Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8705

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
AWB 07/8481 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

militair ambtenarenrecht

Bij Koninklijk Besluit (KB) is eiser ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en sub l, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR).

Gelet op artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden, in afwachting van het in rechte vaststaan van de strafrechtelijke veroordeling van eiser wegens valsheid in geschrift. Eiser is door de rechtbank Haarlem tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege het plegen van valsheid in geschrift veroordeeld. Het Gerechtshof Amsterdam heeft eiser in hoger beroep veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf in verband met valsheid in geschrift. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser vervolgens verworpen.

Met het arrest van de Hoge Raad staat op grond van artikel 8 van de MAW vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen, die de kwalificatie van wangedrag rechtvaardigen. Het ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het verweten wangedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/8481 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. C.B. Bos),

en

de Kroon, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C.H. Pot).

Procesverloop

Bij Koninklijk Besluit (KB) van 12 april 2005 is eiser met ingang van 1 mei 2005 ontslag verleend op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en sub l, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Bij brief van 14 april 2005 heeft de staatssecretaris van Defensie, onder verwijzing naar voornoemd KB, voornoemd ontslag bevestigd.

Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

De zaak is op 27 september 2012 ter zitting behandeld.

Eiser is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en kolonel b.d. E.G.M. Otterloo.

Gelet op artikel 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden, in afwachting van het in rechte vaststaan van de strafrechtelijke veroordeling van eiser wegens valsheid in geschrift. Bij arrest van

7 februari 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser verworpen.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Op 27 januari 2004 is eiser door de rechtbank Haarlem veroordeeld tot veertien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege het plegen van valsheid in geschrift. Eiser is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

1.2 Bij KB van 12 april 2005 is eiser ontslag verleend wegens wangedrag. Dit wangedrag hield verband met de bewezen gedraging en de daarop rustende strafrechtelijke veroordeling. Bij brief van 14 april 2005 heeft de staatssecretaris van Defensie, onder verwijzing naar voornoemd KB, voornoemd ontslag bevestigd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen voornoemd ontslag.

1.3 Bij arrest van 16 februari 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep eiser veroordeeld tot elf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in verband met valsheid in geschrift. Eiser is tegen dit arrest in cassatie gegaan.

1.4 Bij arrest van 7 februari 2012 heeft de Hoge Raad eisers veroordeling wegens valsheid in geschrift in stand gelaten en eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden en twee weken.

2 Eiser heeft in beroep ontkend dat hij de feiten waarvoor hij is veroordeeld heeft gepleegd. Voorts meent hij dat het ontslag onevenredig is.

3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR bepaalt dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

5 Naar vaste jurisprudentie hanteert de Raad ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Deze maatstaf is evenzeer aangewezen voor het onderhavige geval dat is gebaseerd op wangedrag. Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, indien de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

6 Met het arrest van de Hoge Raad staat tussen partijen op grond van artikel 8 van de MAW vast dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Die gedragingen rechtvaardigen de kwalificatie van wangedrag.

Niet is gebleken dat het plichtsverzuim niet aan eiser is toe te rekenen. Verweerder heeft zich derhalve bevoegd geacht ontslag wegens wangedrag te verlenen.

De rechtbank acht het ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van het verweten wangedrag. Verweerder heeft niet ten onrechte groot gewicht gehecht aan het feit dat eiser met zijn handelwijze het vertrouwen dat verweerder in eiser als integere en betrouwbare ambtenaar moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. Ook heeft verweerder mogen laten meewegen dat eiser, hoofdofficier in de rang van majoor, een voorbeeldfunctie bekleedde.

7 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, mr. S.A. Steinhauser en M.P. Celie, militair lid, in aanwezigheid van A.J. Faasse-van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.