Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7913

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
07-01-2013
Zaaknummer
Awb 12 / 18774
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere aanvraag, conform beschikking Minister, mvv-vereiste, art. 3 en 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/18774

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te Tilburg, eiseres

(gemachtigde: mr. J.L. Hofdijk),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking “conform beschikking Minister” afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder bij voormeld besluit tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek van de gemachtigde van eiseres van 24 september 2012 en ter zitting om de behandeling van het onderhavige beroep aan te houden tot de invoering van het wetsvoorstel nummer 33 068, zogenoemd “kinderpardon”, niet wordt gehonoreerd, reeds omdat dit wetsvoorstel, wat hier verder ook van zij, gelet op de ex tunc-toetsing in beroep in reguliere zaken, bij het onderhavige beroep niet betrokken kan worden. Om dezelfde reden kan evenmin bij het onderhavige beroep worden betrokken het in de pleitnota van 24 september 2012 van de gemachtigde van eiseres bedoelde moratorium, dat gedurende de kabinetsformatie geen kinderen worden uitgezet.

2. Eiseres is geboren op 1 juli 1991 en heeft de Burundische nationaliteit. Zij heeft op 12 mei 2011 de onderhavige aanvraag ingediend, welke aanvraag in een brief van de gemachtigde van eiseres van diezelfde datum is toegelicht en in welke brief is uiteengezet dat en waarom eiseres van mening is dat zij in aanmerking dient te worden gebracht voor de gevraagde verblijfsvergunning.

3. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen, waarbij hij aan eiseres het zogenoemde mvv-vereiste heeft tegengeworpen en waarbij hij het door en namens eiseres aangevoerde heeft betrokken. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat de zeer uitgebreide aanvraag niet serieus is beoordeeld en vrijwel ongemotiveerd is afgewezen, dat de tante van eiseres, [naam A], die naar Burundi is teruggekeerd, waarschijnlijk slachtoffer van geweld is geworden, dat eiseres voor een zogenoemde “MAURO oplossing” in aanmerking komt en, in verband met het uit te vaardigen inreisverbod en in reactie op de door verweerder bij brief van 27 april 2012 geboden gelegenheid om in dat kader klemmende redenen aan te voeren, dat eerst bezien moet worden of eiseres alsnog in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning waarmee het inreisverbod automatisch zal vervallen. Verweerder heeft in het door eiseres aangevoerde geen aanleiding gezien om tot een andere beslissing te komen dan vermeld in het primaire besluit en heeft dat besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd, en heeft voorts tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

4. Eiseres heeft in beroep tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de gronden van beroep zien op de wijze waarop een zeer goed onderbouwd verzoek om in Nederland te mogen blijven wordt afgedaan met generalistische en voor eiseres kwetsende argumenten. Verweerder heeft naar de mening van eiseres onzorgvuldig gehandeld. Voorts merkt eiseres op dat een inreisverbod voor haar niet relevant is: eenmaal terug in Burundi zal zij niet meer naar Nederland kunnen gaan. De kans is groot dat zij (waarschijnlijk net als haar tante) het verblijf in Burundi niet zal overleven. Eiseres voert voorts aan dat zij een zeer effectieve opleiding en training heeft gehad. Het is niet goed te volgen dat zij nu juist zo hard wordt bejegend. Eiseres merkt verder op dat in haar geval geen sprake is van “geen vaste woon- en/of verblijfsplaats”. Zij is ingeschreven in de GBA en vervult in haar leven een voorbeeldige rol in gezin en maatschappij.

5. Gelet op voormelde gronden van beroep, overweegt de rechtbank als volgt.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit en het primaire besluit, waarvan de inhoud in het bestreden besluit is geïncorporeerd, op het standpunt heeft gesteld dat en heeft gemotiveerd waarom eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Hierbij heeft verweerder aan eiseres het zogenoemde mvv-vereiste tegengeworpen en heeft verweerder zich voorts gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van voormeld vereiste en evenmin een geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het hiertegen door eiseres in beroep aangevoerde biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres niet – met tegenwerping van het mvv-vereiste – heeft kunnen afwijzen. Hiertoe acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat eiseres verweerders standpunt onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist. De enkele stelling van eiseres dat de gronden van beroep zien op de wijze waarop een zeer goed onderbouwd verzoek om in Nederland te mogen blijven wordt afgedaan met generalistische en voor eiseres kwetsende argumenten, alsmede dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, is daartoe, wat hier ook van zij, ontoereikend.

De stelling van eiseres dat de kans groot is dat zij (waarschijnlijk net als haar tante) het verblijf in Burundi niet zal overleven, is, wat hier verder ook van zij, onvoldoende concreet en niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar tante slachtoffer is geworden van geweld, nog daargelaten dat vrees voor geweld in het land van herkomst asielgerelateerd is en dus in beginsel niet bij de onderhavige reguliere procedure kan worden betrokken. De stelling van eiseres dat zij een zeer effectieve opleiding en training hier te lande heeft gehad, alsmede dat het niet goed te volgen is dat zij nu juist zo hard wordt bejegend, behoefde verweerder niet te nopen tot het in aanmerking brengen van eiseres voor de gevraagde verblijfsvergunning.

Het eerst in de pleitnota van de gemachtigde van eiseres van 24 september 2012 en ter zitting aangevoerde omtrent artikel 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbij tevens naar jurisprudentie is verwezen, heeft verweerder evenmin hoeven nopen tot het in aanmerking brengen van eiseres voor de gevraagde verblijfsvergunning. In dit verband is van belang dat verweerders gemachtigde ter zitting er terecht op heeft gewezen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van “more than the normal emotional ties”. Ten aanzien van het in het kader van artikel 8 van het EVRM gedane beroep van eiseres op artikel 3 van het EVRM, heeft verweerders gemachtigde ter zitting er terecht op gewezen dat, nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van “more than the normal emotional ties”, aan artikel 3 van het EVRM in dit kader niet wordt toegekomen. Voor zover eiseres een zelfstandig beroep – dus los van artikel 8 van het EVRM – heeft gedaan op artikel 3 van het EVRM, wijst de rechtbank erop dat dit als asielgerelateerd dient te worden aangemerkt en derhalve niet in de onderhavige reguliere procedure kan worden betrokken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres de gevraagde verblijfsvergunning heeft kunnen weigeren.

7. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder bij het bestreden besluit tegen eiseres een inreisverbod heeft uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte tegen eiseres een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Hiertoe acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat eiseres verweerders standpunt onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft betwist. De enkele stelling van eiseres dat in haar geval geen sprake is van “geen vaste woon- en/of verblijfsplaats”, dat zij is ingeschreven in de GBA en dat zij in haar leven een voorbeeldige rol in gezin en maatschappij vervult, behoefde verweerder niet te nopen tot het achterwege laten van het inreisverbod. Ten aanzien van “geen vaste woon- en/of verblijfsplaats” en de inschrijving in de GBA, wijst de rechtbank erop dat, wat hier ook van zij, verweerder in het bestreden besluit, naast het voormelde, ook nog ten minste twee van de in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (zie het tweede lid van voormelde bepaling) vermelde feiten of omstandigheden aan eiseres heeft tegengeworpen, te weten dat zij meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid (onder e) en dat zij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (onder j), terwijl eiseres dit niet heeft betwist. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder tegen eiseres ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.

8. Hetgeen overigens is aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

9. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde van eiseres ter zitting dat verweerder eiseres had moeten horen in verband met artikel 8 van het EVRM, in het bijzonder omtrent “more than the normal emotional ties” en de door eiseres verleende mantelzorg, overweegt de rechtbank dat verweerders gemachtigde ter zitting er terecht op heeft gewezen dat eiseres hieromtrent in bezwaar niets heeft aangevoerd, terwijl naar het oordeel van de rechtbank in het bezwaarschrift van eiseres geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die, gelezen in samenhang met de motivering van het primaire besluit, na een eerste beoordeling daarvan een wezenlijk nieuw licht op de zaak werpen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond is als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Er bestond derhalve geen plicht om eiseres op haar bezwaar te horen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 december 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschriften verzonden:

?