011 heeft de Raad genoemde uitspraak aan de rechtbank toegezonden.

Bij brief van 10 oktober 2011 heeft de rechtbank eisers gemachtigde verzocht of hij nog aanvullende stukken wenste in te dienen.

Bij brief van 20 oktober 2011 heeft eisers gemachtigde de rechtbank als aanvullende kostenposten opgevoerd een tweetal bezoeken aan Utrecht in het kader van het hoger beroep bij de Raad alsmede schade in het kader van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als gevolg van twee jaar langer moeten wachten op een uitspraak van de rechtbank.

Bij brief van 5 juni 2012 heeft de rechtbank de Staat uitgenodigd als belanghebbende aan deze procedure deel te nemen.

Bij brief van 17 juli 2012 heeft belanghebbende de rechtbank medegedeeld bereid te zijn tot toekenning van een schadevergoeding van € 1.500,-- als compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank heeft partijen door middel van de kennisgeving van 14 augustus 2012 van de te houden zitting op 12 september 2012 medegedeeld dat het beroep, voor zover dit ziet op het heropende gedeelte van de procedure (de schadestaatprocedure), wordt voortgezet onder zaaknummer AWB 12/7852 MAW.

Het beroep, voor zover het ziet op de schadestaatprocedure, is op 12 september 2012 ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld.

Eiser is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De derde belanghebbende heeft zich, na schriftelijke mededeling daarvan, niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1 De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 februari 2009, AWB 06/3310 MAW (r.o. 5) overwogen dat eiser de rechtbank in dat beroep heeft verzocht, in geval van gegrond-verklaring van zijn beroep, verweerder ingevolge artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt dan wel zal gaan lijden ten gevolge van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Bij evengenoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover het betrekking heeft op verweerders besluit van 3 maart 2006 gegrond verklaard. Dat besluit is komen te vervallen bij verweerders nadere besluit van 6 november 2006, waarbij aan eiser alsnog met ingang van 25 oktober 1999 een invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit van 10%, is toegekend. De rechtbank heeft het beroep, voor zover het betrekking heeft op het besluit van 6 november 2006, ongegrond verklaard.

2 Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluitvorming dient, aangezien de Awb geen materiële criteria geeft ter bepaling van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van, met name, door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren:

- er moet sprake zijn van een daad van de overheid;

- deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

- de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen;

- de geschonden norm moet er toe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);

- er moet schade zijn; en

- er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

Gelet op het dictum van de uitspraak van deze rechtbank in de eerder genoemde beroepsprocedure ligt thans de vraag voor of eiser een schadevergoeding toekomt in verband met door hem geleden schade als gevolg van verweerders besluit van 3 maart 2006, waarbij verweerders weigering aan eiser een militair invaliditeitspensioen toe te kennen in bezwaar is gehandhaafd.

De rechtbank stelt, uitgaande van de eerder genoemde criteria, vast dat verweerder met zijn besluit van 3 maart 2006, gelet op de latere vernietiging van dat besluit, jegens eiser een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Deze onrechtmatige besluitvorming is aan verweerder toe te rekenen.

3 Bij brief van 9 april 2009 heeft eiser de schade waarvoor hij aanspraak maakt op vergoeding door verweerder nader gespecificeerd. Het betreft reiskosten die eiser heeft gemaakt in verband met verschillende onderzoeken die eiser in de bezwaar- en beroepsfase in verband met zijn aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen heeft ondergaan, in verband met het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 21 januari 2009 en de voorbereiding daarvan met eisers gemachtigde op 16 januari 2009. Voorts vordert eiser schadevergoeding in verband met de onredelijk lange procedure en wenst hij een immateriële schadevergoeding in verband met het bewust weigeren door verweerder van een militair invaliditeitspensioen.

De rechtbank is ten aanzien van deze drie posten van oordeel dat deze in beginsel in causaal verband staan tot verweerders onrechtmatige besluit en om die reden in beschouwing moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het relativiteitsvereiste geen belemmering gelegen voor dit oordeel.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er causaal verband bestaat tussen verweerders besluit van 3 maart 2006 betreffende eisers aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen en de door eiser gemaakte reiskosten in verband met de door hem ondergane medische onderzoeken in dat kader en de reiskosten in verband met de zitting van de rechtbank op

21 januari 2009 en de voorbereiding daarvan met eisers gemachtigde.

Door het ontbreken van de administratie van eiser in verband met zijn huisuitzetting heeft hij de voornoemde reiskosten afgeleid uit het beroepsdossier. Hij verzoekt om vergoeding van de door hem afgelegde kilometers op basis van de ANWB-routeplanner tegen het door werkgevers belastingvrij aan werknemers te vergoeden tarief van € 0,19 per kilometer.

Verweerder heeft zich bij brief van 2 september 2009 verzet tegen vergoeding van de opgevoerde reiskosten voor het onderzoek bij het Sinaïcentrum op 4 februari 2004 (post a.) en 19 maart 2004 (post b.), waartoe de rechtbank Roermond opdracht heeft gegeven in het kader van een beroepsprocedure over eisers aanspraken ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Verweerder meent dat deze reiskosten reeds moeten zijn vergoed door de rechtbank Roermond. Verweerder verzet zich voorts tegen vergoeding van de opgevoerde reiskosten voor het bezoek aan eisers gemachtigde en voor de reiskosten naar de zitting van de rechtbank op 21 januari 2009. Voor het overige heeft verweerder zich bereid verklaard tot vergoeding van de opgevoerde reiskosten volgens de door eiser gehanteerde maatstaf tot een bedrag van (282 + 300 + 56 + 300 = 938 km. x € 0,19 = € 178,22 (afgerond € 179,--).

Bij brief van 21 december 2009 heeft eiser de rechtbank medegedeeld dat het verweer van verweerder met betrekking tot de reiskosten onder a. en b. hout lijkt te snijden. Voor wat betreft de overige (reiskosten)posten conformeert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.

3.1 Ter zake van de door eiser opgevoerde reiskostenposten a. en b. overweegt de rechtbank dat deze kosten, zoals verweerder heeft betoogd, in de regel voor vergoeding in aanmerking komen via de rechtbank die een deskundige heeft geraadpleegd. Uit de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 januari 2005 (03/904 WAO) blijkt dat in het kader van de beoordeling op grond van de WAO een medisch deskundige van het Sinaïcentrum is geraadpleegd. Voor zover de betreffende reiskosten niet zijn vergoed, kan eiser zich tot de rechtbank Roermond wenden. Onder deze omstandigheden bestaat geen mogelijkheid deze reiskosten voor vergoeding in aanmerking te brengen.

De overige reiskosten betreffen

c. psychiatrisch onderzoek d.d. 5 december 2005, retour [A]-[B], 282 km.;

d. geneeskundig onderzoek Abp d.d. 23 augustus 2006, retour [A]-[C], 300 km.;

e. onderzoek [D] i.v.m. rapport 5 december 2005, retour [A]-[E], 56 km.;

f. gesprek [F], Abp, d.d. 7 juni 2007, retour [A]-[C], 300 km.;

g. gesprek ter voorbereiding van zitting bij gemachtigde op kantoor d.d. 16 januari 2009, retour [A]-[G], 198 km.; en

h. bijwonen zitting door eiser d.d. 21 januari 2009, retour [A]-’s-Gravenhage, 392 km..

Voor de door eiser opgevoerde posten c. tot en met f. kent de rechtbank aan eiser een schadevergoeding toe ten bedrage van € 291,-- (282 + 300 + 56 + 300 = 938 km. x € 0,19 = € 178,22 (afgerond € 179,--).

Met betrekking tot de opgevoerde posten g. en h. overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009 blijkt dat als onderdeel van de proceskostenvergoeding geen reiskosten aan eiser zijn vergoed, terwijl eiser op de zitting van 21 januari 2009 in persoon is verschenen. Eiser heeft in het kader van voornoemde proceskostenveroordeling geen vergoeding van de reiskosten als bedoeld onder g. en h. verzocht, hetgeen destijds op zijn weg zou hebben gelegen. Derhalve komen bedoelde reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking.

3.2 Bij brief van 20 oktober 2011 heeft eiser ten slotte, zonder specificatie, medegedeeld dat hij in het kader van het beroep bij de Raad nog kosten heeft gemaakt ter zake van een tweetal bezoeken aan Utrecht.

De rechtbank overweegt dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

6 november 2006 ongegrond is verklaard. Het had op de weg van eiser gelegen om dergelijke kosten aan te voeren in de procedure bij de Raad. De gestelde kosten kunnen om die reden niet in beschouwing worden genomen.

4 Ter zake van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft eiser bij eerdergenoemde brief van 21 december 2009 medegedeeld dat hij door de bewuste weigering van een militair invaliditeitspensioen ernstig is geschaad in zijn geestelijk welbevinden. Eiser is buiten staat dit anders te adstrueren dan door middel van de reeds in het geding gebrachte rapporten.

Eiser heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat ten gevolge van het besluit tot weigering van een militair invaliditeitspensioen sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW, waaraan eiser aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 16 juli 2009, LJN BJ3308) overweegt de rechtbank dat daarover in het geheel geen nadere gegevens in geding zijn gebracht.

5.1 Eiser heeft bij brief van 9 april 2009 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM). Dit verzoek betreft de periode tussen het primaire besluit van 4 augustus 2003 en de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009. Eiser vordert, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad (CRvB 26 januari 2009, LJN: BH1009), een schadevergoeding van 6 x € 500,-- = € 3.000,--.

Verweerder heeft in zijn reactie van 2 september 2009 het standpunt ingenomen dat er geen aanleiding is voor een schadevergoeding ten laste van verweerder omdat door verweerder de redelijke termijn in de beide bezwaarprocedures niet is overschreden. Aan de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009 zijn twee bezwaarprocedures voorafgegaan. De eerste bezwaarprocedure heeft 2 maanden geduurd (4 augustus 2003 tot 6 oktober 2003) en de tweede bezwaarprocedure ruim 5 maanden (26 september 2005 tot 3 maart 2006). In beide gevallen is dus geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van een halfjaar die de Raad voor een bezwaarprocedure hanteert, aldus verweerder.

Bij brief van 20 oktober 2011 heeft eiser de rechtbank in verband met de redelijke termijn medegedeeld dat hij nog weer twee jaar langer op een uitspraak van deze rechtbank en vergoeding van de schade door de wederpartij heeft gewacht.

Namens de Staat is bij brief van 17 juli 2012 uiteengezet dat de behandeling van het bezwaarschrift minder dan zes maanden in beslag heeft genomen, dat de totale duur van de procedure vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage van 3 februari 2009 vijf jaar en bijna zes maanden bedraagt. Er is mogelijk sprake van overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursfase en de rechterlijke fase van samen drie jaar en bijna zes maanden. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Roermond op 13 november 2003 en op 31 maart 2004 doorgestuurd naar de bevoegde rechtbank ’s-Gravenhage. Deze vertraging van ruim vier maanden is naar het oordeel van de Staat niet aan de rechter te wijten en mag worden afgetrokken, waardoor in deze rechterlijke fase geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

5.2 De rechtbank overweegt dat de behandeling van de onderhavige procedure, gelet op het moment van indienen van het bezwaarschrift van 12 augustus 2003 tot het moment van de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009, in totaal vijf jaar en bijna zes maanden bedraagt. Er is derhalve sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van

drie jaar en bijna zes maanden. Hierbij is inbegrepen de behandeltermijn bij de rechtbank Roermond, voorafgaand aan de doorzending van het beroepschrift, omdat ook deze termijn behoort tot de behandeling in de rechterlijke fase. Nu geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure, dient de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ten laste van de Staat te komen. De schade-vergoeding bedraagt in dit kader € 3.500,-- (7 x € 500,--).

5.3 Voor zover eiser schadevergoeding heeft gevorderd met betrekking tot de periode waarin de schadestaatprocedure is behandeld, overweegt de rechtbank dat een schadeprocedure, waarin uitsluitend de schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is, niet langer in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. In het onderhavige geval is niet alleen de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn aan de orde, doch ook andere schadeposten. Van belang is dat de separate procedure voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding niet onnodig lang mag duren. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 4 mei 2010, LJN BM4034.

De rechtbank overweegt dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2009. Eiser heeft bij brief van 9 april 2009 zijn schadeposten gespecificeerd. Verweerder heeft bij brief van 2 september 2009 een reactie gegeven op deze specificatie. Vervolgens heeft eiser bij brief van 21 december 2009 een nadere reactie gegeven op de brief van verweerder van 2 september 2009. De rechtbank heeft, in lijn met de wetsgeschiedenis bij artikel 8:73 van de Awb, partijen medegedeeld dat de schadestaatprocedure wordt aangehouden tot de Raad in hoger beroep uitspraak heeft gedaan. De Raad heeft op 22 september 2011 uitspraak gedaan op het hoger beroep. De behandeling van de schadestaatprocedure vanaf het moment van de uitspraak van de Raad van 22 september 2011 tot de uitspraak van deze rechtbank van heden bedraagt één jaar en ruim drie maanden, derhalve minder dan de redelijke termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van de schadestaatprocedure in de rechterlijke fase. Een schadevergoeding op dit punt is derhalve niet aan de orde.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 179,--;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,--;

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, mr. A.H. Bergman, rechters, en

mr. S. van Groningen, generaal-majoor b.d., in aanwezigheid van A.J. Faasse-van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.