Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8632

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/3130 en AWB 12/4895
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving geluidnormen Activiteitenbesluit. De meting van 7 januari 2012 mag niet worden gebruikt ter bepaling van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maar wél t.a.v. het maximale geluidniveau. Het bestreden besluit wordt geheel vernietigd. Derhalve wordt ook het nadien genomen invorderingsbesluit vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/216 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/3130 en AWB 12/4895

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2012 in de zaken tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr.drs. J. Wildschut),

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder,

(gemachtigde: W.M. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) binnen één dag geheel te beëindigen en beëindigd te houden door er zorg voor te dragen dat zijn inrichting binnen de geluidnormen blijft als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Indien hieraan niet wordt voldaan verbeurt eiser een dwangsom van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 25.000,00 (met een submaximum van € 2.500,00 per dag).

Eiser heeft bij brief van 10 februari 2012 tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 27 februari 2012 zijn de bezwaargronden aangevuld.

Partijen hebben ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestemd met rechtstreeks beroep.

Het bezwaarschrift is door verweerder ter behandeling als beroepschrift doorgezonden en ingekomen bij de rechtbank op 11 april 2012 (zaaknummer AWB 12/3130).

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Op 31 mei 2012 heeft verweerder een invorderingsbesluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en M.K. Moerman, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Het onderzoek is ter zitting van 5 juni 2012 geschorst. Hierbij is bepaald dat eiser binnen twee weken een gemotiveerd bezwaarschrift tegen het genomen invorderingsbesluit overlegt.

Bij brief van 18 juni 2012 heeft eiser het bezwaarschrift van gelijke datum overgelegd, dat met toepassing van artikel 7:1a van de Awb gevoegd met het beroepschrift tegen het primaire besluit wordt behandeld (zaaknummer AWB 12/4895).

Verweerder heeft een verweerschrift uitgebracht.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten.

Overwegingen

Zaaknummer AWB 12/3130

1. Eiser exploiteert sinds 1 maart 2011 een bedrijf voor het inzamelen van (afval)metalen op de locatie [a-straat 1] te [plaats]. Het bedrijf is niet gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Op een afstand van ongeveer vijf meter van de grens van eisers bedrijf, liggen de woningen [a-straat 2 en 3].

2. Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, zijn in Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor zover hier van belang, vergunningplechtige inrichtingen aangewezen.

Vaststaat dat de onderhavige inrichting niet in Bijlage I van het Bor is opgenomen en ook niet op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor vergunningplichtig is, zodat op de inrichting de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximaal geluidniveau (LAmax) bedraagt niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

3. Tijdens een controlebezoek van 16 april 2011 is geluid afkomstig van de inrichting, veroorzaakt door het sorteren van metalen, in de dagperiode meerdere keren door een toezichthouder gemeten bij één van de twee nabijgelegen woningen. Een aantal meetgegevens is hierbij niet meegenomen, omdat die vanwege stoorgeluiden ter plaatse geen representatieve weergave vormden van het te bemeten geluid. Na berekening is aan de hand van representatieve metingen een overschrijding vastgesteld van 8 dB(A) op de geldende norm voor het LAr,LT van 50 dB(A) en 4 dB(A) op de norm voor het LAmax van 70 dB(A).

4. Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam op basis van de uitkomsten van deze meting aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, geheel te beëindigen vanaf één dag na de datum van verzending van de beschikking.

5. Bij uitspraak van 9 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het door eiser tegen dat besluit ingediende verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

6. Bij besluit van 3 oktober 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders het besluit van 28 juni 2011 ingetrokken, omdat gebleken was dat dat besluit onbevoegd was genomen.

7. Op 7 januari 2012 is, rekening houdend met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2011, een nieuwe geluidmeting uitgevoerd waarbij volgens verweerder is geconstateerd dat de geluidgrenswaarden nog steeds worden overschreden. Op basis daarvan is het bestreden besluit genomen.

8. Eiser heeft de deugdelijkheid van de geluidmetingen waarop het bestreden besluit berust betwist. Op de aangevoerde argumenten daartoe wordt hierna ingegaan.

9.1 Eiser heeft primair aangevoerd dat de metingen van 7 januari 2012 niet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de handleiding). Er is onder meer op een onjuiste positie en hoogte gemeten, zodat het bepaalde LAr,LT op die locatie niet als representatief kan worden beschouwd.

9.2. De rechtbank stelt vast dat op 4 meter van de achtergevel van de woning [a-straat 3] is gemeten. In het meetverslag van 7 januari 2012 is vermeld dat de microfoonhoogte 1,5 meter heeft bedragen, hetgeen conform paragraaf 3.6.1 van de handleiding (module B) is. De ter zitting door partijen getoonde foto’s en de door verweerder daarbij gegeven toelichting geven geen aanleiding aan deze hoogte te twijfelen. Het immissiepunt (meetpunt) ligt volgens de handleiding op het beoordelingspunt of daar zodanig dichtbij dat er geen verschil in uitkomst tussen het immissiepunt en het beoordelingspunt wordt verwacht. Deze beroepsgrond faalt.

10.1 Eiser stelt dat uitgegaan had moeten worden van een bedrijfsduur van ten hoogste de periode gedurende welke de metingen hebben plaatsgevonden, zijnde 3,5 uur. De met name voor de geluidbelasting verantwoordelijke kraan is slechts tussen de 3,3 en 5,4 uur per dag operationeel. De bedrijfsduurcorrectie had niet op 0,5 dB(A) vastgesteld moeten worden. Niet is aangetoond dat het gemeten geluidniveau zich de hele dag voordoet en dat in het bedrijf de geluidsbelasting fluctueert, omdat verschillende machines worden gebruikt die niet dezelfde geluidsbelasting veroorzaken.

10.2 Verweerder heeft een bedrijfsduurcorrectie toegepast van 0,5 dB(A) op basis van een bedrijfstijd van 10,8 uur, hetgeen is gebaseerd op het aantal uren genoemd in het akoestisch rapport van Adromi van 9 februari 2011, dat eiser bij de melding op grond van het Activiteitenbesluit in het kader van de oprichting van de inrichting heeft ingebracht. Volgens dit rapport wordt in een representatieve situatie in de bedrijfshal een hoog binnengeluidniveau geproduceerd dat gedurende de dagperiode 10,8 uur optreedt gedurende zes dagen per week.

10.3 Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder uitgaan van de bedrijfsduur die is aangegeven in het akoestisch rapport van 9 februari 2011. In dit rapport is immers de representatieve bedrijfssituatie aangegeven. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat de in dit rapport aangegeven representatieve bedrijfssituatie niet juist is of inmiddels is gewijzigd. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat de vastgestelde geluidniveaus zich maar een gedeelte van de dag voordoen. Deze beroepsgrond faalt.

11.1 De gevelreflectiefactor had volgens eiser tenminste 1 dB(A) moeten bedragen, omdat de belangrijkste geluidbronnen zich achter de achtergevel van de woning [a-straat 3] bevinden en de gehele westgevel van het bedrijfsgebouw geluid afstraalt in de richting van de woning. De in het besluit beschreven voorstelling van de bedrijfsactiviteiten als een puntbron is onjuist.

11.2. Naar de mening van verweerder komt het geluid vanaf de zijkant van het bedrijfsgebouw en is er daarom geen reflectie vanaf de achtergevel.

11.3. De rechtbank acht het, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat de gehele gevel van het bedrijfsgebouw geluid afstraalt. Van puntbronnen die in de richting van de woning stralen is dan ook geen sprake. Verweerders stelling dat het meetpunt zodanig is gekozen dat daarmee reflectie aan de gevel van de woning wordt voorkomen komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat door de keuze van het meetpunt een verschil in uitkomst met het beoordelingspunt, zijnde de gevel van de woning, wordt verwacht. Het stellen van de gevelreflectiefactor op nul acht de rechtbank dan ook juist. Deze beroepsgrond faalt.

12.1. Eiser stelt dat de berekende toeslag van 5 dB(A) vanwege het impulskarakter van het vallen van metaal ten onrechte is toegepast, omdat er geen sprake is van impulsgeluid, zoals dat in de handleiding is omschreven. Hij stelt dat het vallen van metalen weliswaar piekgeluiden veroorzaakt, maar geen scherpe piekbelasting, en dat het repetitieve karakter van impulsgeluid ontbreekt.

12.2. In paragraaf 2.3 van de handleiding (module A) is omtrent impulsachtig geluid het volgende vermeld: “Bij impulsachtig geluid komen in het geluidsbeeld geluidsstoten voor die minder dan één seconde duren en een zekere repetitie kennen. Als criterium geldt dat het impulsachtig karakter duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt.”

12.3. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, gelet op paragraaf 2.3 van de handleiding, het regelmatig van grote hoogte storten van metalen en het daarbij optredende schrikeffect als impulsachtig geluid aanmerken. Een toeslag van 5 dB(A) mocht dan ook in rekening worden gebracht. Deze beroepsgrond faalt.

13.1. Uit het meetrapport blijkt dat een correctie voor stoorgeluid van 2,3 dB(A) is toegepast, hetgeen volgens eiser, gelet op de meetwaarden, 4,9 dB(A) had moeten zijn.

13.2. Ter zitting is de juistheid van deze beroepsgrond namens verweerder bevestigd, hetgeen ertoe leidt dat de meting van 7 januari 2012 niet mag worden gebruikt ter bepaling van het LAr,LT. In paragraaf 3.8 van module B van de handleiding is vermeld dat de correctiefactor voor het stoorgeluid alleen mag worden toegepast wanneer het stoorgeluidniveau meer dan 3 dB(A) onder het gemeten geluidniveau van de bron met stoorgeluid ligt. In andere gevallen is sprake van een ongeldig meetresultaat en dient een nieuwe meting verricht te worden.

13.3. Aangezien het stoorgeluidniveau blijkens de meting van 7 januari 2012 54,8 dB(A) bedraagt en het gemeten geluidniveau op 56,5 dB(A) uitkomt, bedraagt het verschil slechts 1,7 dB(A), zodat de meting op grond van de handleiding niet mag worden gebruikt voor het bepalen van het LAr,LT. Deze beroepsgrond slaagt.

14.1. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat de meting van 7 januari 2012 in ieder geval wel juist aangeeft dat het piekniveau wordt overschreden.

14.2. Aangezien het verschil tussen het LAmax aanzienlijk meer dan 3 dB(A) boven het stoorgeluidniveau lag (73,7 – 54,8 = 18,9 dB(A)) is het meetresultaat voor het LAmax naar het oordeel van de rechtbank wel geldig. De gemeten waarde van het maximaal geluidniveau, zijnde 73,7 dB(A), is immers meer dan de 70 dB(A) die is toegestaan voor het LAmax in de dagperiode, zodat sprake is van een overtreding van artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Aangezien de last onder dwangsom is opgelegd zonder bij de vaststelling van de hoogte of het maximum van de dwangsom onderscheid te maken naar het overtreden van de grenswaarden voor het LAr,LT dan wel het LAmax, moet het bestreden besluit toch geheel worden vernietigd.

15. Het beroep met zaaknummer AWB 12/3130 is gegrond en het bestreden besluit van 18 januari 2012 wordt wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigd.

Zaaknummer AWB 12/4895

16. Tijdens een op 13 maart 2012 uitgevoerde geluidmeting is volgens verweerder geconstateerd dat het bedrijf van eiser zowel ten aanzien van het LAr,LT (9 dB(A) overschrijding) als het LAmax (1 dB(A) overschrijding) artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet naleeft.

17. Bij besluit van 31 mei 2012 heeft verweerder meegedeeld dat door deze constateringen van rechtswege een dwangsom ad € 2.500,- is verbeurd, welk bedrag binnen zes weken moet worden overgemaakt.

18. Het bij brief van 18 juni 2012 door eiser tegen het invorderingsbesluit van 31 mei 2012 gemaakte bezwaar wordt op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb gevoegd met de procedure tegen het besluit van 18 januari 2012 behandeld.

19. Aangezien het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom dat ten grondslag ligt aan het besluit van 31 mei 2012 is vernietigd, moet ook het besluit van 31 mei 2012 worden vernietigd.

20. Bovendien volgt uit de meting van 13 maart 2012 dat de overschrijding van het LAmax slechts 1 dB(A), hetgeen blijkens de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 juni 2008 (LJN: BD5076) en 18 juli 2012 (LJN: BX1884) valt binnen de meettolerantie. De conclusie is dan ook dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat ten aanzien van het LAmax sprake was van een overschrijding. De in het verweerschrift genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2003 (LJN: AH9427) kan niet tot een andere conclusie leiden, omdat die zaak geen handhavingskwestie, maar een vergunningverlening betrof.

21. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit van 31 mei 2012 wordt eveneens wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigd.

Slotsom

22. De beroepen zijn gegrond en beide bestreden besluiten worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op de bezwaarschriften te beslissen. Met name dient verweerder opnieuw te beslissen over het handhaven van de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van de overtreding van de grenswaarden voor het LAmax en de eventuele invordering van een op grond daarvan verbeurde dwangsom.

23. Verweerder wordt in de door eiser gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van 2 beroepschriften en het verschijnen ter zitting) 3 punten worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 12/3130 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 januari 2012;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 12/4895 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 mei 2012;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 156,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1311,00, welk bedrag aan eiser moet worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. M.J. van den Bergh en

mr.drs. H.M. Braam, rechters, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.