Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8779

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
17-01-2013
Zaaknummer
429073 - FA RK 12-7719
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming voorafgaand aan echtscheidingsprocedure door pleegmoeder, niet zijnde voogd van pleegkind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 12-7719

Zaaknummer: 429073

Datum beschikking: 11 december 2012

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 11 oktober 2012 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder van na te melden minderjarige [minderjarige 1] en de pleegmoeder van na te melden minderjarige [minderjarige 2] (hierna: de moeder),

wonende te [woonplaats moeder],

advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader],

de vader van na te melden minderjarige [minderjarige 1] en de pleegvader en voogd van na te melden minderjarige [minderjarige 2] (hierna: de vader),

wonende te [woonplaats vader],

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg te 's-Gravenhage,

en

[de biologische vader minderjarige 2],

de biologische vader van na te melden minderjarige [minderjarige 2] (hierna: de biologische vader),

wonende te [woonplaats],

advocaat: -.

Als informant wordt aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

hierna: Bureau Jeugdzorg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

Op 13 november 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat, de biologische vader en mevrouw C. Bos namens Bureau Jeugdzorg.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen een bericht d.d. 28 november 2012, met bijlage, van de zijde van de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- te bepalen dat de na te melden minderjarigen het hoofdverblijf zullen hebben bij de moeder;

- toestemming te verlenen aan de moeder om de na te melden minderjarigen met de moeder mee te laten verhuizen naar [plaats] waar zij bij haar woonachtig zullen zijn op het adres [adres];

- toestemming te verlenen aan de moeder om de na te minderjarige [minderjarige 1] uit te schrijven van basisschool [naam] te [plaats] en in te schrijven op basisschool de [naam], [adres] te [plaats] en de na te melden minderjarige [minderjarige 2] per januari 2013 in te schrijven op de [naam], [adres] te [plaats],

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:

- primair de moeder te verbieden om met de kinderen te verhuizen uit de gemeente [plaats], zulks op verbeurte van een dwangsom van € 20.000,-- per dag of dagdeel, nadat de moeder, nadat twee dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen;

- subsidiair de beschikking van 2 november 2012 te wijzigen in die zin dat de moeder de kinderen dient te halen en te brengen in het kader van de voorlopige zorg- en opvoedingsregeling;

- de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure,

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- De moeder en de vader zijn gehuwd op [datum huwelijk] 1998.

- Uit dit huwelijk is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- De moeder en de vader oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige 1] uit.

- De biologische vader en mevrouw [de biologische moeder minderjarige 2] (hierna: de biologische moeder) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Uit de biologische moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 4 februari 2009 is de vader belast met de voogdij over de minderjarige [minderjarige 2].

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 februari 2012 is de minderjarige [minderjarige 2] onder toezicht van Bureau Jeugdzorg gesteld van 20 februari 2012 tot 20 februari 2013.

- Thans is bij deze rechtbank aanhangig het verzoek van de moeder tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

- Sinds het uiteen gaan van partijen verblijven de minderjarige [minderjarige 1] en de minderjarige [minderjarige 2] feitelijk bij de moeder.

- Bij beschikking d.d. 2 november 2012 heeft deze rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen - onder meer en voor zover hier van belang - bepaald dat de vader voorlopig gerechtigd is om de minderjarige [minderjarige 1] bij zich te hebben eenmaal per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot dinsdag naar school, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

Beoordeling

Verzoeken in het kader van artikel 1:253a BW

De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.

Het verzoek van de moeder ziet op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij haar. Daarnaast wenst zij vervangende toestemming te verkrijgen voor een verhuizing met de minderjarigen naar [plaats] en voor inschrijving van de minderjarigen op scholen aldaar. De moeder draagt ter onderbouwing van haar verzoek onder meer aan dat zij haar huidige woning zal moeten verlaten, aangezien de verhuurder deze woning heeft verkocht. De moeder wenst [plaats] te verlaten in verband met negatieve herinneringen die zij aan deze stad heeft. Bij een verhuizing naar [plaats] zullen de minderjarigen niet al te ver van de vader af wonen, en daarnaast bevinden zich in [plaats] scholen die aansluiten bij de levensbeschouwing van partijen. De moeder zoekt stabiliteit voor de minderjarigen en is van mening dat zij dat in [plaats] zal vinden, waarbij zij rekening heeft gehouden met de belangen van de vader.

De vader verweert zich tegen de verzoeken door zich primair te beroepen op de niet-ontvankelijkheid van het verzoek ten aanzien van de minderjarige [minderjarige 2]. De vader verzoekt, naar de rechtbank begrijpt, om afwijzing van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] en subsidiair om aanhouding van de verzoeken tot de behandeling van de echtscheidingsprocedure. De vader stelt daartoe onder meer dat een verhuizing voorafgaand aan de echtscheiding - gelet op de reisafstand tussen [plaats] en [plaats] - zijn kansen op een gelijkwaardig ouderschap na de echtscheiding verkleint. De vader staat na de echtscheiding een zogenaamd co-ouderschap voor, en een dergelijke regeling zal na de door de moeder gewenste verhuizing moeilijk uitvoerbaar zijn. Voorts betwist de vader de noodzaak van de verhuizing en acht hij het in het belang van de minderjarige [minderjarige 1] dat zij op haar huidige school kan blijven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid

De rechtbank acht de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken met betrekking tot de minderjarige [minderjarige 2], aangezien de wet geen grondslag biedt waarop de moeder de verzoeken kan baseren. De moeder is immers niet belast met de voogdij over [minderjarige 2], en evenmin is [minderjarige 2] op haar adres uit huis is geplaatst. Anders dan de moeder heeft betoogd, ziet de rechtbank geen grondslag voor analoge toepassing van artikel 1:253a BW.

Nu de moeder en de vader gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uitoefenen en het onderliggend geschil een gezagsgeschil betreft in de zin van artikel 1:253a BW, is de moeder wel ontvankelijk in haar verzoeken ten aanzien van deze minderjarige.

Nu de vader de voogdij heeft over de minderjarige [minderjarige 2] en partijen gezamenlijk zijn belast met het gezag over de minderjarige [minderjarige 1], kan de vader worden ontvangen in zijn zelfstandige verzoeken ten aanzien van beide minderjarigen.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen een echtscheidingsprocedure aanhangig is. In het kader van deze procedure wordt ingevolge artikel 815 Rv van partijen verwacht dat zij overleggen over de vraag op welke wijze zij na de echtscheiding vorm zullen geven aan hun ouderschap over [minderjarige 1]. Een beslissing waarbij reeds nu aan de moeder toestemming wordt verleend voor een verhuizing naar [plaats], zal dit overleg - en met name de gelijkwaardigheid tussen de ouders die in dit overleg uitgangspunt moet zijn - doorkruisen. Ter terechtzitting is gebleken dat partijen nog geheel niet hebben gesproken over hun ouderschap na echtscheiding. In dat licht bezien acht de rechtbank het verzoek van de moeder thans prematuur. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 13 april 2012, LJN: BV2363) brengt een en ander met zich dat het verzoek van de moeder wordt afgewezen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat van feiten en omstandigheden die maken dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat reeds nu een beslissing wordt genomen over de door de moeder gewenste verhuizing, niet is gebleken.

De vader vraagt op zijn beurt oplegging van een verbod aan de moeder om met de kinderen te verhuizen buiten de gemeente [plaats]. Nu aan de moeder geen vervangende toestemming zal worden verleend voor een verhuizing met [minderjarige 1] naar [plaats], is het haar niet toegestaan om zonder instemming van de vader met [minderjarige 1] te verhuizen naar die plaats. Gelet op de ter terechtzitting ingenomen stelling van de vrouw dat zij op korte termijn haar woning moet verlaten, en nu niet zonder meer valt in te zien dat een verhuizing binnen de regio (maar buiten de gemeente) [plaats] de kansen van de vader op een gelijkwaardig ouderschap na echtscheiding verkleint, acht de rechtbank het verzoek van de vader tot een algeheel verhuisverbod buiten de gemeentegrenzen te verstrekkend. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Wijziging voorlopige zorgregeling

Nu het primaire verzoek van de vader tot oplegging van een verhuisverbod aan de moeder zal worden afgewezen, gaat de rechtbank over tot behandeling van het subsidiaire verzoek van de vader tot wijziging van de de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Gelet op de toelichting op het subsidiaire verzoek beschouwt de rechtbank het verzoek als een voorwaardelijk verzoek, geformuleerd voor het geval aan de moeder toestemming zal worden verleend voor een verhuizing naar [plaats]. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het subsidiaire verzoek.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

verklaart de verzoeken van de moeder ten aanzien van [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] niet-ontvankelijk;

*

wijst de verzoeken van de moeder ten aanzien van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] af;

*

wijst het verzoek van de vader tot oplegging van een verhuisverbod aan de moeder af;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Brandt, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Mos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2012.