Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8686

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
AWB 11/8315
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toezegging NAVO-status en de daaraan verbonden belastingfaciliteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/8315

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: F. Rietveld),

en

de minister van Defensie, verweerder,

(gemachtigde: mr. T.P. Jellema).

Procesverloop

Bij rekest van 28 maart 2011 heeft eiser gevraagd hem een schadeloosstelling toe te kennen voor het missen van belastingfaciliteiten.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder dit rekest afgewezen.

Eiser heeft bij brief van 10 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft eiser tevens verzocht om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen (IBM).

Bij besluit van verweerder van 16 september 2011 is eisers bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 december 2011 heeft de Hoofddirecteur Personeel, namens verweerder, het verzoek om toepassing van artikel 26 van het IBM afgewezen.

Verweerder heeft de stukken overgelegd en bij brief van 8 december 2011 een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft de rechtbank bij brief van 12 december 2011 het besluit van verweerder van

7 december 2011 toegezonden. Bij brief van 21 februari 2012 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld, in die zin dat de gronden eveneens zijn gericht tegen het besluit van verweerder van 7 december 2011.

Verweerder heeft bij brief van 28 maart 2012 een aanvullend verweerschrift ingediend en medegedeeld dat hij zich kan vinden in rechtstreeks beroep.

Het beroep is op 12 september 2012 ter zitting behandeld.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman F. Rietveld, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.P. Jellema, voornoemd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser, adjudant-onderofficier der Koninklijke Landmacht (KL), is bij besluit van

11 mei 2010 de functie van Locatiemanager bij het Diensten Centrum Internationale Ondersteuning Defensie/Nationale Support Eenheid (DCIOD/NSE) met standplaats NATO Headquarters te Brussel (België) toegewezen per 1 juli 2010, met verwachte einddatum 1 mei 2013.

1.2 Toen eiser deze functie was gaan vervullen, bleek dat aan deze functie geen belastingfaciliteiten waren verbonden. Nadat hij dit had aangekaart heeft de organisatie het via een omweg, te weten door administratieve indeling van eiser bij de Koninklijke Marine Oostende met de hulp van majoor [A] (bij Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE) werkzaam voor het DCIOD), toch mogelijk gemaakt dat eiser belastingfaciliteiten ging genieten.

1.3 Bij rekest van 28 maart 2011 heeft eiser gevraagd hem een schadeloosstelling ad

€ 2048,40 toe te kennen voor het missen van belastingfaciliteiten. Hij stelde in dat verband dat hij, door het niet tijdig verlenen van de juiste status, bepaalde aanspraken heeft gemist. Zo heeft hij

1) teveel houderschapsbelasting betaald voor zijn personenauto, ter hoogte van

€ 585,-- (4,5 maanden motorrijtuigenbelasting à € 130,-- per maand);

2) teveel accijns op dieselbrandstof betaald. Eiser gaat uit van een berekening op basis van een gemiddelde marktprijs van € 1,25 t.o.v. € 0,66 accijnsvrij. Eiser stelt dat hij in 9 maanden tijd de beschikking zou hebben gehad over 1800 liter dieselbrandstof. Eiser stelt

€ 1.062,-- (1800 x € 0,59) teveel aan accijns te hebben betaald;

3) teveel accijns op rookwaren betaald. Eiser gaat uit van een berekening op basis van

een gemiddelde marktprijs van € 48,-- per 10 pakjes. Eiser stelt dat hij recht zou

hebben gehad op 40 pakjes per maand, maar dat hij zelf 20 pakjes per maand

verbruikt. Hij stelt dat het verschil in kosten € 4,80 - € 2,57 = € 2,23 x 18

rantsoenen (9 maanden) = € 401,40 bedraagt.

Hij verzocht om toekenning van een totaal bedrag van € 2.048,40.

1.4 Bij besluit van 3 mei 2011 heeft de Commandant DCIOD eisers rekest afgewezen. Daartoe is overwogen dat belastingvrijstellingen worden gegeven door het gastland. Defensie (of Nederland) heeft deze mogelijkheid niet. Het vervullen van een functie op de NSE wil niet zeggen dat automatisch belastingfaciliteiten aan deze plaatsing zijn verbonden

1.5 Bij het bestreden besluit van 16 september 2011 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Voorts is medegedeeld dat de verwijzing naar artikel 26 van het IBM is opgevat als een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. Als zodanig is het doorgeleid naar de Hoofddirecteur Personeel.

1.6 Bij besluit van 7 december 2011 heeft de Hoofddirecteur Personeel, namens verweerder, het verzoek om toepassing van artikel 26 van het IBM afgewezen.

2. Standpunten van partijen.

2.1 Verweerder heeft zich in zijn besluit van 16 september 2011 op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 115 van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) niet aan de orde is.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn bezwaar beoogt een verklaring te verkrijgen, inhoudende dat hem niet tijdig de NAVO-status is toegekend. Verweerder meent dat de NAVO-status een status van rechtswege is. Indien is voldaan aan het gestelde in het Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten en de Regeling aanduiding NAVO-status, heeft men de NAVO-status. Dit betekent echter niet dat de betreffende functionaris automatisch gebruik kan maken van belastingfaciliteiten van het land waar men geplaatst is. Daartoe is ook vereist dat dit land de NAVO-status heeft erkend. De Belgische autoriteiten hebben de NAVO-status van personeel werkzaam bij NSE Brussel niet erkend. Hierom kan eiser geen belastingfaciliteiten zijn misgelopen omdat de commandant te laat zou zijn met registreren.

Verweerder meent dat eiser geen schade heeft geleden, maar mogelijk voordeel is misgelopen. Voor een schadeloosstelling is geen plaats.

Eiser is alsnog via een omweg onverplicht in aanmerking gebracht voor dergelijke faciliteiten doordat hij administratief is ondergebracht bij de Koninklijke Marine Oostende. Deze organisatie heeft een bilaterale overeenkomst met België. De registratie van het personeel en het faciliteren van de mogelijkheden gebruik te maken van de uit die overeenkomst voortvloeiende belastingfaciliteiten loopt via Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE). Hierdoor heeft eiser halverwege november 2010 zijn auto onder SHAPE-kenteken kunnen registreren en kon hij per mei 2011 gebruik maken van belastingfaciliteiten voor onder meer drank en sigaretten. Deze omweg heeft niets te maken met een (late) registratie van een NAVO-status door de commandant.

Voor zover eiser heeft verwezen naar het e-mailbericht van majoor [B] van

15 juni 2011, waarin wordt verwezen naar brieven van 20 augustus 2009 en 31 mei 2010, heeft verweerder gesteld dat het in die gevallen ging om plaatsing bij het Implementation Team (IMT) van het European Transport Command (EATC) in België, waarbij kort na aanvang van de werkzaamheden duidelijk was welke status België zou toekennen aan de bij het IMT geplaatste militairen, te weten de EU-status. Dit doet zich bij eiser niet voor. Bovendien ging het in die gevallen om een internationale functie, terwijl eiser een nationale functie bekleedt.

Wat de hardheidsclausule betreft stelt verweerder zich op het standpunt dat de NAVO-status een status van rechtswege is. België verleent ter zake van het vervullen van een nationale Nederlandse functie bij NSE te Brussel geen belastingfaciliteiten. Uiteindelijk is eiser via onderbrenging bij de Koninklijke Marine Oostende wel in het genot gesteld van belastingfaciliteiten. Het verlenen van belastingfaciliteiten door een gastland is geen Nederlandse aangelegenheid. Gevolgen, van welke aard dan ook, voor het al dan niet verlenen van die belastingfaciliteiten komen dan ook niet voor rekening van Defensie.

2.2. Eiser heeft aangevoerd dat de NAVO-status, zoals bevestigd door verweerder in het besluit van 16 september 2011, een status van rechtswege is ingevolge het Noord-Atlantisch Verdrag en de Regeling aanduiding NAVO-status. Vereist is dat er een verdrag is tussen de Belgische Staat en de Nederlandse Staat. De Belgische autoriteiten hebben de NAVO-status van personeel werkzaam bij de NSE Brussel niet erkend. Eiser heeft zich onmiddellijk bij plaatsing willen inboeken bij diverse instanties om de NAVO-status te verkrijgen. Dit is hem niet gelukt, vanwege het feit dat geen verdrag terzake is gesloten tussen België en Nederland. Daarbij werd hem gemeld dat men, indien geen sprake is van een dergelijk verdrag, ten hoogste drie maanden mag verblijven in de desbetreffende staat. Daarna moet men zich inschrijven in een Belgische gemeente. Eiser meent dat verweerder zich niet heeft gedragen als een goed werkgever, zoals bedoeld in artikel 12bis van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW). Eiser verwijst hiertoe naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 6 januari 2011, LJN BP1535). Eiser stelt dat hij een persoonlijke voorlichting heeft gekregen op 24 juni 2010, door Eerste Luitenant [C] van het Diensten Centrum Buitenland. Daarbij is medegedeeld dat hij, omdat hij door de plaatsing in België een NAVO-status heeft, recht heeft op bepaalde belastingfaciliteiten. Dit is hem bevestigd in een e-mailbericht door KLTZ [D]. Eiser doet dan ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Doordat hem de beloofde belastingfaciliteiten zijn onthouden, heeft hij schade geleden.

Wat betreft de hardheidsclausule heeft eiser aangevoerd dat in de jurisprudentie is bepaald dat de hardheidsclausule dient te worden gezien als een uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen (CRvB 6 januari 2011, LJN BP1535). Verweerder heeft niet aangetoond dat hij zijn verplichting is nagekomen om zodanige maatregelen te treffen dat eiser bij plaatsing op de functie geen schade zou kunnen leiden. Aan eiser zijn per datum plaatsing zelfs de beloofde belastingfaciliteiten onthouden, waardoor schade is opgetreden. Eiser meent dat hij schadeloos dient te worden gesteld.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1. Niet in geschil is dat de toepasselijke regelingen niet voorzien in belasting-faciliteiten in eisers situatie. Tijdens de hoorzitting in het kader van de bezwaarschrift-procedure heeft hij immers aangegeven dat verweerder het zijns inziens ten onrechte in de NAVO-status zoekt. Voor zover zijn betoog er toe strekt dat verweerder er voor had moeten zorgen dat in zijn geval van aanvang af aan de voorwaarden voor het genieten van belastingfaciliteiten had moeten zijn voldaan, treft het geen doel. Een dergelijke gehoudenheid van verweerder kan niet uit algemeen verbindende voorschriften of algemene rechtsbeginselen worden afgeleid.

3.2. Dit zou wellicht anders zijn, indien aan eiser, voorafgaande aan zijn functievervulling in Brussel, een onvoorwaardelijke en concrete toezegging zou zijn gedaan dat hij daar de NAVO-status, inclusief de daaraan verbonden belastingfaciliteiten, zou hebben. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat Eerste Luitenant [C] hem en zijn echtgenote op 24 juni 2010 tijdens een persoonlijke voorlichting, een dergelijke toezegging heeft gedaan. Verweerders gemachtigde betwist, na [C] gesproken te hebben, de juistheid van deze stelling. De rechtbank stelt vast, dat eiser zijn stelling niet door middel van een verklaring van [C] heeft onderbouwd. Evenmin heeft hij [C] als getuige voorgebracht. Gelet hierop kan de rechtbank er niet van uitgaan, dat eiser toezeggingen als hiervoor bedoeld zijn gedaan. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel wordt daarom afgewezen. Ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit van 16 september 2011 leiden. Tussen de gevallen waarop eiser zich beroept en zijn geval bestaan, wat status betreft, rechtens relevante verschillen, hetgeen eiser thans ook niet wezenlijk bestrijdt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om eisers beroep aan te houden en [C] als getuige op te roepen. Daartoe overweegt de rechtbank dat dit verzoek thans te laat is en eiser bovendien zelf niet een begin van bewijs heeft geleverd van het bestaan van een toezegging.

3.3. Resteert eisers beroep op de hardheidsclausule. Eiser zoekt het onrechtmatig gedrag van verweerder in de te late aanmelding bij SHAPE en meent dat dat reden moet zijn voor toepassing van de hardheidsclausule.

De rechtbank overweegt dat op zich kan worden volgehouden, dat sprake is van een bijzondere hardheid. Eiser was de eerste die in deze nieuwe functie werd geplaatst, en dat kan er de oorzaak van zijn dat bij aanvang van de functievervulling nog geen volledig inzicht bestond in de status en de faciliteiten die aan deze functievervulling verbonden waren Terecht is jegens eiser dan ook een gebaar gemaakt, door hem via een creatieve omweg alsnog, vanaf het tijdstip waarop de omweg was aangelegd, voor de betreffende faciliteiten in aanmerking te laten komen. Vastgesteld kan worden dat eiser geen recht op toepassing van deze omweg had, zodat het creëren van deze omweg als een teken van goed werkgeverschap kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel, dat verweerder op deze wijze voldoende in de hardheid heeft voorzien en in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om het daarbij te laten.

4. De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, A.H. Bergman, rechters, en S. van Groningen, generaal-majoor b.d., in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.