Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY8428

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
11/4695
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Belanghebbende, met de Belgische nationaliteit, woont in het onderhavige jaar in Nederland. Belanghebbende heeft tot zijn pensioen in dienstbetrekking gewerkt bij een in België gevestigde werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank is het Nikula-arrest op de juiste wijze toegepast. De rechtbank is niet bevoegd om een oordeel te vormen over een geschil omtrent de nominale premies voor de zorgverzekering, nu deze premies niet in de aanslag zijn vervat en overigens ook niet door de belastingdienst worden geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0209
V-N Vandaag 2013/110
V-N 2013/8.18.18

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/4695

Uitspraakdatum: 16 augustus 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Terneuzen,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 11 mei 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.506 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.863 (aanslagnummer [nummer].H.86) en de aan hem over het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 38.888 (aanslagnummer [nummer].W86).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2012 te Middelburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag met het bedrag van de premie AWBZ, inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en premie Anw met € 4.967;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- verklaart zich onbevoegd voor wat betreft de nominale premie voor de zorgverzekering;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 11;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren in 1941 met de Belgische nationaliteit, woont in het onderhavige jaar in Nederland. Belanghebbende heeft tot zijn pensioen in dienstbetrekking gewerkt bij een in België gevestigde werkgever. Belanghebbende was dit jaar vrijwillig verzekerd voor medische kosten in België bij DKV (hospitalisatieverzekering). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft belanghebbende met terugwerkende kracht tot 1 april 2007 op verzoek ontheffing verleend van de verplichte verzekering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

2.2. In het onderhavige jaar ontving belanghebbende een bruto AOW-uitkering van € 350. Daarnaast ontving hij uit België van de “Rijksdienst voor pensioenen” een pensioen van bruto € 19.567 en een pensioen van “Fortis Brussel” van bruto € 19.321. Belanghebbende heeft over 2008 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PV) ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning komt, rekening houdend met een persoonsgebonden aftrek van € 3.732, uit op een bedrag van € 35.506. Daarnaast heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aangegeven van € 7.863.

2.3. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PV en inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet over het onderhavige jaar overeenkomstig de aangiften vastgesteld. Daarbij is geen rekening gehouden met de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2006, C-50/05, zaak Nikula (hierna: het Nikula-arrest). Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 mei 2011 heeft de inspecteur een vermindering op de aanslag verleend van € 4.688 (excl. heffingsrente), bestaande uit € 3.088 aan premie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: premie AWBZ) en € 1.600 aan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet.

2.4. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Is het Nikula-arrest op de juiste wijze toegepast?

- Is belanghebbende premie Anw verschuldigd?

- Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van de betaalde nominale premies voor de zorgverzekering?

2.5. De rechtbank stelt het volgende voorop. De inspecteur heeft uit praktische overweging de vermindering op de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet, die bij aanslag met aanslagnummer [nummer].W.86 is opgelegd, in de onderhavige aanslag verwerkt. Hoewel een vermindering op de W86 in principe voor de hand ligt, ziet de rechtbank geen reden om zich hiertegen te verzetten, nu belanghebbende met de praktische benadering akkoord is gegaan. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen. Daarmee is ook de W86 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente meegenomen.

Met betrekking tot de toepassing van het Nikula-arrest

2.6. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur zich volledig bij het Nikula-arrest moet neerleggen.

2.7. De regels voor de toedeling van de sociale verzekeringsplicht binnen de Europese Unie zijn vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening). Belanghebbende is op grond van de Verordening onderworpen aan de sociale verzekeringsbepalingen van Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nederland in het onderhavige jaar terecht sociale verzekeringspremies berekend over het wereldinkomen van belanghebbende, aangezien geen enkele bepaling in de Verordening Nederland dit verbiedt (vergelijk rechtsoverweging 31 van het Nikula-arrest).

2.8. In het Nikula-arrest heeft het Hof van Justitie bepaald dat artikel 33, eerste lid, van de Verordening meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor de heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekeringen rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen (vergelijk rechtsoverweging 32). De Staatssecretaris van Financiën heeft zich naar aanleiding van deze problematiek bij Besluit van 26 januari 2010, nr. DGB2010/529M, Stcrt. 2010, 1525, neergelegd bij voormeld arrest en besloten dat de Nederlandse ziektekostenpremies (inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en premie AWBZ) die worden geheven van dubbelgepensioneerden niet meer mogen bedragen dan het brutobedrag van het uitbetaalde Nederlandse wettelijke pensioen. Daarbij dient de vermindering eerst toegepast te worden op de verschuldigde volksverzekeringen (premie AWBZ) en indien nodig daarna op de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet.

2.9. In de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 mei 2011 heeft de inspecteur een vermindering op de aanslag verleend van € 4.688 (excl. heffingsrente), bestaande uit € 3.088 aan premie AWBZ en € 1.600 aan de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. De inspecteur heeft hiermee de volledige bedragen aan premie AWBZ en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet die begrepen waren in de aanslagen, teruggegeven. Het Nikula-arrest is daarom naar het oordeel van de rechtbank op de juiste wijze toegepast.

Met betrekking tot de premie Anw

2.10. De SVB heeft belanghebbende op zijn verzoek met terugwerkende tot 1 april 2007 ontheffing verleend van de verplichte verzekering ingevolge de Anw en de AKW op grond van artikel 22 van het Besluit inzake uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende geen premies Anw is verschuldigd en dat de aanslag moet worden verminderd met € 279. De rechtbank ziet, gelet op de hiervoor verleende ontheffing door de SVB, geen reden om de inspecteur hierin niet te volgen.

Met betrekking tot de heffingsrente

2.11. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep met betrekking tot de beschikking heffingsrente slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslag betreft.

Met betrekking tot de premies voor de zorgverzekering

2.12. Belanghebbende heeft gesteld dat hij recht heeft op teruggaaf van de betaalde nominale premies voor de zorgverzekering aan zorgverzekeraar CZ over de jaren 2006 tot en met 2009.

2.13. Niet in geschil is dat het beroep van belanghebbende gericht is tegen de onderhavige aanslag en dat de betaalde premies voor de zorgverzekering niet in deze aanslag vervat zijn. Voorts worden deze premies overigens ook niet door de belastingdienst geheven. Een geschil omtrent de premies voor de zorgverzekering kan desgewenst worden voorgelegd aan de civiele rechter. De belastingrechter is niet bevoegd. Die procedure kan niet worden ingeleid door middel van het indienen van een beroepschrift als het onderhavige.

Conclusie

2.14. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard en dient de onderhavige aanslag te worden verminderd met het bedrag van de premie AWBZ, inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en premie Anw van totaal € 4.967 (€ 3.088 plus € 1.600 plus € 279). De rechtbank heeft zich voor het beroep betreffende de nominale premies voor de zorgverzekering onbevoegd verklaard.

2.15. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vastgesteld op de reiskosten van belanghebbende voor het verschijnen ter zitting. De reiskosten zijn becijferd op basis van het openbaar vervoer tweede klasse op een bedrag van € 11. Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen zijn gesteld noch gebleken.

Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 augustus 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.