Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7067

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
AWB 12/4627
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit dat 5 jaar geleden is genomen. Eisers betwisten de verzending en ontvangst van het besluit. Analoge toepassing van artikel 6:12, vierde lid van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4627

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2012 in de zaak tussen

[A] en [B] te [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

Het College van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers herzien en teruggevorderd.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 16 maart 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 23 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 5 juni 2012, ingekomen bij de rechtbank op 4 juni 2012 en nader aangevuld bij brief van 13 september 2012, beroep ingesteld.

De zaak is op 27 september 2012 ter zitting behandeld.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Allereerst is de vraag aan de orde of het beroep ontvankelijk is. Verweerder heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat het beroepschrift op 31 juli 2007 is verzonden. Eisers stellen dat zij het bestreden besluit eerst op 1 mei 2012 hebben ontvangen, zodat de beroepstermijn eerst na 1 mei 2012 is gaan lopen. Eisers menen dat verzending in 2007 niet door verweerder aannemelijk is gemaakt en betwisten zowel de eerdere verzending als de ontvangst van het bestreden besluit.

2. De rechtbank maakt uit het standpunt van eisers op dat een beroep wordt gedaan op de regel van artikel 6:8, eerste lid van de Awb, waarin is bepaalt dat de beroepstermijn eerst een aanvang neemt de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt. De dag van bekendmaking is, aldus eisers, 1 mei 2012, nu geen sprake is geweest van eerdere bekendmaking van het besluit als omschreven in artikel 3:41 van de Awb.

3.1. De rechtbank is van oordeel dat het zeer lange tijdsverloop tussen het nemen van het besluit en het toezenden van het beroepschrift, bijna vijf jaar, eisers beroep op artikel 6:8 van de Awb in de weg staat. De rechtbank komt tot dit oordeel middels analoge toepassing van de regel van artikel 6:12, vierde lid van de Awb. Dit artikellid bepaald dat bij het uitblijven van een besluit, betrokkene binnen een redelijke termijn beroep moet instellen, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Blijkens de parlementaire geschiedenis was bij opnemen van deze regel de gedachte leidend dat niet nodig en niet gewenst is de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het uitblijven van een beslissing oneindig te doen zijn. Ook speelde een rol de overweging dat als een betrokkene bij het uitblijven van een besluit lang blijft stil zitten, het bestuursorgaan er op een gegeven moment op mag vertrouwen dat van beroep wordt afgezien.

3.2. De rechtbank acht ongewenst, om dezelfde redenen als hierboven genoemd, dat ook in een situatie als in hier aan de orde, waarin het besluit wel is genomen maar verzending/ontvangst ervan wordt ontkend, jaren later een ontvankelijk beroep kan worden ingesteld. Het betrokken bestuursorgaan, maar ook de rechtspraktijk moet er op een gegeven moment van uit kunnen gaan dat zaken in rechte vast staan. Van eisers mag ook worden verlangd dat zij binnen een redelijke termijn aan de bel trekken wegens het (beweerdelijk) uitblijven van een besluit. Niet valt in te zien waarom de regel van artikel 6:12, vierde lid van de Awb wel zou gelden in een situatie waar het bestuursorgaan géén besluit heeft genomen, en niet in de vergelijkbare situatie dat het bestuursorgaan wel een besluit heeft genomen, doch dit niet conform de regels van artikel 3:41 van de Awb heeft bekend gemaakt.

3.3. Bijzondere omstandigheden die maken dat de hier verstreken termijn van (bijna) 5 jaar niet als onredelijk lang dient te worden aangemerkt, dan wel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, zijn gesteld noch gebleken. Integendeel, het feit dat eisers al sedert november 2007 bezig zijn met een betalingsregeling in het kader van de terugvordering en daarmee uitvoering geven aan het bestreden besluit, draagt bij aan het oordeel dat verweerder er op moet kunnen vertrouwen dat het bestreden besluit in rechte vast staat.

4. Het beroep is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, rechter, in aanwezigheid van S. Vrauwdeunt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.